O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Zondaar en bedelaarZondaar en bedelaarOns aller Moeder →

Verzamelde Werken, deel 8 · Zondaar en bedelaar · p. 15–25

Zondaar en bedelaar1

Lukas 18 : 9-14

Lukas 16 : 19-31

De beide gelijkenissen, die ik hierboven heb aangegeven, zijn allebei heel bekend. Maar de eerste, die van de zondaar, was onder de christenen veel actueler geworden dan die van de bedelaar. Alle zondagen zat de kerk vol zondaren, maar bedelaars merkte men er weinig op; zij bevinden of liever bevonden zich meestal op de wegen. Wanneer wij de eerste gelijkenis lazen, wisten wij dadelijk dat het over ons zelf ging; bij de laatste dachten wij liever aan een ander.

Het lijkt wel of God daarin verandering heeft willen brengen. Hij heeft aan de gelijkenis uit Lukas 16 een toepasselijkheid gegeven, die velen onzer tot mystieke ervaringen bracht. De lichamelijke nood bleek in veel nauwer verband te staan met de zaligheid, dan wij meenden. En dat de bede om het dagelijks brood in het Onze Vader vóór die om de vergeving der schulden staat, zoals de gelijkenis van de bedelaar vóór die van de zondaar, komt ons minder vreemd voor dan vroeger. Deze ervaringen zijn zo algemeen en hebben zo diep in ons leven ingegrepen, dat een overweging van de verhouding tussen deze gelijkenissen zich aan ons opdringt.

Daarbij wil ik uitgaan, niet van een wetenschappelijk commentaar, maar van een boekje, geschreven door iemand die, meer dan een halve eeuw geleden, midden in het sociale leven stond. Ik bedoel een bundeltje overdenkingen over Gelijkenissen des Heeren van H. Pierson, toenmaals directeur van de Heldring-gestichten. Het is van 1891.2

"Gaarne beroept zich de socialist op de gelijkenis van Lazarus en de rijke man", schreef Pierson daar.3 Hij komt daartegen op en ontkent ten stelligste, dat Lazarus in Abrahams schoot werd opgenomen, omdat hij arm was. Pierson wil van een echte dialectiek in de gelijkenis niet weten. De tegenstelling tussen rijk en arm moet hij natuurlijk ook gebruiken om er lering uit te trekken. Maar armoede en rijkdom blijven daarbij zuiver natuurlijke toestanden, zoals gezondheid en krankheid, regen en zonneschijn, vruchtbare en onvruchtbare jaren. Dat zijn wel tegenstellingen, maar zij behoeven geen verschil te maken in de verhouding tot God. Men kan in voorspoed dankbaar en in tegenspoed geduldig zijn en beide malen kan men dit als een kind van God. Deze dingen liggen op het terrein der voorzienigheid en raken het middelpunt van het Evangelie niet. God regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen en Hij doet zijn zon opgaan over bozen en goeden.

Zo ziet Pierson nu ook het verschil tussen rijk en arm in de gelijkenis. Het onderscheid is niet kritiek ten opzichte van de zaligheid. Armoede is voor Lazarus een kruis, maar dit kruisdragen brengt hem op zichzelf niet dichter bij de hemel. Rijkdom mag min of meer een gevaar opleveren, hij is toch niet een verzoeking van de boze en voert niet ter helle. Daarom vonkt hier de bliksem van het oordeel ook niet tussen Lazarus en de rijke man. De afstand tussen deze beiden wordt niet uitgemeten, maar wel tussen de ene en de andere rijke, de ene en de andere arme. Men kan rijk zijn en tegelijk goddeloos; maar ook schatrijk, als Abraham, en toch godzalig. Tegenover de jaloerse arme plaatst Pierson de tevreden Lazarus. Zo is de rijke man een les voor de rijken en Lazarus desgelijks voor de armen. Maar van de gelijkenis als geheel, de tegenstelling tussen deze beiden, gaat niets uit. Geen evangelie voor de armen, geen oordeel voor de rijken. Er is geen verborgenheid in de gelijkenis. Christus zit er niet op zijn troon.

Pierson blijkt dit zelf wel te beseffen. Hoe zou het ook anders bij iemand, die levenslang als een barmhartige Samaritaan tot het arme en verlorene is uitgegaan. Hij schrijft dat Lazarus niet luide behoeft te roepen, dat hij zijn schat in de hemelen heeft; zijn hele bestaan predikt dit. - Derhalve niet zijn nederigheid, maar zijn armoede. - Pierson durft zelfs de stelling aan dat elke arme een kind Gods moet (curs. van P.) zijn. Wel durft hij dat niet helemaal; want hij schrijft: "Elke arme die zo alle jaloezie heeft afgelegd".4 Maar, die verwijzing naar het hele bestaan, in verband met de nadruk op dat moeten, geeft mij de overtuiging, dat hij er zich half van bewust is, dat de gelijkenis verder gaat dan zijn verklaring.

