Ons aller Moeder
Genesis 14 : 18-20
Galaten 4 : 26
Abraham, de vader der gelovigen, is op het oorlogspad. Hij is midden in het ruwe handwerk, dat nog steeds de wereld niet tot rust laat komen. Deze vreemdeling en bijwoner in het land Kanaän, die veel later (Gen. 23) alleen nog maar een graf had te verdedigen, zou er zeker niet in betrokken zijn geworden, als zijn neef Lot niet tot de krijgsgevangenen had behoord. Nu wapent hij zijn manschappen, jaagt alléén vijf koningen achterna, verslaat ze en brengt zielen en have mee terug.
Wanneer wij de bijbel hadden moeten samenstellen, dan zouden wij misschien het heel oude stuk, dat nu in Genesis 14 voor ons ligt, niet hebben opgenomen. Wij zouden hebben overwogen of de kostelijke informaties, die het ons over vroege gebeurtenissen in Palestina geeft, in waarde wel opwegen tegen het verlies, dat ons idealisme daarbij lijdt, nu onze geloofsheld daarin als een krijgsheld wordt getekend. De geschiedenis der aartsvaders is overigens in dat opzicht zo heerlijk zuiver. Op enkele passages na lijkt zij een huiselijk gebeuren, waarover nog iets van de pastoraal van het paradijs schijnt te hangen. Is het niet jammer, dat de geschiedenis van Abraham in dat opzicht niet ongerept is gebleven?
Dit klemt te meer, als wij ons voor de geest brengen dat Abraham, als vader der gelovigen, uit de patriarchale omlijsting sterk naar voren komt. Hij is de prins zonder land, zonder familie, zonder zoon, die gelooft in een ander vaderland, een andere familie (Matth. 19 : 29), een andere Zoon. Waarom vecht deze koninklijke figuur hier dan tegen aardse windmolens, voor een verre neef, om have en goed, die straks toch met Sodom zullen ondergaan? Wordt hij hier niet mistekend?
Dat is niet het geval. Ook in Genesis 14 is de sterke verhevenheid, die in alle verhalen over Abraham is op te merken. In de verzen, die ik boven deze overdenking aangaf, zien wij hem in aanraking komen met de priester-koning, in wiens orde de 'Hogepriester onzer belijdenis' (Hebr. 3 : 1) is opgenomen. Wat er van verteld wordt, is heel weinig. Maar de drie verzen, waarin dat gedaan wordt, zijn een kijkgat, waardoor wij kunnen zien in de hele ruimte van het Oude en het Nieuwe Testament.
Abraham komt op zijn tocht naar het Siddim-dal, waar Sodom en Gomorra lagen, door een vallei. Aan zijn rechterhand, boven op een berg, verschijnt een stad, die de mooie naam van Salem draagt. De koning Melchizedek, die er zetelt, komt hem tegemoet met brood en wijn. "Hij was een priester des allerhoogsten Gods. En hij zegende hem en zeide: Gezegend zij Abraham Gode de Allerhoogste, die hemel en aarde bezit!"
Ik weet niet of deze verzen ooit een schilder hebben geïnspireerd. Maar zeker zouden zij een dankbaar onderwerp voor het penseel van Rembrandt geweest zijn. Hij zou het symbolische, het eeuwige in zijn figuren getroffen hebben. De mystiek in het verhaal, aan deze nederschrijdende zegenaar, die met brood en beker de vermoeide vreemdeling op aarde uit Sion tegemoet komt en hem wijdt tot de dienst van de allerhoogste God, die te Jeruzalem troont. Hoe langer men over deze verzen mediteert, hoe meer perspectief er komt in de lijnen der tekening en hoe dieper de kleur der figuren wordt.
Maar het laatste en het eigenlijke zou de schilder ons toch niet hebben kunnen zeggen. Het gewijde, het sacrale van de handeling, het ritme in de priesterlijke tred, de daling van de zegen zou hij bijkans zichtbaar kunnen maken. Maar het komen van God zelf, het laatste geheim van elke bijbelse geschiedenis; het geloof van Abraham, het 'op de plaats rust', dat er overblijft voor het volk Gods, op iedere levensmars, dat blijft alleen voor het gehoor door het woord Gods.
