15. Wat wil Kerkopbouw?1
Op de vraag zou ik kunnen antwoorden door te verwijzen naar het manifest2 en het werkprogram3 van de Vereniging en dan opmerken: daar staat het zwart op wit. Maar reeds het feit van deze conferentie wijst er op dat nog iets meer verlangd wordt. Er is een centrale kerkelijke groep die beide geschriftjes heeft ontworpen. Deze groep confereert thans4 met een andere, die, om een bestaande terminologie te gebruiken, gezegd wordt links van haar te staan. En ze zal D.V. confereren5 met een andere, die rechts van haar staat. Of van de laatste er ook lid van Kerkopbouw zijn is mij niet bekend. Wel staan er op de ledenlijst verschillende namen van personen uit de linkse groep. De vraag die ons hier bezig zal houden, is deze of het naast elkaar voorkomen van deze namen op een lijst voldoende waarborg biedt voor de mogelijkheid van vruchtbare samenwerking. Let wel: of zij met elkaar in één vereniging mogen zitten.
Daarbij moet elke gedachte van kerkelijke politiek a priori gebannen blijven. Daarvoor verkeren wij thans nog in een gunstige conditie. De vereniging heeft nog geen centraal bureau. Geen vaste secretaris. Geen fondsen. Geen uitgebouwde organisatie. Zodra deze dingen er zijn, is het politieke element veel moeilijker te weren. Er komt dan iets bij van de vraag: Wie zal zich van het gereedliggende, afgewerkte instrument voor geestelijke actie bedienen? Dat is het element van politiek dat ons in de kerk vaak parten speelt. Hier kunnen we het helemaal uitschakelen. We zitten hier in de verhouding van twee jongelui die willen weten of ze elkaar passen en elkaar zullen nemen. Iedere slimmigheid is daarbij uitgesloten. De dubbeltjes-kwestie, ik zei het reeds, is uitgesloten. Maar ook andere overwegingen moeten beletten dat het een mariage de raison zou worden. Ik denk nu aan de beide geschriftjes. Er is enig verschil tussen het werkprogram en het manifest. In het eerste is aan de historische belijdenis der kerk iets meer aandacht gewijd. Bijv.: 'Als doel zouden wij ons willen stellen, enz.', zie werkprogram. In het manifest staat daaromtrent niet veel meer dan de verwijzing naar het lichaam van Christus.
Ik kan mij voorstellen dat iemand denkt: het manifest kan ik in dat opzicht gerust, maar het werkprogram nauwelijks onderschrijven. Ik behoef dat niet verder uit te werken. Men voelt welke kant ik uit wil. De overweging of wij met deze of die uitdrukking van de stukjes literair of juridisch een weg zouden weten, blijve hier eveneens uitgeschakeld. Wanneer het moderamen zich in haar formulering te sober mocht hebben uitgedrukt of zich zelfs vergist mocht hebben, dan zou daarvan geen gebruik mogen worden gemaakt. De vraag is of de centrale groep en de linkse groep samen de christelijke kerk kunnen opbouwen. De bedoeling kan daarbij niet zijn om aan een of beide zijden wat onduidelijk te zijn. Integendeel, beide kanten zullen trachten de wijn zo klaar mogelijk te schenken.6 Een verstandelijke mogelijkheid van samenwerking zal daarbij niet in het licht behoeven te treden. Het is voldoende als er een geloofsmogelijkheid blijkt te bestaan. Maar juist daarom moeten we innerlijk absoluut overtuigd zijn dat de samenwerking uit hoger gezichtspunt gewettigd is. Een coalitie tegenover rechts moeten wij niet vormen. De positie van beide groepen zou daardoor wel gestevigd worden, maar ze zouden er slechts baat bij vinden in kwaliteit van partijen en de oplossing van de vragen zou er door vertraagd worden. Het zou waarschijnlijk nergens toe leiden dan tot een verhaasten van het uiteenvallen van de Hervormde Kerk in beide delen.