Deze gelijkenis is inderdaad zwaar om te verstaan, voor de socialist, die er zich volgens Pierson in 1891 gaarne op beriep - en wie is er tegenwoordig geen socialist - voor de socialist in 1945 evengoed als voor de zendingsman in 1891. - Maar de kerk heeft haar in haar reiskoffertje meegekregen.

Er is een andere gelijkenis, waarmee het zo geheel anders gesteld is en waarvan de dialectiek in de kerk altijd grote uitwerking gehad heeft. Ik bedoel die van de Farizeeër en de tollenaar. Hier denkt niemand er aan de ene Farizeeër naast de andere te plaatsen of de tollenaar met zijn vakgenoten te vergelijken, om de spanning af te leiden die er tussen de beide figuren bestaat. Integendeel, in die éne zijn alle Farizeeërs gebrandmerkt en met de tollenaar zoekt iedere zondaar zalig gesproken te worden. Farizeeër! is scheldwoord geworden onder de gelovigen en tollenaar een titel, die recht geeft op het koninkrijk Gods.

Beiden komen echter uit hun omgeving naar voren. Het is niet de kerkelijke partij der 'fijnen', die in de Farizeeër veroordeeld wordt, ook al is het niet toevallig dat Jezus één hunner heeft uitgekozen voor zijn tekening. Daarom is het een fout als bij de behandeling van deze gelijkenis wordt uitgeweid over de meer of mindere achtenswaardigheid van deze groep.

En zo ook bij de tollenaar. Ook hier gaat het niet om de klasse. Twee mensen gingen op in de tempel om te bidden, niet twee klassen. Zij staan in het huis des gebeds, waar partij of stand niet gelden. Hun houding drukt de verhouding tot God uit en niet tot de mensen. De een staat, de ander staat van verre.

En in de toepassing denkt niemand meer aan partij of klasse. Heel anders dan bij de gelijkenis uit Lukas 16. Beter kan men zeggen dat zij elk een eigen klasse scheppen, die niets te maken heeft met die waaruit zij zijn voortgekomen. Die nieuwe groepen zijn in de wereld of de kerk niet met de vinger aan te wijzen. Want uit de eerste, die der Farizeeërs, probeert ieder weg te vluchten en hij tracht te doen, wat de tollenaar in de gelijkenis deed: van verre staan. - En omgekeerd is er naar de vergadering der tollenaars een grote toeloop. Er is geen ruimte om van verre te staan en ieder moet zich vergenoegen met wat in de gelijkenis de Farizeeër deed. En dit gedrang zal niet ophouden vóór de gelijkenis in zichzelf zal terugkeren en ieder die oren heeft om te horen zal weten, dat er vele wolven binnen en vele schapen buiten zijn.5

Deze felle dialectiek in de gelijkenis van Lukas 18 onderscheidt haar in de kerkelijke prediking en de gemeentelijke praktijk op de meeste plaatsen en in de meeste tijden van die uit Lukas 16. In die laatste blijven de figuren ten opzichte van elkaar in rust. Zij worden niet op elkaar betrokken dan voor zover het nodig is om hun maatschappelijke positie helder te doen uitkomen. In het van verre staan van de tollenaar lag een oordeel opgesloten over het staan van de Farizeeër. In zijn schuldbelijdenis evenzo over het aanmatigend gebed van de ander. Iets dergelijks vindt men in de uitlegging van Lukas 16 meestal niet. De schrille kleuren, waarin de ellende van Lazarus wordt getekend, leveren geen verwijt op aan de bewoner van het huis, voor welks poort hij lag. Zij dienen enkel om de bedelaar ten voeten uit te tekenen. Dat is of was een klasse in de maatschappij en daarom behoefde de rijke man zich daarvan weinig aan te trekken. Misschien leefde hij wat heel vrolijk en wat heel prachtig, maar dat was een zaak die Lazarus niet aanging. Daar moesten zijn buren dan maar aanmerking op maken. - God kan er natuurlijk ook een oordeel over vellen, maar dat gebeurt toch over zulke uitwendige dingen als een wat te hoog budget veel minder gemakkelijk dan over een te hoog hart, zoals bij de Farizeeër. De zaligheid kan er nauwelijks door in gevaar komen.

Zo blijven de figuren in deze gelijkenis van elkaar gescheiden. Zij doen elkaar niets. Tussen hen was reeds in dit leven een kloof gevestigd, zodat de een naar de ander niet kon overgaan. Die kloof was daar door de voorzienigheid geschapen, omdat het gevaarlijk zou zijn, als beiden op elkaar betrokken raakten, zoals Farizeeër en tollenaar. Aan het spel uit Lukas 18 had de kerk reeds meer dan genoeg te doen. De strijd om zonde en genade, vrije wil en predestinatie, had haar alle eeuwen door reeds in beweging gehouden. Paulus was er mee begonnen en Dordt was er mee geëindigd. En dat was tenslotte ook veel belangrijker. "Jezus kent iets dat veel erger is dan armoe of ellende, nl. de zonde, en iets dat veel heerlijker is dan medelijden, nl. vergevingsgezindheid", schreef Adolf Harnack omstreeks 1900.6 In ieder geval heeft de kerk de dialectiek in deze gelijkenis niet los durven laten. Zij heeft haar behandeld met de voorzichtigheid, die men tegenover een atoombom in acht neemt.

