O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Ons aller MoederZondaar en bedelaarPasen →

Verzamelde Werken, deel 8 · Zondaar en bedelaar · p. 34–43

Moraal en Evangelie

En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door welke gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing.

Efesiërs 4 : 30 (St.V.-)

Het tekstwoord boven deze overdenking staat midden in een reeks apostolische vermaningen, die het praktische gedeelte van de brief uitmaken. We zijn het zo gewend in Paulus' brieven, dat het laatste gedeelte een aantal toepasselijke wenken geeft. Soms staan dan hele rijen deugden en gebreken tegenover elkaar, waarin het grote verschil tussen het oude en het nieuwe leven uitkomt. Men zou kunnen denken dat de apostel, na een stoute gedachtenvlucht in het begin, eindelijk de pen even neerlegt en zich herinnert, dat er dichter bij de grond ook nog enkele dingen zijn te regelen. Dat hij, na een gewaagde ontdekkingstocht in de geloofsleer, er plotseling aan denkt, dat er ook nog zo iets bestaat als zedeleer. Of meer populair gesproken, dat hij zich bezint op het feit, dat gemeenteleden niet allen theologen zijn, maar mensen midden in het leven, die er meer aan hebben om op elk uur van de dag te weten, wat ze doen en laten moeten, dan dat ze hun hoofd gevuld krijgen met "dingen, zwaar om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien ... tot hun eigen verderf" (2 Petr. 3 : 16). Hoe anderen daar ook over gedacht mogen hebben - misschien ook een beetje de schrijver van de zo pas aangehaalde tweede Petrusbrief - Paulus zelf maakt deze scheiding niet. Handel en wandel zijn voor hem even hoog als denken en dichten. Het is een wandel in de hemelen. Een herinnering als van Goethe, dat, wie met zijn hoofd de sterren wil aanraken, met zijn zolen vrij vast in onzekere stand zal komen,12 is voor z'n brieven onnodig. De leer is een mysterie, maar het leven is het evenzeer. "De verborgenheid der godzaligheid is groot" (1 Tim. 3 : 16); de geloofsbelijdenis is kennis van ingewijden, een zang achter een voorhangsel; orthodoxie een wonder midden in het denken; het dogma een symbool in een tempel. Maar ook de werken zijn van goddelijk maaksel, geen menselijk knutselwerk; zij zijn gereed, voor wij ze gedaan hebben (Ef. 2 : 10).

"En bedroeft de Heilige Geest niet, door welke gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing." Dit woord, midden in een reeks praktische voorschriften, doet ons wel heel sterk voelen, hoe mystiek de moraal van Paulus is. Wanneer wij misschien, al lezende, geneigd waren zijn woorden wat nuchter op te vatten, dan is zulk een uitlating wel geschikt om ons te waarschuwen.

Oppervlakkig gezien is de moraal van de brieven ook wel elders te vinden. Ik denk aan zovele predikers naast de apostel, die ook breedte en diepte in hun levensleer konden aanwijzen. Er waren er die, evenals Paulus, allerlei 'middelmuren des afscheidsels' zagen afgebroken. Die, evenmin als hij, wilden weten van Jood of Griek, Griek of barbaar, Romein of Scyth, maar alleen van mensen. Ook voor hen was de wet, die tot nog toe de Redelijkheid regelde, afgeschaft en wat goed of kwaad was moest voor allen gelden. Diepzinnig was ook hun gedachtenwereld. Eerbiedwaardig de ernst waarmee zij de gronden van ons zedelijk leven zochten bloot te leggen. Natuur en geest wisten zij evengoed tegenover elkaar te stellen als de heidenapostel. Ja, zelfs weet een hunner van de heilige geest, die binnen in ons woont en let op het goed of kwaad dat we doen. Bijna op dezelfde wijze als in ons bijbelwoord.