Om dat te vertolken is er een psalmist of een evangelist nodig. De dichter van Psalm 10 heeft het beproefd. Hij heeft het verhaal van Abraham en Melchizedek voor zich gehad, toen hij zijn lied dichtte. Men leze het er op na. Abrahams tocht, de verslagen koningen, de wijding door de priester-koning Melchizedek en de verkwikking van de vermoeide krijgsman zijn er in. Maar het blijft geen oud gebeuren, dat onder kunstenaarshanden een stille bruid der eeuwigheid wordt. Alle trekken in het verhaal wassen in de psalm, tot zij de maat voor de komende Messias hebben. Hier grijpt een profeet in de snaren, die in de priesterlijke processie van Melchizedek de voetstappen van God zelf beluistert. En Abraham is niet meer slechts de held uit Genesis 14, maar de ideale koning van Gods volk, de andere David, de Zoon van God, die tot 'priester in eeuwigheid' wordt ingezegend, zoals Melchizedek de aartsvader zegende.
Er is nog een andere psalm, een veel misbruikte, die aan ons verhaal herinnert. Ik zou nu niet durven zeggen, dat de dichter Genesis 14 voor zich had. Kort en simpel worden in Psalm 134 in een paar strofen de heilige tonen aangeslagen. Het is als een oude herinnering, die even voorbij zweeft.
"Heft uw handen op naar het heiligdom en looft de Here
De Here zegene u uit Sion
Hij, die de hemel en de aarde gemaakt heeft."
Hoe mystiek is de samenhang der dingen in de gemeente. De echo van Melchizedeks stem en van het ritme in de daling van de priesterlijke stoet wordt overal in de wereld gehoord. Noemt niet de goegemeente 'de bekende zegenbede uit Psalm 134' een dalinkje? De geluiden uit deze bijna vergeten en voor onbegrijpelijk gehouden geschiedenis worden spontaan wakker, de wereld rond. Hoe wonderlijk; de helling van de heilige berg, waarop God in 'Salem zijn hut' heeft (Ps. 76), is overal!
Ik laat hier alle oudheidkundige opmerkingen, die bij ons verhaal te pas gebracht kunnen worden, terzijde. Deze dingen zijn op zichzelf wel interessant. Ons verhaal is een stuk 'antiek', van donker eikehout, in het huis der gemeente. Maar belangrijker is, dat het een bestemming heeft in de dienst. De deuren moeten geopend om de hostie er uit te kunnen nemen. Dat is de wijze, waarop het Nieuwe Testament met alle antiek omgaat, als het er een vrij en gemeenzaam gebruik van maakt. Wij hebben reeds gezien hoe ver de Psalmen in die richting gaan.
De vader der gelovigen gaat door een der dalen van dit leven. Hij heeft dit avontuur niet gezocht en met de buit wil hij niets te maken hebben. Deze gaat door zijn handen, zoals de schattingpenning door die van Jezus. Maar toch betekent Genesis 14 een laagtepunt in zijn leven. Hoe geheel anders is Genesis 18. En nu ligt daar opeens boven zijn hoofd de hoofdstad van het hem beloofde land, Jeruzalem, onder de naam van Salem, wat men in de bijbel de troetelnaam voor Jeruzalem kan noemen. Hij drukt het tere, het vredige, het moederlijke uit.
Hoe komt zij hier in de geschiedenis der aartsvaders? Ze komt er anders niet voor. Bij David is dat anders. Hij is zonder Jeruzalem niet te denken en Jeruzalem niet zonder hem. Maar Abraham houdt er geen hoofdstad op na. Zij is waar zijn tent staat.
Dat is nu juist het wonder van deze drie verzen, de 'clou' van Genesis 14. Het lijkt een droom, een luchtspiegeling der geschiedenis. Is hier geen vergissing van de bijbel? vraagt men zich af. Hoe komt dat eiland Gods hier in dit verhaal, waarin Abraham de bondgenoot is van de Sodomieten? Als een wonder hangt de stad boven zijn hoofd. En zij daalt moederlijk van haar berg in zijn dal. Haar poorten openen zich en een priesterschaar komt met brood en beker naar beneden.
Ik houd het verhaal voor zuivere historie. Maar toch vertelt het een anachronisme. De bijbelse geschiedenis is een mozaïek van anachronismen. Het zijn stukjes eeuwigheid, door een verborgen samenhang verenigd. Jezus' opstanding is het grootste van allen. Drie dagen na de dood is geen tijd om op te staan, maar om in het graf te liggen.