Dit stilzetten van de dialectiek in de gelijkenis had tot gevolg, dat zelden plaatsvond, wat wij door de toepassing van de gelijkenis uit Lukas 18 zagen gebeuren. Daar kwamen de figuren van hun plaats. De Farizeeërs liepen weg en waren niet meer te vinden. De tollenaar kwam in 't gedrang. - Dit is met Lukas 16 anders gegaan. De rijken zijn niet verdwenen uit angst voor de hel en er is geen toeloop ontstaan naar de armoede, de voorpoort van de hemel. Deze toepassing heeft wel niet geheel ontbroken in de loop der eeuwen, maar zij werd zeer spaarzamelijk geoefend en liep in de meeste gevallen op een mislukking uit. Misschien niet vaker een mislukking dan die van Lukas 18, maar toch duidelijker, omdat zij in 't openbaar geoefend wordt. Het is niet onmogelijk dat de verborgen praktijk der godzaligheid een omgekeerd beeld oplevert. Men leze daarvoor wat Jezus zegt in Mattheüs 25 : 31-46.

Zou de gelijkenis van de bedelaar tenslotte nog winnen van die van de zondaar?

Men zou de gelijkenis uit Lukas 16 ook kunnen noemen naar de kloof die er in voorkomt. God heeft die gevestigd tussen hemel en hel, zodat Lazarus niet tot de rijke man kan komen. - Maar reeds eerder, op aarde, is er een scheiding, die de rijke man verhindert tot Lazarus te komen, juist omgekeerd. Dat is de kloof tussen rijk en arm, die de kerk in haar natuurlijke theologie, die zij aan het heidendom heeft ontleend, vaak uitsluitend op rekening van Gods voorzienigheid stelt. Deze gelijkenis is als een zware batterij tegen die stelling gericht. Volgens Jezus is er verband tussen de kloof hier en die van hiernamaals. De afscheiding tussen hemel en hel zou er niet zijn als zij op aarde niet in omgekeerde zin bestond. Nu wordt gij vertroost en hij lijdt smarten, zegt vader Abraham.

Zo krijgt deze gelijkenis toch ook nog haar dialectiek en zelfs een zeer machtige, waarbij hemel en aarde tegelijk betrokken zijn. Die tussen Farizeeër en tollenaar is meer regelrecht en kerkelijk, al behoudt zij in de rechtvaardiging ook een hogere afmeting. Maar in Lukas 16 is zij kosmisch: de betrekking tussen de rijke man en de arme Lazarus kan niet meer regelrecht werken. De grote omwisseling heeft plaatsgehad. De dialectiek loopt over hemel en hel en de lijnen kruisen elkaar. De rijke man in de hel blijft een verhouding hebben tot de overzijde op aarde, tot Lazarus voor zijn poort en dat is nu zijn pijn. Voor herstel is het te laat. Zijn poging om een directe verhouding tot hem te krijgen wordt door vader Abraham afgewezen. De kloof tussen rijk en arm is van de aarde meegekomen, maar nu zijn de rollen omgekeerd. - Zo blijft er maar één mogelijkheid over: Lazarus moet naar de overzijde op aarde gaan en zijn broeders waarschuwen. Abraham zegt niet dat dit onmogelijk is. Hij merkt alleen op, dat zij Mozes en de profeten hebben. Zij zingen de psalmen der armen en hebben de armen altijd met zich. Maar hij gelooft niet, dat zij zich zullen laten gezeggen door een hemelse openbaring, als zij de aardse niet achten. Als zij Christus niet willen binnenlaten, de bedelaar zonder hoofdkussen, die God gezonden heeft, dan zullen zij zeker niet naar Lazarus willen luisteren, die slechts door Abraham gezonden wordt en die de verborgenheid reeds heeft afgelegd. Op die verborgenheid komt het immers aan. Aan de vernietiging en vernedering moet men God herkennen in Christus. Aan de nood en de ellende moet men Christus herkennen in de arme. Zo deed Abraham toen hij uit zijn land ging en in tabernakelen gewoond heeft (Hebr. 11 : 9); en Mozes, toen hij weigerde een zoon van Farao's dochter genaamd te worden en de smaadheid van Christus meerdere rijkdom achtte dan de rijkdom van Egypte (Hebr. 11 : 24). Zij zouden beter doen, deze broeders van de rijke man, als zij Christus herkenden in de gedaante van één zijner minste broeders (Matth. 25 : 40).