Daar is bijv. het mooie Handboekje van Epictetus.13 Het is misschien niet zo vaak gedrukt als de brieven van Paulus. Maar toch staat er, na de uitvinding der boekdrukkunst, bijna op ieder jaar minstens één uitgave, soms drie of vier. Sommigen hebben het ook nu nog onder hun hoofdkussen en zouden het voor de apostolische brieven niet willen ruilen. De lezer herinnert zich misschien ook wel burgemeester Wewer uit Fritz Reuter, die Marcus Aurelius las op dagen, dat het leven hem wat zuur werd.14 Ook deze zedelijkheidsapostelen hebben in Europa steeds een gemeente gehad; een stille, ernstige gemeente. En laten we er bij voegen: op heel veel dagen van ons leven behoren ook wij allen daartoe en niet tot die, welke Paulus gesticht heeft.

Daarom: wat is het onderscheid tussen het ene en het andere evangelie; de ene en de andere gemeente; de ene en de andere moraal? Ik geloof, of liever ik weet, dat het de vreugde is. Er is maar één evangelie en al het andere mag die naam niet dragen, omdat de ware blijdschap er aan ontbreekt. Er is maar één gemeente en al wat verder zo heet, is het niet, omdat het geen Hoofd heeft, in wie wij hoog boven alle dingen gezet zijn. En wat Paulus hier geeft in het praktische deel van zijn brieven, is eigenlijk geen moraal, al lijkt het er op als twee druppels water. Wij moesten maar eens veroordeeld zijn om in de kerk onze tekst te kiezen uit die geschriften waarin, zoals ik het zo pas deed, de heilige geest zonder hoofdletter gespeld wordt, of in onze huiselijke godsdienstoefeningen dag aan dag de wijsheid van deze meesters moeten aanhoren, in plaats van te mogen luisteren naar de documenten van Paulus' dienende liefde. Wanneer wij daaraan denken, hoe dankbaar moeten we dan wel zijn, dat wij de kerk in ons leven hebben en niet alleen de school. Welk een vreugde schuilt er in, dat wij niet alleen behoeven te leren, maar dat ons ook gepredikt wordt! Dat we ons niet alleen hebben te oefenen in het moeizaam onderscheiden van goed en kwaad om zo de heilige geest in ons te vormen, maar dat de Heilige Geest ons als een zalf van Christuswege over het hoofd gegoten wordt. Wat een verschil maakt het of wij het woord met onze rede zwijgend moeten bedenken en letter voor letter spellen, zonder de ware zin der dingen te verstaan, of dat God zelf zijn Woord tot ons spreekt en ons zijn raad met levende stem openbaart! Welk een zaligheid is er in die prediking, die zalving, die levende stem Gods. Nu begrijpen wij, waarom Paulus in het praktische gedeelte van z'n brief spreekt over het bedroeven van de Heilige Geest Gods. Hij is midden in de moraal het Evangelie niet vergeten. Hij moraliseert niet, maar hij predikt. Onzedelijk is alles, wat de vreugde die van boven komt verstoort.

Maar waar blijft de moraal dan? Paulus leert ze hier toch ook? Hij heeft in zijn brieven soms hele rijtjes deugden en ondeugden, zoals we reeds opmerkten. Vermoedelijk heeft hij ze soms zelfs uit andere geschriften overgenomen. Ja, de moraal zal er wel blijven. In Noachs dagen "aten en dronken" de mensen; "zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven" (Luk. 17 : 27). Toen kwam de zondvloed. Nu kunnen we wel zeggen, dat zij 't immoreel gedaan hebben, maar Jezus zegt daarvan niets. Ook nu nog eten en drinken de mensen, zij nemen ten huwelijk en worden ten huwelijk gegeven. En ook het einde, zegt Jezus, zal weer precies gelijk zijn (vs. 26). Daarom is er in die reeksen van Paulus weinig verschil met de wet der Joden. Zelfs zijn mooie christelijke huistafels, waarin de gemeente haar sociale plichten worden voorgehouden, zouden de wereld niet hebben vernieuwd. Zij staan ook al niet op zichzelf. Men zou kunnen vragen wat er dan toch aan de hand is met het afschaffen van de wet. Hebben wij de Tien geboden ook nog niet in onze catechismus? Zo verschillen Paulus' praktische aanwijzingen ook wel niet zo hemelsbreed van die van een reizende stoïcijnse wijsgeer.