Ik zie de beweging ook allerminst als een herhaling of voortzetting van de vroegere eenheidsbeweging.7 Zo'n beweging kan althans betekenen dat men elkaar laat voor wat men is. Een soort christendom boven geloofsverdeeldheid, waarbij het geloven belangrijker wordt geacht dan wat men gelooft en waarbij men de verschillen zo weinig mogelijk accentueert. Ik zou er nog eens de nadruk op willen leggen dat Kerkopbouw dit niet bedoelt. Eerder zou ik willen constateren dat overal het verlangen naar beslissingen ontwaakt. Misschien bij de meeste leden van Kerkopbouw nog het minst. Bij de mensen van Kerkherstel heerst dat verlangen traditioneel. Ze hebben het bewaard als Dordtse traditie. Daarom een niet te verachten geestelijke erfenis. Links kan op de duur geen vrede hebben met een kerkbegrip dat iedere decisie uitsluit, omdat men daar een opvatting van kerk als kweekschool voor enige variëteiten van burgerlijke zedelijkheid al lang heeft verruild voor een veel strakkere opvatting. Reeds veel vroeger zijn er daar mannen voorgekomen die zich in het kerkelijk gareel niet meer op hun plaats gevoelden. Ik noem de namen van Allard Pierson8 en De Ligt.9 Het verschil is zeer typisch. Pierson zoekt theoretisch een algemeen menselijke zedelijkheid. Voor zijn scepticisme is de slingerwijdte binnen de kerkelijke muren te eng. Daarvoor heeft hij de wereld nodig, die hem tenslotte ook te eng is geworden. De Ligt vraagt een beslissing op een bepaald punt, het vraagstuk van de oorlog. Zijn grief tegen de kerk is dat binnen haar muren ruimte is voor gereserveerdheid op dit punt. Er zijn kwesties waarin de kerk niet heeft te overwegen maar heeft te belijden. Ruimte maken binnen de kerk voor zulke vragen betekent haar tot wereld maken. In de kerk staat men op een vast fundament. De Ligt heeft, omdat de empirische kerk voor hem daaraan niet beantwoordde, haar de huid volgescholden en zich hoe langer hoe meer op een algemeen-religieus standpunt gesteld. Hij is, tot op zekere hoogte, in het Pierson-type omgeslagen. Maar zijn geval was ook heel anders denkbaar geweest. Hij had binnen de kerk een eschatologische rol kunnen spelen en haar tot beslissingen kunnen drijven. Althans hij had het kunnen beproeven.
Ik heb deze voorbeelden gegeven om aan te wijzen dat er bij het zoeken van godsdienstig zedelijke overtuigingen en standpunten twee hoofdrichtingen mogelijk zijn. De eenheidsbeweging leidt tot scepticisme en lost de kerk op, doordat de krachtigste geesten zich niet meer thuis voelen te midden van dit futloze enerlei en allerlei. De andere richting, die ik de eschatologische zou willen noemen, is uit op beslissingen, uitspraken, besluiten. Dingen, die aan onze kerkelijke besturen blijkens de reglementen als taak worden voorgeschreven. Maar die deze richting weer tot volle betekenis wil brengen voor de hele kerk. Niet als periodieke werkzaamheden van besturen in warme zomerdagen, die soms, zoals ik prof. Cannegieter10 op een college eens hoorde zeggen, doen11 wat de synodale commissie geacht wordt te doen als de synode vergadert. Maar als spontane belijdenis12 van al het kerkelijke volk. Beslissingen, uitspraken, besluiten.
Ik geloof dat ik mij niet vergis als ik zeg dat de mentaliteit van links boe langer hoe meer in dit teken komt te staan. Niet uitsluitend. Er is ook een modern-religieuze richting links die gevaar loopt in relativisme onder te gaan en de aeonen als speelruimte aan te nemen voor de wereld-logos, naar redelijke indeling. Ik zie niet in wat deze richting met een kerk, die met één incarnatie van de logos te doen heeft, te maken heeft. Wie kerk zegt, zegt ruimte en tijd, zegt beslissing. De meer eschatologische richting links ziet het ook op die wijze. Scepticisme kan een symptoom van verveling zijn in een tijd, waarin weinig belangrijke vragen aan de orde zijn. In sommige perioden van de geschiedenis is het dat ook geweest. God laat echter gewoonlijk de mensen niet al te veel tijd om te twijfelen. Hij zet hen voor zulke moeilijke vragen dat ze daar onder het twijfelen vergetenen onder het worstelen om oplossing tot de geloofshouding terugkeren. Ik ben overtuigd dat wij in zulk een tijd leven. Vroom zijn we minder dan onze ouders. Maar het is voor ons moeilijker, in iedere zin, om ongelovig te zijn. De vragen die zich aan ons opdringen hebben afmetingen aangenomen die ver uitgaan boven de gewone vormen van burgerlijke godsdienstige zedelijkheid en zedelijke godsdienstigheid. Het wordt hoe langer hoe duidelijker dat ze geen schaduw van een kans van oplossing hebben, zonder dat daarbij ons geloof in actie zou komen. Misschien kan men zeggen dat ze ons voorlopig exclusief in een geloofshouding drijven en ons praktisch slaan met een gevoel van absolute onmacht en schlechthinnige Abhängigkeit.13 In ieder geval voelen we ons ingeënt tegen rationalisme en moralisme. Onze persoonlijke belangrijkheid en onaantastbaarheid worden daardoor verminderd. Ik herinner aan het in het werkprogram van Kerkopbouw voorkomend citaat uit de brief van de Lambeth-conferentie:14 "Wij doen een beroep op al onze broeders om te bedenken dat hun recht op een plaats binnen de kerk van Christus gelegen is veel meer in zijn roepstem tot ieder van hen, in zijn liefde die hen mee omvat, in zijn Geest die in hen woont, dan in de meningen die zij er op nahouden of de methodes die zij wensen toe te passen." De conclusie die de genoemde brief er uit trekt, loopt enigszins anders dan mijn toepassing. Daar wordt er op gewezen dat er misschien uiteenlopende meningen moeten zijn. Dat is een argument voor een conferentie met rechts. Ik wilde er op wijzen dat onze tijd onze kerkelijke onschendbaarheid heeft verminderd. Tegenover de geweldige vragen van onze tijd schijnt het minder belangrijk of iedere overtuiging en ieder persoontje recht in de kerk zal hebben. Teruggedrongen naar geloofsbelijdenis en op de persoon van Christus zijn we geneigd minder nadruk te leggen op de autonomie der individuele persoonlijkheid.