Een vergelijking tussen deze beide gelijkenissen geeft ons, een helder inzicht in het wezen van alle natuurlijke theologie. Deze zet de dialectiek van het Evangelie stil en God moet hemel en hel te hulp roepen om haar weer in beweging te krijgen. Men zou kunnen zeggen dat de hel er niet zou wezen, als er geen natuurlijke theologie was. De mensen zouden zich bekeren. - In Lukas 16 bestaan rijken en armen rustig naast elkaar, zoals bij het kastewezen in het heidense Indië. - In Lukas 18 is dat niet het geval met de hovaardigen en de nederigen. Hier zegt niemand dat God ze allebei gemaakt heeft. Het oordeel is in dit leven al tussen de Farizeeër en de tollenaar en deze laatste behoeft niet op zijn dood te wachten om zalig te worden. Hij gaat gerechtvaardigd naar zijn huis.

Wel kunnen wij in de kerk ook hier soms de zuiging der natuurlijke theologie merken, als ook de zondaar probeert tot gevestigde stand te komen en een kloof te vestigen naar de zijde van de Farizeeër. En wel wanneer hij in het meervoud gaat spreken, van zondaren als van een klasse. De belijdenis gaat dan luit de bede van de tollenaar weg en ook deze gelijkenis loopt gevaar stil te gaan staan. Tweeërlei geestelijke stand zou dan voortaan een eigen plaats innemen. Men heeft het daar soms ver in gebracht en het gehoor onder de prediking onderscheiden niet in twee, maar in vier of meer geestelijke groepen, waarbij ieder zich rustig zou mogen laten indelen. Iedere groep werd dan afzonderlijk toegesproken, alsof men door Gods voorzienigheid in die klasse was geplaatst: de ongelovigen, de bekommerden, de heilbegerigen, de gelovigen. Ieder kan weten dat zulks de dood in de pot betekent en dat ook hier een vermomde natuurlijke theologie als een schild tegen de scherpe pijlen van het Evangelie wordt opgeheven. Immers ieder wacht in zijn groep meestal de eeuwigheid af, zoals de rijke man dat deed in Lukas 16.

De gelijkenis uit Lukas 18 verzet zich daar echter krachtig tegen. De Farizeeër doet er niet aan mee, als de tollenaar van zijn zondaar-zijn een titel maakt. Zo gezocht de positie der rijken is, zo verlaten is de post der Farizeeërs evenals die der paganisten. Als 't er op aan komt, wil ieder een christen zijn en geen jood of heiden. Zo blijft de dialectiek in deze gelijkenis gaande.

Hiermee schijnt de voorliefde voor deze parabel wel gerechtvaardigd. Deze kerkelijke gelijkenis schijnt ons meer aan te gaan dan de maatschappelijke, waarin een stuk natuurlijke theologie niet te vermijden zou zijn. De bijbel zegt immers ook dat God rijken en armen gemaakt heeft (Spr. 22 : 2). Gaan de zonden van de tollenaar ons dan niet meer aan dan de wonden van Lazarus? En is geestelijke hoogmoed niet gevaarlijker voor de ziel dan maatschappelijke rijkdom?

Toch zijn wij tegenover deze geweldige gelijkenis uit Lukas 16 niet gerust. Wanneer Lazarus zijn hele leven lang, met zijn hele bestaan betuigt dat hij een schat in de hemelen heeft, dan zou dat ook wel eens meer kunnen zijn dan de belijdenis met de mond alleen, op één enkel ogenblik slechts, van de tollenaar. Het liggen van de bedelaar kan toch ook worden gezien als een groter bewijs van ootmoed dan het staan van de zondaar. En hoeveel krachtiger is de tekening van de rijke man dan die van de Farizeeër! Daar een hele levenshouding; hier slechts een enkele geste bij de kerkgang.

Zou de kerk, zo vragen wij ons af, het volle Evangelie hebben gepredikt? Heeft zij ook te weinig aandacht besteed aan de Lazarussen en te veel aan de tollenaars? Moet de bedelaar precies op dezelfde wijze zalig worden als de zondaar? Weert de kerk door haar methodisme niet velen van de hemelpoort? Moet een deel van het Evangelie des Koninkrijks aan de maatschappij overgelaten worden en zal de kerk alleen de innerlijke mens verzorgen?

Er zijn grote groepen volks, waarin de tegenstelling van arm en rijk meer beslag legt op het hele bestaan dan die van ootmoed en hoogmoed. Wij, die van Paulus af tot Luther toe hebben leren denken in de categorieën van zonde en genade, mogen dat billijken of niet, het feit blijft niettemin bestaan. Ik kan mij ook niet voorstellen, dat Jezus de bedelaar uit Lukas 16 als een paulinisch christen heeft gedacht. Ieder voelt dat dit, behalve een anachronisme, een ongerijmdheid is. Lazarus gelooft met zijn zweren, met zijn totale ellende. Zijn bestaan is Gods schepping onder een heel kleine hoek; maar het supplement daarvan is de hemel. - Natuurlijk is hij ook een zondaar; maar daarover spreekt Jezus bij hem niet. Zijn armoede en ellende brengen hem in de hemel.