En toch is er verschil. En ook hemelsbreed. En mogen wij God wel op onze knieën danken, ook met het oog op onze handel en wandel, dat wij de kerk en de bijbel in ons leven hebben. Moraliseren kan zulk eentonig werk zijn. Lees de beste schrijvers, de Franse, die hun handwerk drijven met fijne smaak en subtiel vernuft. Toch houdt gij ze zelden lang in handen. Het is, als geen hoger geest er in blaast, herhalen, wat Noach in de ark al wist. In de kerk brengt het de mensen onfeilbaar in slaap, tenzij steelsgewijze het gepeperde, het tegendeel, te hulp wordt geroepen. - Boetprediken kan zo onbarmhartig zijn. Het is: de stof van het mensenleven tussen duim en wijsvinger nemen, zoals de lakenkoper het weefsel. Wie het doet, vergeet meestal, dat hij van dezelfde lap is gescheurd. De zedeprediker zoekt kwaliteit; hij wordt verbitterd, omdat hij die niet aantreft. Hij vergeet, dat het zedelijke geen stof is, die gereed ligt, maar pas ontstaat, als ons in een oordeel der liefde de vorm tegemoet treedt, waarin wij ons leven kunnen gieten. Hoe zou een verbitterd keurmeester kwaliteit kunnen ontdekken, voor welker ontwikkeling hij zelf geen gelegenheid geeft? Voor zedelijkheid zijn toch minstens twee nodig.

Paulus kent die ander. "En bedroeft de Heilige Geest Gods niet." Hij weet ook, dat deze "niet verbitterd" wordt en "geen kwaad denkt". Zo wordt onze morele eenzaamheid opgeheven. Het leven zal nu niet voor ons liggen als een stuk dode stof, van goede of slechte kwaliteit, maar in beide gevallen zonder vreugde. Zo lang het niet meer is, zullen wij vaak het gevoel hebben, dat het even lang als breed is of we 't een doen of 't ander. Zo ging het althans Zacheüs, zolang hij in morele eenzaamheid het voorwerp was der kritiek van een kring van onbarmhartige moralisten. Maar niet zodra heeft Jezus hem ontdekt, of hij beantwoordt de gedachten die de Heer omtrent hem heeft. Hij vult het oordeel, dat Jezus hem voorhoudt, tot overlopens toe en de Heer houdt de schuimende beker van Zacheüs' bereidvaardigheid met blijdschap in de hand. Voor zedelijkheid, die die naam zal verdienen, zijn twee nodig. Evengoed als voor het geloof in engere zin, daar wij niet kunnen geloven als God zich niet openbaart. Men heeft wel eens de leer dor genoemd en gemeend dat ze de rechte naam draagt. Maar oneindig droger is het leven als het niet meer is dan een stuk van de grote lap, waaraan voor en na de zondvloed de mensheid weeft en die onafwendbaar, zoals de ouden reeds wisten en wij het ook Jezus hoorden zeggen, met de grote schaar der eeuwigheid zal worden afgesneden.

In het waarachtig geestelijk leven komt de inhoud ons tegemoet uit de hemel waar de liefde oordeelt, die "alle dingen gelooft" en "alle dingen hoopt";

"Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d'eerkroon dragen.

Door U door U alleen, om 't eeuwig welbehagen."15 ⚑De hoedanigheid van ons zedelijk leven in eenzaamheid heeft daarbij vergeleken geen betekenis. Al was het dat wij onze zedelijke kwaliteiten zo konden verbeteren, dat we mochten roemen op heilige geest, maar zonder hoofdletter, het zou ons geen nuttigheid geven. Voor zedelijk leven zijn nu eenmaal twee nodig. Ook al richten wij in ons binnenste een troon op voor de hooggeloofde 'persoonlijkheid' en onderwerpen wij onze hele zinnelijkheid aan dat geestelijk middenpunt, het zal ons niet baten, zolang wij daarin niet meer hebben dan ons eigen ik. Met onze zelfstandigheid zal onze eenzaamheid wassen. - Deze dingen zijn nog even toepasselijk als in de dagen van Paulus. Epictetus, Seneca, Marcus Aurelius zijn al lang dood, maar al wordt er met een beetje andere woorden over gesproken, moraal en evangelie staan nog tegenover elkaar. Denkt ge er altijd genoeg aan bij de opvoeding, in de omgang, onder de prediking, in uw sociaal werk, in uw verenigingsleven, dat de Heilige Geest God is, die geen gaven eist, ook geen zedelijke, maar ze geeft? Hoeveel verbittering, hoeveel neerslachtigheid konden wij, onverbeterlijke moralisten die we zijn, ons zelf en niet 't minst anderen besparen, als wij van Paulus wilden leren, die de hele moraal onder de vreugde des Heiligen Geestes plaatst en al haar voorschriften belicht met deze ene vermaning: "En bedroeft de Heilige Geest Gods niet."