Zo ook hier bij Abraham. 't Is wat vroeg voor Jeruzalem om haar intrede te doen in de heilige historie. Het is nog vroeg op de dag des heils. Het schijnt nog helemaal de tijd des geloofs en niet die der aanschouwing. En toch ziet Abraham reeds iets van wat de ziener van Patmos schrijft in het laatste bijbelboek: "En ik Johannes zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel" (Openb. 21 : 2). De hele heilsgeschiedenis, het tafereel van Israëls geschiedenis, van Jezus in de evangeliën, ontrolt zich hier als bij bliksemlicht voor zijn ogen, in de nacht van zijn geloof.
Voor Abraham was het wat vroeg; is het voor ons niet wat laat? Sodom en Gomorra zijn al lang verwoest. God heeft een paar] kankerplekken uit de wereld uitgesneden. Dat hebben wij gelukkig gehad en wij zijn nu al veel verder! Maar laten wij oppassen. Jeruzalem hebben we ook al gehad! 't Is alles al geweest: David, Hiskia en Zedekia, Jesaja en Jeremia. En Herodes en Kajafas en Pilatus; en Petrus en Jakobus en Johannes en - Jezus. Jeruzalem met al wat er in is, ging voorbij! Zou haar naam geen anachronisme in ons leven zijn?
Er is misschien heel wat kwaads van onze tijd te zeggen. Maar dit leert hij ons toch, dat de wereld van de bijbel niet voorbij is. "Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder" (Gal. 4 : 26). Alle woestijnen der wereld en alle oevers der zee hebben geen zand genoeg om die stad er onder te stuiven, haar tot een anachronisme te maken. Wie zijn ziel aan de geschiedenis verkocht had, die kope haar terug. Wij kunnen de bijbel weer als Gods Woord lezen.
Wanneer wij dat niet doen, blijven wij zitten met Sodom en Gomorra; met de Kanaänieten en de Filistijnen; met de oorlog en de honger. Zij laten zich niet zo gemakkelijk tot anachronismen verklaren. De zonde en het heidendom zijn, sedert Christus, werkelijk anachronismen. Maar zij handhaven zich met de taaiheid van oude folklore. Als er op de een of andere wijze niet een verdwaald stukje van de betere helft van de bijbel in ons leven terechtkomt, dan is het er treurig mee gesteld.
Gelukkig zijn wij met Abraham lid van dezelfde kerk. Jeruzalem is ons aller moeder en haar lust is het te dalen in het dal van ons leven, juist dan als men het 't minst verwacht en het 't meest nodig heeft. Een Engelsman eerde eens zijn overleden moeder met deze woorden: She was being always wanted. Ieder9 had haar hulp altijd nodig. Wij kunnen hetzelfde zeggen - in de presensvorm - van het Jeruzalem, dat boven is. Als een durend anachronisme, nu eens te vroeg, als bij Abraham, dan weer te laat, als bij ons, maar altijd op tijd, naar de ordening van Melchizedek, naar de wet der ware priesterlijkheid, naar de aard der moederlijke liefde, naar het mysterie der vrouwelijke eeuwigheid, buigt zij zich over haar beangste kinderen.
Ook de kerk op aarde is een anachronisme; laten wij het gerust toegeven. Wij wensen geen moderne moeder, evenmin als onze kinderen in huis. Zij moet iets van het eeuwige aan zich dragen. De kerk en het Evangelie passen nooit geheel in hun tijd. Te vroeg voor de hemel en te laat voor de aarde; de kerk geeft zich nooit geheel aan de wereld en kerk en cultuur gaan nooit geheel samen. Wanneer de wereld aan de kerk voorbijgaat, de schouders over haar ophaalt, haar achterlijkheid en onwennigheid of haar wissels op de eeuwigheid bespottelijk vindt, dan behoeft ze zich daarvan niet altijd alles aan te trekken. Zij kan toch nooit zo hard tussen schepping en voleinding heen en weer lopen, dat ze juist op de dag van heden bij is. Het anachronisme behoort tot haar wezen. Eén dag telt in de kerk voor 'meer dan duizend elders'. Hij is een bode der eeuwen en der eeuwigheid, een feestelijke verschijning. Op één dag zijn Mozes, Elia en Jezus bij elkaar en dan wil Petrus 'tabernakelen maken'. Hij wil die dag vasthouden.