Deze weg der zaligheid is er altijd geweest. Hij was er dadelijk na de zondeval. De smarten van Eva zijn de voorwaarden die God schept voor haar verlossing en Paulus weet nog dat zij samenhangen met haar zaligheid (1 Tim. 2 : 15). De lichamelijke noden staan in de evangeliën in onmiddellijk verband met de komst van het Koninkrijk.

Dat dit ook in de wereld het geval is, leert God ons heden ten dage op allerlei wijzen. Hij is bezig de natuurlijke theologie rondom het Evangelie af te breken. De wereld rondom de kerk wordt voor de keus gesteld om onder te gaan of zich tot de kerk te voegen. De harde stukken in het leven, die tot nog toe voor de natuurlijke theologie bleven gereserveerd, willen ook onder de beademing van het Evangelie komen. Daarbij wordt dan ook de gelijkenis van Lazarus en de rijke man uit haar isolement verlost. Zij bevat een verborgenheid van het Koninkrijk, waarmede de kerk zich niet altijd genoeg heeft beziggehouden.

Daarom zal zij moeten letten op het onderscheid tussen beide gelijkenissen. Er zijn zekere voorwaarden die vervuld moeten zijn, als het geloof die bewuste en gereflecteerde vorm zal krijgen, die het aanneemt in de brieven van Paulus, waarin de kerk zich losmaakt van de synagoge. Dat de gemeenten uit de heidenen de bewegelijke dialectiek, die daarin vonkt, niet altijd hebben kunnen volgen, bewijzen de geschriften die wij nog over hebben uit die eerste tijd. Pas bij de Refomiatie heeft de gemeente in bredere kringen daaraan deel kunnen hebben.

Thans staan de hervormde kerken in dat opzicht op een tweesprong. Zij zullen de winst, die de Hervorming haar bracht, niet mogen verliezen. Scherper dan ooit werd Paulus' leer de laatste tijd tot uitdrukking gebracht. Dit geestelijk bezit is daarmee in veiligheid gesteld voor lange tijden. - Maar tegelijk kwam een tot armoede gebrachte christenheid om hulp roepen. Naast de tollenaar vroeg God aandacht voor Lazarus. Naast de zondaar voor de bedelaar. De dialectiek, de lang verzuimde, van de gelijkenis uit Lukas 16 brak over ons los en dwong ons tot nieuwe bezinning. Zoals in de gelijkenis zelf kwamen hemel en hel daarbij te pas en daarbij vergeleken leken de vaak wat methodistische, eigenwillige en naar menseninzettingen riekende geloofsoefeningen soms wel wat onbetekenend. Was dat misschien ook half of meer dan half mensenwerk tegenover het geweld, waarmee het Koninkrijk uit Lukas 16 over ons kwam als een gewapend man? De bedelaar stierf en werd van de engelen gedragen in Abrahams schoot. Er zijn er onder ons die deze regel uit de evangeliën als voor 't eerst gelezen hebben. En er een troost uit geput hebben op andere wijze, in andere vorm dan zij gewend waren de vertroostingen des Heiligen Geestes te zoeken of te vinden. Zij hebben ook gemerkt dat deze geloofsverzekerdheid, als aan den lijve bezegeld, een graad van vastheid kan verkrijgen, die de meer innerlijke verzekerdheid slechts zelden behaalt.

Hierin kan een verzoeking liggen om ons over te geven aan geestelijke traagheid en ons de vastheid des geloofs lichamelijk te laten schenken. Maar dat behoeft het geval niet te zijn. Het kan ook een werk Gods zijn, om ons te leren allen alles te wezen. Wanneer het God belieft, zijn kinderen ook op andere wijze te vergaderen dan wij meenden dat Hij het doen moest; als het Hem behaagt, ook Lazarus midden in de gemeente te stellen en niet alleen de tollenaar, dan mogen wij ons daartegen niet verzetten.

In beide gevallen blijft het met onze Heidelbergse catechismus: ellende, verlossing en dankbaarheid. Maar er is tweeërlei ellende; er zijn engten der ziel en engten des lichaams. Zij hangen niet altijd samen. En zij sluiten elkaar soms uit. Er zijn noden des levens, die de mens zo bezetten, dat innerlijke oefening onmogelijk wordt. God stelt de dialectiek van beide gelijkenissen niet gelijktijdig in werking. Paradoxaal kan men zeggen: de bedelaar voelt zich geen zondaar; zijn armoede neemt de plaats in van de schuld.