Dit alles wordt temeer van betekenis als wij bedenken, dat de moraal er zal blijven, zolang het Evangelie gepredikt wordt. En dat zij blijven moet. Paulus weet het ook. Zij is de stof, waarmee hij het hele praktische gedeelte van z'n brieven vult. Onze grootouders waren in dat opzicht eerlijker dan wij. Zij ergerden er zich niet aan als er achter een fabel een moraal stond. Wij denken met onze moraal zo ver weg te zijn van de dierenwereld, dat we er meestal een veel deftiger naam aan geven. Voor negenennegentig percent van de mensen blijft zij echter een regeling van de eenvoudigste levensverhoudingen. De mogelijkheden en verscheidenheden daarin zijn niet zo heel groot.

Wel is er misschien in iedere tijd een kleine groep, die zich de weelde veroorlooft het leven te beoefenen als een vrije kunst, los van de brede basis der natuur; die een levensdans uitvoert om het genot van het leven zelf, zonder het te doen, zoals de grote menigte, omdat God het oplegt als een taak. Maar deze groep valt buiten de voorzienigheid Gods. Een maatschappij, die deze grens nadert, ziet zonder uitzondering de hand aan de muur verschijnen.

De moraal blijft. Voor en na de zondvloed eten en drinken de mensen, ze nemen ten huwelijk en worden ten huwelijk gegeven. Ook de Zoon des mensen is gekomen "etende en drinkende" (Matth.11 : 19). Paulus weet het ook dat, als hij zijn apostelschap wilde neerleggen, er voor hem altijd nog over zou blijven: laat ons "eten en drinken, want morgen sterven wij", (1 Kor. 15 : 32). En als de mensen deze moraal lang genoeg gevolgd hebben, komt de zondvloed. En als ze het nog eens lang gedaan hebben, komt het laatste gericht.

Zo komen we tot die andere zijde van het apostolische woord, waarin sprake is van het "verzegeld" zijn "tot de dag der verlossing". Sommigen denken daarbij aan een merkteken, waardoor iets als iemands eigendom wordt aangewezen. God zal dan de zijnen herkennen aan de Geest, die Hij hun geschonken heeft. Men kan echter ook aan een verzegeling denken, die iets toesluit tot een bepaalde tijd, zoals bij Jezus' graf. Het onderscheid is niet zo groot. In beide gevallen is het een merk op ons leven en geen eigenschap. Ik voor mij denk hier gaarne aan een merkwaardig Joods geschrift, dat Paulus wel gekend zal hebben: de Wijsheid van Salomo. De schrijver bestrijdt sommigen die zeggen, dat wij maar éénmaal leven en dus zoveel mogelijk kwaliteit in dat stukje leven moeten brengen. Hij voert hen sprekende in: "Het einde is verzegeld en niemand is ooit teruggekomen."16⚑ Willen wij dus iets, eten en drinken of goed doen, dan moeten we het doen voor't te laat is." Lichtzinnig waren deze mensen niet altijd, toen niet en nu niet. Het kan evengoed een motief zijn voor ernst als voor spel.

En nu kan het best zijn, dat wij in de opstanding geloven en toch de nadruk leggen op het gehalte van dit leven. Toch is het mogelijk, dat wij de roepstemmen achter ons horen en niet vóór ons in de prediking. Wij kunnen ernstig zijn en toch zonder hoop; diepzinnig en toch zonder uitzicht. Dan kennen wij niet anders dan de oude zang van de wieg tot het graf, waarvan we liefst een da capo zouden willen hebben, hier of hiernamaals. Dan hebben wij de moraal gekend en niet het evangelie. De moraal, die het leven vergezelt van het begin tot het einde, maar niet verder. En wij leven slechts éénmaal.