Ik ben nog steeds bezig het niemandsland tussen onze loopgraven te verkennen. Ik geloof althans dat, als er niets van dien aard bestond, we hier niet samen zouden zitten. Als men, zoals dat vroeger wel eens gebeurde, het heiligste huisje van zijn protestantse belijdenis liet bewonen door de overtuiging dat het kerkelijk geweten autonoom is, dan heeft confereren geen zin. We moeten er van overtuigd zijn dat de dingen die we tegenkomen een eschatologische zin hebben en dat de beslissing voor of tegen ons nadert. We moeten belijden dat eschatologische vragen zonder Christus niet zullen opgelost worden en dat cultuur in de eschatologische zin, met de gedachte van cultuureinde ingesloten, zonder de belijdenis van Christus te geweldig is om te denken en te dragen. Daaruit ontwaakt het verlangen naar een kerk die ons draagt en bewaart, een ark waarin we veilig zijn. Een gedachte die Augustinus zo sterk heeft gevoeld. Deze kerkidee voert ons ver uit boven het gezin en de school. Kerk is iets veel groters dan cursus. In die kerk komt dan weer plaats voor autoriteit.
Iemand zou op de ondeugende inval kunnen komen dat ik hier het werk doe van een archeoloog. Dat ik ribbe na ribbe van een voorwereldlijk dier in elkaar pas en het reconstrueer. Maar dat dit alles voorbij is. Eschatologie, autoriteit, de ark van Noach, het lijken verouderde namen voor cultuur, autonomie en vrijzinnigheid. Ik schrik niet als ik die opmerking hoor. Ik geloof dat mijn drietal veel moderner is dan het laatstgenoemde. Ik ga er nog een ribbe bijvoegen. Ik noem het woord predestinatie. De eigenlijke reden waarom we links niet tot een eenheidsbeweging kunnen uitnodigen en de reden waarom links dat misschien nog minder dan wij zou moeten willen is dat we beslissingen begeren op hoofdpunten. Men kan daaraan slechts meewerken als men zich gepredestineerd weet. Een kerkelijke ruilhandel in overtuigingen en belijdenissen mogen we nooit drijven. We mogen met het artikel waarheid nooit royaal zijn. Het is een te zeldzaam bezit. Een geesteshouding die rekening houdt met de grote transcendente beslissingen die in de wereld vallen en die eens voor goed hun betekenis behouden, moet noodwendig het geloof in predestinatie belijden. Anders wordt men aanmatigend en onverdraagzaam. Ik geloof niet dat de synode in Dordrecht verkeerd deed met de remonstranten het land op te jagen.15 Niet om het leerstuk der predestinatie in intellectuele zin, maar omdat het goddeloos geweest zou zijn, de diepste drijfveer der martelaren, die met hun leven ingestaan hadden voor een historische en geestelijke beslissing, niet openlijk te honoreren, wanneer de Dordtse vaderen, zo kort na Luther, gezegd hadden: hier staan wij, wij kunnen en konden ook anders. Het minste dat ze konden doen, toen ze rustig op hun deputaten-stoelen en aan hun maaltijden zaten, was dit, dat ze de martelaren een kerkelijk getuigenis achterna gaven, dat ze hun leven hadden gegeven voor een beslissing die de eeuwen zou blijven beheersen en dat ze door God gepredestineerd waren om dat te doen. Dat deze belijdenis steeds meer verbleekte, daar konden ze niets aan doen. Maar dit was hun plicht. Meer konden ze ook niet.