Er zijn grote groepen van mensen, wie de gelijkenis van de zondaar minder te zeggen heeft dan die van de bedelaar. Jezus heeft ze ook voor verschillende mensen gesproken. Er zijn kringen die zulke grote aanrakingsvlakken hebben met de noden des levens, met de zorgen van de leeftocht, met de hardheid van de rijken, dat hun zondebesef daardoor tot op zekere hoogte wordt tegengehouden. God staat als Rechter naast hen, niet tegenover hen. - Of zij gaan door de aard van hun arbeid zozeer op in de massa, dat zij de eenzaamheid niet kunnen vinden, de ascese des geestes, die het boeteleven vereist. Voor dat laatste is nodig een zeker overwicht van de geestelijke noden over de stoffelijke, althans een evenwicht. - Bij verdrukten zal vaak een behoefte ontstaan aan een meer onmiddellijke vertroosting dan die, welke wij de rechtvaardiging noemen en die ook zo heet in de gelijkenis van Lukas 18. Een begeerte om de wonden des levens aan te vlijen tegen de handen, de olie en de zalf van de barmhartige Samaritaan. Velen zullen Jezus' evangelie van die zijde gemakkelijk verstaan, terwijl zij moeite hebben met de concentratie van het geloof in het hart-alleen. Met hun hele bestaan willen zij geloven en belijden. Hun geloof krijgt dan de vorm van dat deel onzer zinnelijkheid, dat wij het gevoel, de tastzin noemen en dat immers ook niet aan één orgaan gebonden is, maar door het gehele lichaam verspreid. Zo laat zich menige ziel, die niet weet van de inwendige trappen des geestelijken levens, langs de meer uitwendige steunpunten naar de hemel toe leiden. Er is in de bijbel een 'evangelie der armen', dat evenwijdig loopt met dat der zondaren en dat ook gepredikt wil worden. Beide vallen soms samen, omdat de armoede in de bijbel een dubbele betekenis heeft. Maar toch blijven zij ook weer duidelijk onderscheiden. Het zijn twee zijden van dezelfde prediking van het Koninkrijk.

Aan beide zijden kan dus de heilsweg worden verdeeld in drie stukken: ellende, verlossing en dankbaarheid. Maar in één opzicht zal er een duidelijk onderscheid zijn. Het evangelie der armen zal in de leer der verlossing niet een stuk kunnen opnemen als de Heidelberger dat doet in zondag 10, waarin rijkdom en armoede als van goddelijk maaksel op één lijn worden gesteld met regen en droogte. Wanneer de armoede, de ellende, op die wijze wordt vastgelegd als iets natuurlijks, iets vanzelfsprekends, dan verliest dit evangelie zijn kracht. Jezus leert ons juist in de gelijkenis van de bedelaar dat God die toestand zo weinig vaststaande vindt, dat Hij hem omkeert. Armoede wordt hier gezien als een onrecht, dat door God wordt hersteld. Werden armoede en rijkdom echter tot een goddelijke instelling gemaakt, dan was Lukas 16 geen evangelie meer.

In de Heidelbergse catechismus, die het evangelie van de zondaar vertolkt, doen deze stukken natuurlijke theologie betrekkelijk weinig schade, ofschoon zij ook hier niet thuisbehoren en de leer der verlossing kennelijk onderbreken. Maar zij stellen de zondaar om zo te zeggen naar de buitenzijde veilig en geven hem gelegenheid zich innerlijk zelf te onderzoeken en met God te handelen. Dit is echter dezelfde God als die van Lazarus en zo zal te eniger tijd ook hier de tegenspraak aaan de dag komen en zal het blijken dat het evangelie van het Koninkrijk niet alleen naar binnen, maar ook naar buiten geldt.

Dat God rijken en armen gemaakt heeft, staat op enkele plaatsen letterlijk in de bijbel, o.a. Spr. 22 : 2; 29 : 13; Job 34 : 19. Maar een vergelijking van die plaatsen leert ons, dat die teksten juist het omgekeerde bedoelen van wat men er vaak uit gelezen heeft. In Spreuken 22 : 2 staat dat rijken en armen elkaar ontmoeten. Dan volgt er: De Here heeft hen allen gemaakt. Dezelfde ontmoeting staat in Spr. 29 : 13, maar nu van een arme en een woekeraar (Statenvertaling: bedrieger). En dan volgt er dat God aan beiden het licht in de ogen gegeven heeft. Niemand zal hieruit willen afleiden, dat het pandjeshuis een goddelijke instelling is. De zin is in beide gevallen dat zij voor God gelijk zijn. Dat laatste staat trouwens met zoveel woorden in Job 34 : 19 en nog duidelijker als men dat Schriftgedeelte in een nieuwe vertaling naleest.