Paulus lijkt mij de aangehaalde woorden gekend te hebben. Hij gebruikt ook het woord 'verzegelen'. Maar hij keert het om. Voor hem draait de deur der eeuwigheid niet naar binnen maar naar buiten. Niet achter ons valt de deur dicht, maar vóór ons gaat zij open, als het zegel verbroken wordt. Wij zijn nu verzegeld. Dat verklaart ook waarom wij niet verder kunnen. Waarom de moraal voor en na Noach gelijk blijft en blijven moet. Zoals ons geloof op aanschouwen wacht, zo onze moraal op zedelijkheid. Hier is het verzegelde graf en de opstanding wacht. De moraal is het graf waaruit de zedelijkheid zal opstaan. Zo is Paulus' woord te verstaan. Het regelt niet ons eten en drinken en ons huwelijk, hoewel het dat ook doet, maar het spreekt van het "koninkrijk, dat geen spijs en drank is" (Rom. 14 : 17) en van "de opstanding, waarin zij niet ten huwelijk nemen en niet ten huwelijk worden uitgegeven" (Matth. 22 : 30).

Men kan op verschillende wijzen het accent leggen. Maar groter onderscheid van nadruk dan hier, is niet denkbaar. De een zegt: wij leven maar éénmaal. De ander: wij zullen eenmaal leven. Bij het leven dat achter ons opdringt, haastig en onstuimig omdat de deur straks dichtvalt, maar daardoor juist onafwendbaar naar het einde gestuwd, vanwaar geen terugkeer is, denken wij onwillekeurig aan de hoofdman te Samaria, die door de koning in de poort gesteld was om het eten en drinken der mensen te moraliseren en die daarbij door het volk vertreden werd. Wij kennen de voorstelling van Petrus aan de hemelpoort. Maar gelooft ge niet dat het hem en desnoods alle twaalf apostelen met hem desgelijks vergaan zou, als zij geen evangelie maar een moraal verkondigd hadden? Achter ons komt het leven, de boze storm, een weinig te regelen misschien, maar niet te temmen. Gevaarlijk op ogenblikken, dat men het niet verwacht. Wie is 1914 reeds vergeten? En daarachter een da capo van de zondvloed.

Het Evangelie keert echter alles om. De poort slaat open naar ons toe. De engelen zwermen uit en zingen het vrede op aarde. Wij worden verzegeld tot de dag der verlossing. Zoals de doden in de Hades Christus tegemoet gaan om z'n prediking te horen, naar de bekende oud-christelijke voorstelling, zo treden wij uit het dodenrijk onzer moraal de Heilige Geest tegemoet om het zegel der ware zedelijkheid als een belofte op ons voorhoofd te ontvangen en als een onderpand onzer hemelse erfenis. Zelfs het dier deelt in die verwachting. Paulus zegt dat het "als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods". Het weet dat het met onze moraal nog niet in orde is. Niettegenstaande onze tegenzin om in de fabel er mee op één lijn gesteld te worden en lessen te ontvangen aan het slot. Ondanks het feit, dat wij voor onze manier van doen de weidse naam van ethiek hebben uitgevonden. De dieren weten dat onze moraal aan die van Noachs tijd, eten en drinken, nog niet ontwassen is. En hoe moeilijk dat te moraliseren is, merken zij als ze op onze tafel komen.

De fout van de moralist is, dat hij het onderscheid tussen natuur en geest wel noemt, maar in werkelijkheid niet kent. Hij ziet geest als natuur van verbeterde kwaliteit en zoekt hem als een eigenschap van ons leven en niet als een zegel op ons leven. Geest is God en God is Geest en voor zedelijkheid zijn twee nodig. Bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door welke gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing.