Deze laatste ribbe heb ik er bij gezet omdat ik geloof dat ze onze houding steeds meer gaat bepalen. Ik zie Kerkopbouw niet als een makke beweging. Kerkherstel is waarschijnlijk het makst. Het is traditioneel-Dordts en er valt vermoedelijk met hen wel te praten. Als Kerkopbouw iets zal betekenen, dan zal het de ontwikkeling vertonen van een foetus. Het lijkt eerst erg onduidelijk. Maar allengs verschijnt de ene atavistische vorm na de andere. Het leek zichzelf op te bouwen, maar zie, het werd opgebouwd. Wanneer links mee wil doen dan moet het vrede sluiten met het kerkelijk skelet. Links zou, wanneer het in een geestelijke beweging van deze aard werd opgenomen, het minst tolerant zijn. Het zou - dit zou van zijn links-zijn overblijven - het meeste nadruk leggen op het kritisch karakter van het kerkelijk leven. Zoals, meen ik, wijlen prof. De Graaf16 van de dialectische theologie gezegd heeft dat hij er maar één ding in te loven vond: dat ze de Entscheidung vooropstelde. Ik kan in dit verband nog herinneren aan een uiting van Roessingh,17 dat er in de geschiedenis stroomversnellingen voorkomen en dat hij soms meende zo'n val reeds te horen ruisen. Wie niet eens in een kerkelijk conflict gestaan heeft, weet dat niets ons zo sterk tegen de kerk kan innemen als haar bestuurlijk pogen om alle conflicten te vermijden en bij het smoren van een vredespijp alle verschillen te verdoezelen en elk heroïek belijden als rustverstoring te brandmerken.
Tot nog toe heb ik hoofdzakelijk de nadruk gelegd op het karakter der kerk als cultuurverschijning, zij het dan als eschatologische cultuurgestalte, cultuur met het oog op beslissing en einde. Ik acht het allerminst onmogelijk dat ik daarmee nog meer de mentaliteit van links dan van ons centrum getekend heb. Dat ik, Kerkopbouw verklarende, ruim zoveel op toestemming van links als op de bijval van mijn eigen centrum-groep kan rekenen. Dit zal misschien niet het geval zijn wanneer ik van de eschatologische cultuurzijde inkeer tot de mystieke grond of de geloofszijde. Ofschoon bijval ook hier niet uitgesloten is. Ik voel mij, bij mijn conservatisme, niet on-modern. Ik begrijp het als Gunning zegt: dat alleen het apostolisch christendom waarlijk modern is.18 Wat wil het nu zeggen, als wij ons willen plaatsen op de historische basis der bijzondere en oecumenische belijdenissen en dat wij ons willen stellen in de weg der levende traditie, die van de belijdenissen uitgaat?19
Allereerst gaat het hier over de Christus-belijdenis. Ik heb op de vergadering te Utrecht20 de tegenstelling tussen Christus en cultuur, die geopperd was, overgenomen. Wat ik tot dusverre gezegd heb, maakt duidelijk dat ik die tegenstelling niet wens te aanvaarden. Kerkopbouw ziet hier geen tegenstelling. Het eschatologische cultuurbegrip is zonder Christus niet te denken. En weer heb ik het gevoel, minstens evenzeer op de toestemming van links te kunnen rekenen als op die van onze centrumgroep.
Nu enige vragen. Wij zijn geneigd de nadruk te leggen op de verzoeningsleer en de Paulinische christologie. Deze scheppen echter op zichzelf geen tegenstelling tussen ons en de vrijzinnigen. Roessingh ging bij zijn Christus-beschouwing van de Christus van het N.T. en van de Logos in wereld en kerk uit. Probleem bleef bij hem de verbinding tussen deze beide en de historische Jezus. Van humanisme was hier geen sprake meer.
Wij komen op voor historiciteit van Christus en zijn historische verschijning.
Lindeboom wees aan moderne religie een plaats aan buiten de kerk.21
De opstanding van Jezus.
Frits Kuiper,22 die op het predikaat 'modern' geen bijzondere prijs stelt. Doopsgezind. Wil de strijd om de historiciteit van Jezus' opstanding van haar dogmatische achtergrond uit begrijpen. Over de historiciteit laat hij zich niet uit. Opstanding een storend element voor het moderne denken. Ook stoort ze het antieke wereldbeeld. Ze zal dit doen in elk wereldbeeld, als einde, eschatologie. Maar in verband gebracht met toekomst-einde, geeft zij doel aan persoonlijke en sociale ethiek.
1.onsterfelijkheid is iets heel anders. Zelf-ontplooiing der persoonlijkheid. Opstaan: geheel nieuwe mens.
2. Tegenstelling: enkeling - gemeenschap.
3. Onsterfelijkheid - autonomie. Opstanding - heteronomie.
4. Opstanding - God Schepper en God komt. opstanding: begenadiging na de zondvloed.
Lindeboom hecht niet te veel aan de historiciteit van Jezus. Maar hij wijst er op dat Christus als Geistesmacht toch ook historisch bepaald is. Hij ziet in die historische determinatie meer dan enkel negatio. In algemene zin pleit hij voor de band tussen kerk en historisch christendom. Moderne religie wijst hij een plaats buiten de kerk.