Wie eens alle plaatsen in de bijbel naslaat, waar van armen en rijken sprake is, zal merken, dat de gelijkenis van Lazarus en de rijke man geen vreemd element in de Schrift is, maar dat hier wet en profeten worden vervuld. In het Oude Testament is ten opzichte van rijken en armen geen sprake van natuurlijke theologie. Overal vinden wij het evangelie der armen. Is er sprake van het verschil tussen beiden, dan staat God aan de zijde van de arme. Hij heeft hem evengoed geschapen als de rijke. Daarom laat Jezus de weegschaal der gerechtigheid, die voor de bedelaar zo ongunstig uit het lood is geslagen, op het einde naar de andere zijde doorslaan.

De correctie die de kerk zo dikwijls, van de natuurlijke theologie uit, in de bijbelse prediking heeft aangebracht, neemt de volle troost daaruit weg en verhindert het evangelie des Koninkrijks om op het hele leven beslag te leggen. En zij houdt velen, wier bestaan daarop als 't ware is aangelegd tegen, om van die zijde dat Koninkrijk binnen te gaan.

De zaligspreking der armen staat tweemaal in de evangeliën; bij Mattheüs als 'armen van geest' (5 : 3); bij Lukas als 'armen' (6 : 20). Men heeft daarin wel eens verschil gezien en het eerste op de zondaar, het tweede op de bedelaar laten slaan. Maar Lukas kent ze immers beiden even goed, getuige onze gelijkenissen. En ook Mattheüs denkt aan 'de bukker, de buiger, de bedelaar'(Zahn). Tertullianus (aangehaald bij Zahn7) vertaalt Matth. 5 : 3: Zalig zijn de bedelaars. Tertullianus verklaart dat op een andere plaats zo: "Die zo nederig zijn, dat zij altijd om de hulp Gods bedelen."8 Volgens Zahn betekent het dus van huis uit niet altijd gebrek-aan geld, maar de ondergeschikte, de onderdrukte, en gedrukte, de ellendige, de zich zo gevoelende. Men kan dus niet zeggen dat, als wij deze woorden ook eens mogen gebruiken, Mattheüs hier personalistisch en Lukas sociaal zou zijn. Eerder zouden wij moeten verklaren dat, wat de geloofsvorm betreft, Lukas in hoofdstuk 18 personalistisch en in hoofdstuk 16 sociaal is. Zulke uitdrukkingen passen echter niet in het klimaat van onze overdenking. Zij zijn van wijsgerige aard en de bijbel weet er niet van af. Dat ik ze even noem, gebeurt niet om pikant te zijn, maar om er aan te herinneren dat zulke termen altijd weer tegen de bijbelse achtergronden moeten worden gehouden. Men zal zich dan kunnen afvragen of zij, nu de ellende zo groot is, de harten zo verslagen, de roep om wedergeboorte zo hoorbaar; of zij nu wel voldoend geestelijk volume hebben om de wereld te kunnen dienen. Men moet geen twee-voet uittrekken, als er een zestien-voet nodig is om aan het spel des levens en des doods grond bij te brengen. Wel kan omgekeerd een vergelijking van de gelijkenis van de bedelaar met die van de zondaar ons helpen bij de overweging of begrippen als socialisme en personalisme ons kunnen leiden. Men kan dan ook vragen of zij verenigbaar zijn.

De beide gelijkenissen uit Lukas behouden elk een eigen draagwijdte. Wel kan men in onze taal ook spreken van een, 'arme zondaar', evengoed als van een 'arme bedelaar', maar ook dan nog blijft het verschil. Met het eerste werd oorspronkelijk een veroordeelde, in 't bijzonder een ter dood veroordeelde bedoeld. De tollenaar heeft met God als Rechter te doen. Lazarus echter staat tegenover de Schepper, die armen en rijken beiden gemaakt heeft, en verwacht, wanneer hij aan God als Rechter denkt, herstel van Hem. Het ene brengt een andere richting der prediking mee dan het andere en men zou ze niet tegelijk te werk kunnen stellen. - Bij Lukas treffen wij een gelijkenis aan die ze schijnt te verbinden: de gelijkenis van de verloren zoon. Hier is een arme bedelaar, die tegelijk een arme zondaar is. Maar de armoede is hier getekend als gevolg van eigen zonde en komt met die van Lazarus in geen enkel opzicht overeen. Zij moet dienen als prikkel voor het zondebesef. Bij Lazarus echter sluit de ellende het schuldbewustzijn uit.

Daarom moeten wij deze dingen in de bijbel en in het Evangelie laten staan! Het recht der armen uit het Oude Testament, hun zaligspreking in het Nieuwe Testament; de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Jezus is op aarde gekomen om zondaren zalig te maken, maar op aarde heeft hij de armen reeds zaliggesproken. Deze zaligspreking mogen wij hun niet ontnemen. Wij mogen van Lazarus ook niet eisen dat hij zich eerst oefent om de bede van de tollenaar te stamelen. In hoeverre de uitwendige ellende, de nood des levens, de armoede een innerlijke keerzijde van schuldbesef kan of moet hebben, staat niet aan ons om uit te maken.