Tegenover de Geest, die onze harten verzegelt, zo zegt Calvijn in een preek over onze tekst, verdienen wij slechts de naam van sterfelijk lichaam.17 En dat slaat dan niet alleen op onze handen en voeten, de huid, de beenderen en het vlees, maar op de hele mens, die aan de verderfelijkheid onderworpen is. Ons lichaam vergaat tot stof en in onze zielen werkt nog sneller verderf. Maar de Geest is leven. Wanneer er maar een vonkje van de Geest van onze Heer Jezus Christus is, laten we ons dan verzekerd houden, dat wij zijn glorie zullen delen, in afwachting van de verlossing van onze verderfelijke natuur. - Tot zover de hervormer. Hier zijn de grenzen niet uitgewist. ⚑Hier is niet één, maar zijn heel duidelijk twee. En hier is de wetenschap dat er twee zijn, een reden tot grote vreugde. Geen groter jubel is er denkbaar dan waarmee de eenzaamheid onzer moraal doorbroken wordt door de Heilige Geest. Dan pas weten we wat het woord twee betekent. Dan is de ware zedelijkheid geboren. Dan weten wij dat de Geest geen verbetering is van de natuur, de heiligheid geen veredelde zonde, maar dat Hij God is. Hier wordt het Te Deum aangeheven en onder dat lied is nog slechts een vermaning op haar plaats: Bedroeft de Heilige Geest Gods niet. In dat éne gebod gaat de hele moraal der gemeente op en daarin worden alle andere regels opgeheven.

Maar wat blijft er dan over van de moraal? Zij blijft tot de dag der verlossing, wanneer het zegel zal verbroken worden. De ring des Geestes, Gods eigen vinger, heeft haar juist bevestigd, toen Hij haar merkte, zoals men een boom merkt, die uitgehouwen zal worden. Het is zijn teken en niemand mag het verbreken dan Hij alleen. Daardoor zijn alle onheilige handen, die haar zouden willen losrafelen, geweerd. Van de boom der kennis des goeds en des kwaads geldt nog altijd: "Ten dage als gij daarvan eet zult gij de dood sterven." In Paulus' dagen en ook nu nog waren en zijn er wel, die ook van hoge dingen wisten te spreken, van zegelen en ontzegelen, maar die wachtten op de "verborgenheid der ongerechtigheid" (2 Thess. 2 : 7). Paulus daarentegen schrijft de hele moraal uit in zijn brieven.

Toch zal ook nu reeds merkbaar zijn en moeten zijn, dat het zegel des Geestes er op staat. Een echte moralist zal een christen nooit kunnen zijn. Allereerst heeft hij zijn mystieke gronden voor zijn handelwijze; zijn doen zonder reden, waardoor hij z'n verzegeld-zijn verraadt. Ik denk aan een beroemd Frans advocaat uit de tijd van Lodewijk XIV, die plotseling z'n praktijk opgaf om zich te voegen bij de stille kring der Port-Royalisten. Wanneer zijn vrienden hem dan vragen daarvoor een afdoende reden op te geven, antwoordt hij, dat hij dat niet kan. Zijn besluit is goed op zichzelf.18 Zulke afwijkingen van de moraal zullen er zijn in het christelijk leven en ieder zal ze voor God hebben te verantwoorden.

Zo ook ten opzichte van anderen. Wie de verhouding van moraal en evangelie doorschouwt, zal weten dat het leven zijn waarde niet ontleent aan wat het is, maar aan wat het offert. Wat enkel is, moreel of immoreel zonder onderscheid, gaat onder in zondvloed of wereldeinde. Alleen wat geofferd wordt, raakt opgeheven in de Geest, moreel of immoreel zonder onderscheid, en beleeft de grote vreugde der ontzegeling. Ook Christus, "hoewel Hij de Zoon was, heeft nochtans gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen hij geleden heeft" (Hebr. 5 : 8). Zo vermaant ook Paulus de gemeente: "Dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande" (Rom. 12 : 1). Wie zal uit dat oogpunt een mensenleven billijk beoordelen dan alleen God, die het offer ontvangt? Wij zien wel wat is en wat gedaan wordt; maar ons blijft verborgen wat nagelaten, wat geofferd wordt. Wie zal het tegen elkaar opwegen? Wie zal de tranen tellen in het verborgen geschreid? Wie het leed wegen, in stomheid gedragen? Welk christen durft volbloed moralist te zijn?