Schreef ik een psychologische verhandeling, dan zou ik moeten vragen, hoe het geloof de ziel zo wijd kan maken, dat zij zoveel van verleden en toekomst bevatten kan. Ik zou het geloof moeten verdedigen tegen het verwijt van mystiek, of misschien zelfs tegen dat van een illusie te zijn. Nu ik een overdenking schrijf, is dat niet nodig. Dat laatste is ook veel meer lichtgevend. De ziel is zo beweeglijk, omdat Gods werken zo groot en zo wonderlijk zijn. Zij weet niet waarheen ze 't eerst of 't laatst de blik zal richten. Er is soms zoveel verwondering in het leven der eenvoudigste kinderen Gods, omdat God zulke onverwachte dingen in hun leven neerzet. De ene dag is niet meer gelijk aan de andere. Het hangt niet van gisteren of morgen, maar van God af, hoe het heden zijn zal.
Wanneer wij dit karakter aan de kerk zouden willen ontnemen en haar geheel willen actualiseren, haar met haar belijdenis, gebed en gebod gelijkschakelen met de eisen van de dag, dan zou zij niet meer de stedehoudster op aarde kunnen zijn van het hemelse Jeruzalem, dat een soevereine macht heeft over de tijd. Dat Jeruzalem verschijnt als God wil, maar altijd met haar eigen aangezicht, met de trekken die van eeuwigheid zijn. De ware pelgrims naar de eeuwigheid hebben tijdgenoten in iedere eeuw. Zij komen vrienden tegen op het onverwachtst. Ze kunnen met Abraham praten over het geduldige ongeduld, dat geloof heet; met Jakob over het mensenlot; met Mozes over de lijdzaamheid. Maar achter de conversatie met de bijbelheiligen schuilt een geheim. Er is meer dan Abraham, meer dan Mozes, meer dan David. Dezen zijn van gelijke beweging als wij. Maar dat is het niet wat ons helpt. Hadden zij niet meer dan dit menselijke, dan zouden ze nu die oudheid vertonen, die het merkteken heeft van de dood. - Maar de heiligen zijn niet antiek. Abraham is meer modern dan Voltaire en Paulus spreekt frisser taal dan Renan. En in dit nieuwe voor iedere dag herkennen wij het aangezicht van ons aller moeder. Door de kerk zijn wij 'medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods' (Ef. 2 : 19).
De kennis van de omstandigheden in een bepaalde tijd, de zgn. 'Zeitgeschichte', hoe interessant ook, helpt ons niet; bij Abraham niet en bij Jezus niet. Onze verhouding tot onze medeburgers van het hemelse Jeruzalem loopt over de eeuwigheid. In het aangezicht van ons aller moeder herkennen wij de verwantschap. Als wij met tijd en ziel alleen te rade gaan, kennen wij Saul en Judas beter dan David en Petrus. Alleen door wat er van boven nederdaalt, zijn wij elkanders tijdgenoten. Het hemelse Jeruzalem is er bij Abraham, in 't begin der heilsgeschiedenis; het wordt ons ook getoond aan haar einde, in de openbaring van Johannes. En verder is het er elke dag met een volle troost.
Men heeft wel eens gezegd dat wij, protestanten, een moeilijk geloof hebben, een vader-geloof.10 God is onze schepper en wetgever en werkgever. En voor een mens, die zich schuldig maakt en nooit doet wat hij moet, eindelijk ook de rechter. Dank hebben wij in ieder geval nooit verdiend. Onnutte dienstknechten noemt Jezus ons. - Is dat niet wat zwaar voor een mens van vlees en bloed? Ja, Abraham, die rekende daar niet mee. Hij noemde zichzelf 'stof en as' in plaats van vlees en bloed. Maar kunnen wij daar wel bij en zal ons leven niet mislukt wezen, voor we er mee klaar zijn? Gaat het niet boven de kracht van een mens, die van een vrouw geboren is en die soms op zijn sterfbed nog om moeder roept? Is Abraham wel van gelijke beweging als wij? Hebben wij kans ooit in zijn schoot te zullen zitten?
Wie zulke overleggingen nooit leerde kennen, is niet recht van de bijbelse familie. De oudtestamentische profeten kennen de klacht wel. Lees maar Job 14. Meer in 't bijzonder denk ik hier aan enige woorden uit Jesaja 63. Daar klaagt Israël er over, dat het eenzaam is in de eeuwen. Het is zijn medeburgerschap der heiligen kwijt. "Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet." Dan spreken ze tot God: "Gij toch zijt onze Vader." 't Is of ze tot God willen zeggen: onze familie is dood, moeder is dood, wij hebben alleen nog maar een vader; wees dan wat moederlijker voor ons en troost ons wat meer. Het treft ons hoe oprecht en gewaagd deze woorden tegenover God klinken. Maar wij verstaan ze wel en God verstaat ze ook.