Armoede is in de bijbel een begrip met gemengde inhoud, maar wij mogen ze de bedelaar niet afnemen om ze aan de zondaar te schenken. Wij vermogen ook in ons eigen leven niet, de verhouding van nood en zonde op de weg der zaligheid te bepalen. Maar één ding staat vast, nl. dat het evangelie des Koninkrijks deze twee kanten heeft en dat zij als zuivere vormen, zoals in de gelijkenissen van Lazarus en die van de tollenaar, in verschillende richtingen uiteengaan en zich niet laten verbinden.

De Christus consolator is in de kerk vaak op de achtergrond gebleven. Wanneer wij spreken van de Trooster, dan bedoelen wij de Heilige Geest, en als wij de Heilige Geest noemen, dan denken wij weinig aan Lazarus en veel aan de tollenaar. Het Evangelie staat vol van genezingen, maar zij dragen weinig bij tot onze geloofsverzekerdheid. Ons hele bestaan werkt zelden mee tot onze zaligheid en degenen die met dat bestaan voor de hemelpoort liggen, zoeken wij soms te verdrijven.

God heeft ons leven bewogen op een verbijsterende wijze. Zijn koninkrijk is nabij gekomen. Op verborgen wijze is het in ons bestaan verschenen. Het heeft zijn twee kanten aan ons getoond, elk met een eigen macht. Maar wat wij daarvan gezien hebben kunnen wij niet samenvoegen tot een leer, die voor iedere prediking, op ieder ogenblik, tegenover iedereen, zou gelden.

Er is in het Evangelie nog meer dan de kerk zich daaruit heeft toegeëigend.

Eindnoten

  1. 1

    Verschenen in 1946 bij Uitgeversmaatschappij Holland, Amsterdam.

    Aan de bundel Zondaar en bedelaar gaat vooraf een 'Ter Inleiding' van de volgende inhoud: "De bredere overdenkingen, die men in deze bundel vindt, hebben - met uitzondering van de eerste, die hier voor 't eerst wordt afgedrukt - gestaan in het tijdschrift Overdenkingen. De kortere stukken verschenen in het Hervormd Zondagsblad voor de provincie Friesland, in het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur of in De Wachter, weekblad in de classis Zutfen." De volgende meditaties zijn verschenen in Overdenkingen, Haarlem, jg. 1, 1893 vv.: Ons aller Moeder: 42, 214-232; Moraal en Evangelie: 36, 107-127; Pasen: 49, 53-77; in A WCC.: Kerk en schare: 9 (1933), 44 (= nr. 44); Johannes en Jezus: 2, 14; Hemelvaart: 2, 28; Sola fide: 4,52; Ongeloof: 4,27; De inwendige mens: 3, 33.,De herkomst van de overige titels kon niet worden vastgesteld. N. zelf vermeldt in de inhoudsopgave van ZB. de volgende jaartallen: Zondaar en bedelaar: nov. 1945; Gojim: 1932; Vom Himmel hoch:1936: De Wijzen uit het oosten: 912; Plaatsbekleding: 1914; Stille tijd: 1936.↩

  2. 2

    H. Pierson, Gelijkenissen des Heeren, 's-Gravenhage 1891↩

  3. 3

    A. w., p. 37; voor het verder volgende: p. 37-43.↩

  4. 4

    A. w., p. 3 9.↩

  5. 5

    Zie dl. 2, p. 312 noot w. en p. 322 noot 40.↩

  6. 6

    Adolf von Harnack, Das Wesen des Christeniums, Leipzig 1900, p. 61 (Siebenstern Taschenbuch p. 66): " ... er kennt eine Macht, die er noch für schlimmer hält als Not und Elend, das ist die Sünde, und er weiss von einer Kraft, die noch befreiender ist als die Barmherzigkeit, das ist die Vergebung."↩

  7. 7

    Vgl. Th. Zahn, Matthäus, p. 178: "Nach Etymologie und feinerem Sprachgefühl bezeichnet pt(ogoi) den sich Bückenden, scheu sich Duckenden, den Bettier. Es drückt nicht den Mangel an irgend etwas, sondern die Haltung des Bedürftigen aus."↩

  8. 8

    Tertullianus vertaalt met 'beati mendcei' in Adversus Marcionem IV, 14 (CChrSL. 1, 1, 574). Het citaat "qui sunt humiles, ut semper adiutorium dei sunt mendicantes" is niet van Tertullianus, maar stamt uit een onvoltooid werk over Mattheüs, foutievelijk toegeschreven aan Chrysostomus (vgl. Zahn, a.w., p. 32). De plaats is te vinden in MPL. 56, 680, waarop blijkbaar ook de afkorting in Zahn ('Op. p. 56') betrekking heeft.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Zondaar en bedelaarZondaar en bedelaarOns aller Moeder →