Misschien komt diezelfde klacht, die iets heeft van een aanklacht tegen God, vaker in ons leven voor dan wij ons zelf willen bekennen. Alles schijnt ons dan zo ver en vreemd, zo hoog en zo geestelijk. Het is er al lang geweest en daarom zal het er nog wel zijn, maar het is boven ons bereik. Het wil voor ons niet ontstaan en niet dichtbij komen. Het is lang geleden of ver in de toekomst, maar voor vandaag hebben wij niets. Johannes rustte aan de borst van Jezus, maar dat is nu niet meer mogelijk. Wij voelen ons verweesd en zouden ongeveer op dezelfde manier tot God kunnen spreken als Israël bij de profeet, die ik aanhaalde. - Maar dan zijn wij toch ook vaak onbillijk en ondankbaar. Wij zijn geen mohammedanen, die in een strakke eenheid Gods geloven. Zulk een vader-geloof leert ons de bijbel niet. Wij geloven in Vader, Zoon en Heilige Geest. Daarin ligt de gemeenschap opgesloten, de eeuwige gelijktijdigheid, de heilige familie, de goddelijke conversatie. En daarom geloven wij ook een heilige, algemene, christelijke kerk en de gemeenschap der heiligen. Wij weten wel, dat die kerk op aarde een zeer gebrekkige verschijning is. Maar wij geloven, dat zij haar model in de hemel heeft. Als wij die aardse kerk soms moeder noemen, dan durven wij dat omdat wij weten, dat zij haar tegenbeeld daarboven heeft. In de bijbel ontbreekt niet wat, naar ik meen, Gunning, tegenover Goethe, het vrouwelijk-eeuwige genoemd heeft.11 Het is er in het gemeenschappelijke, in het hemelse burgerschap, het Jeruzalem, dat ons aller moeder is. Maar als we daarmee de gemeenschap van engelen en mensen hebben aangewezen, dan hebben wij nog niet alles gezegd. Het reikt in God zelf terug. De hemelse kerk zou er niet zijn, als ze haar beginsel niet had in God zelf.
Israëls profeten hebben daaraan soms op ontroerende wijze uitdrukking gegeven. Ik denk aan Hosea, als hij God laat zeggen: "Ik leerde Efraïm lopen en nam hem op mijn armen" (11: 3). Wat kan er moederlijker zijn dan dat? En vergelijkt Jezus zichzelf niet bij een kloekhen?
Maar vooral moet hier gedacht worden aan de christelijke belijdenis van de Heilige Geest. Inderdaad zouden wij moeten zeggen: Jezus weet van ons niet en Paulus kent ons niet, als de Heilige Geest niet was uitgestort. Jezus heeft het zelf gezegd: "Ik zal u geen wezen laten." Wij zouden het zijn zonder de Heilige Geest. De Heilige Geest, dat is de Geest, die ons doet geboren worden door het Woord. Het is de nabije God, die de dingen ons thuis brengt. Hij leert ons wat inwonen en thuis-zijn betekent. Zijn werk is, tranen afdrogen en troosten. Als gij zegt: ik ben schuldig, dan antwoordt de Geest: gij zijt rechtvaardig. Zegt gij: ik ben zondig, dan heet het: gij zijt heilig. Klaagt gij: ik ben een vreemdeling en hoor er niet bij, dan spreekt de Geest: gij zijt een lief kind van God en zijt een medeburger der heiligen, mijn eigen huisgenoot. - Gij weet: dat zijn namen en uitdrukkingen, die helemaal niet op u passen. Het zijn troetelnamen van een moeder, die haar kind toespreekt.
Er is geen reden onze overdenking in deze richting verder door te voeren. Wij plaatsen naast de vleeswording des Woords, de menswording van Christus, geen tegenhanger in de belijdenis van de Heilige Geest. Wij benijden Rome de verering van de moedermaagd niet, ofschoon wij de behoefte begrijpen, waaruit zij opkwam. Tegen deze humanisering van het goddelijke, buiten de Schrift om, hebben wij bezwaar. Maar wordt zij niet juist verklaarbaar uit de verwaarlozing van de dingen, die ik in deze overdenking naar voren bracht? Uit een over het hoofd zien van wat ik hier, met heel veel reserve, het vrouwelijk-eeuwige noem? Beter, veel beter gezegd, uit het nalaten van een hartelijke belijdenis van de Heilige Geest?
Het blijft er bij: "Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet" (Hebr.11 : 1). Abraham, de vader der gelovigen, beeldt tegelijk de aard van het geloof uit door zijn figuur. Zijn houding tegenover de eeuwigheid is er een van de grootste heldhaftigheid. Een heel leven lang houdt hij vol, wat Jakob deed in de nacht bij Pniël; hij worstelt met God tot hij gezegend wordt. Dat noemt de bijbel een vorstelijke houding tegenover de Eeuwige. Geloven is een werk van laatste bezinning en uiterste spanning.
Maar dan blijkt ook de grote betekenis van de Melchizedek-scène uit het leven van Abraham. Hoe heldhaftig ook de geloofshouding moge zijn, hoe diep het schouwen in het eeuwige en hoe sterk de spanning van de hoop, zij breken toch de deuren des hemels niet open. Mag het kloppen bij ons zijn, het opendoen komt van de andere zijde. Maar het is er dan ook. Brood en beker en zegening komen Abraham van de berg tegemoet. De eeuwigheid is niet gesloten. "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft." Het is niet goed om dat te vergeten, als wij over de moeilijkheid van het geloof spreken of over de hardheid van de pelgrimsreize.
Ik geloof in de Heilige Geest. Daarmee hebben wij het laatste in deze overdenking gezegd. De Heilige Geest is geen dwaalgeest in de grote schepping des Vaders, geen raaf van Noach boven de vloed der wereldellende, die geen rust vindt 'voor het hol van haar voet'. Het is de 'duif' met het 'afgebroken olijfblad in haar bek'. De Heilige Geest brengt ons iets uit de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Hij heeft macht over de dingen, omdat Hij de Herschepper is. Hoe 'woest en ledig' deze wereld er bijwijlen moge uitzien, hoe beangstigend de 'duisternis op de afgrond' moge wezen, de Geest is geen vreemdeling op de aarde en er is hier plaats voor de zegen, die van boven nederdaalt. Al het geschapene is brood en beker in zijn hand. De aarde maakt Hij tot "grazige weiden", de zee tot "zeer stille wateren". "Al ging ik ook in een dal der schaduwen des doods, ik zou geen kwaad vrezen" (Ps. 23). De Heilige Geest zou daar zijn, als bij Abraham in het dal Schave. Zonder de Heilige Geest zijn alle dingen donker en afschrikwekkend; er is geen ontmoeting in. En alle spijze hard en onverteerbaar; ze zijn geen brood en beker, geen Avondmaal. De levenservaringen drukken ons neer of maken ons hoogmoedig; er is geen zegen in. Daarom "verwacht het schepsel, als met opgestoken hoofde, de openbaring der kinderen Gods" (Rom. 8 : 19).
De plaats, die de Heilige Geest vindt voor het hol van de voet, schijnt niet bijzonder groot, evenmin als dat met Jeruzalem in Abrahams geschiedenis 't geval is. Toch neemt Hij daarvan bezit. Regelrecht en resoluut daalt Hij neer op het hoofd van Jezus, bij de Doop. Buiten Christus om is er ook geen verkeer met Gods schepping mogelijk, geen kindschap Gods, geen 'vrede van Jeruzalem' (Ps. 122 : 6). Maar hier keren onze klachten terug. Is het Evangelie ook niet weer zo smartelijk en steil, met zijn lijden en kruis, zijn oordeel en verlatenheid? Worden het geloof en de hoop en de liefde nog niet veel moeilijker door Jezus Christus? Hoe zullen wij dit gebroken lichaam en dit vergoten bloed eten en drinken? Wat geeft het ons als dit Brood en deze Wijn ons, als aan Abraham, worden gereikt? Nog eens, kon de Vader, die in de hemelen is, niet wat moederlijker zijn?
Ik geloof in de Heilige Geest; de troostvolle gemeenschap des Heiligen Geestes. Die Geest laat ons met het stukwerk en de tegenstellingen van het Evangelie niet alleen staan. Want al is het geloof nog zulk een heldhaftig werk, hier faalt het zeker. Wij krijgen dat kruis en die opstanding, die dood en die hemelvaart, die verlatenheid en dat zitten ter rechterhand Gods, niet bij elkaar. Pas door de Heilige Geest, de heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen, wordt het voor ons tot het geloof aan de vergeving der zonden, de hope der opstanding des vleses, en de liefde, die, nimmermeer vergaat', het eeuwige leven. Hier wordt alles 'wel samen gevoegd'; hier houden de hardheid, de spanning, de eenzaamheid op; hier is het huis 'mijner broederen en mijner vrienden'; hier is Salem, ons aller moeder.