Er is echter nog een laatste gezichtspunt. Het sluit dadelijk aan bij Paulus' woord: "En bedroeft de Heilige Geest Gods niet." Dat woord is aangesloten aan een aantal morele voorschriften. Maar het is in dat verband niet geheel te vervullen. Wij stonden er reeds bij stil, in welke vreugdesfeer het ons opheft en hoe het de hele moraal samenvat in één gebod. En nu denk ik aan het woord van Jezus dat "er blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben". Wie durft deze blijdschap te verstoren? Wie wil de oudste zoon in Lukas 15 gezelschap houden? Nu weten wij het: wie Paulus' woord in de moraal laat opgaan, die vervult het niet; hij bedroeft de Heilige Geest. Het is niet uitgeput als wij er een aansporing aan hebben ontleend om goed en naar de regel te leven. Dat kan in zijn eenzaamheid toch tenslotte een triestig werk blijven. Hier, in dit éne gebod, waarin Paulus de levensregel samenvat, wordt tegelijk heengewezen naar haar ontzegeling, haar opheffing. De blijdschap in de hemel over de bekering is van hoger orde dan de voldoening van de zedemeester, als iemand weer naar zijn voorschriften gaat luisteren. De toon rijst veel hoger. Het is een jubel in blijde zalen, om het gegeven kleed en de ring aan de vinger. Niet om de kwaliteit van een mensenleven maar om de liefde Gods des Vaders en de gaven des Heiligen Geestes en de dag der verlossing door Christus.

Toch wordt ook hier niet vergeten, dat het God zelf is, die het zegel zal breken. "Deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden" (Luk. 15). Daarin ligt de volle hoogte en diepte van de vreugde uitgemeten, maar in dat 'dood' ligt toch ook een herinnering aan de gelding der moraal. Nog steeds is de paradijsvloek van kracht.

Hoe ontzaglijk die ontzegeling is in de dag der verlossing, waarnaar het schepsel als met opgestoken hoofde uitziet, daarvan blijft het kruis in deze wereld een opgericht teken. Hier is de Zoon, in het verre land gereisd, in het land van de moraal, zoals de verloren zoon in de gelijkenis in het land der immoraliteit. En hij is er even ver van de Vader als de zoon in de gelijkenis. Hoor zijn klacht aan het kruis.

Zo wijst het kruis, naar de opstanding, waarin door God zelf het zegel van het graf verbroken wordt. Hier ontspringt de grote blijdschap des Geestes. De vermaning om de Heilige Geest Gods niet te bedroeven vindt hier haar verklaring. Juist de ernst der aardse, menselijke zedelijkheid, haar verbondenheid met de dood, haar straffe onbarmhartigheid drijft de jubel des Geestes en der gemeente ten top in de dag der ontzegeling. Als moralist kan de christen deze apostolische vermaning niet vervullen, ook al is zij tegelijk motief voor zijn wandel. Zoals in het koraal, dat de gemeente aanheft, de blijdschap niet in de gang van het lied besloten blijft, maar er boven uit rijst, zodat God kan wonen op de lofzangen Israëls, zo stijgt deze vreugde reeds nu boven de aardse wandel en haar vaste regelen uit, de Geest tegemoet op hope van de dag der verlossing.

Eindnoten

  1. 12

    Mogelijk Schriften zur Literatur, Die Piccolomini, Artemis-Ausgabe, dl. 14, p. 5 1: "Wer die Sterne fragt was er tun soll, ist gewiss nicht klar über das, was zu tun ist."↩

  2. 13

    Noordmans bezat een uitgave in de vertaling van D. F. Scheurleer (Epietetus, Zedekzindig handboekje, 's Gravenhage 1915). Er bestaat ook een fraaie Nederlandse vertaling van J. H. Leopold (Stoikche wijsheid, Rotterdam 19274 p. 3-3 1). Zie ook dl. 2, p. 117 noot 6.↩

  3. 14

    Fritz Reuter (1810-1874), Mecklenburgs volksschrijver, beschrijft in Ut de Franzosentid (1859) in het plattdeutsch de gebeurtenissen in de Franse tijd in het stadje Stavenhagen, waar Reuters vader burgemeester was. Voor de betreffende passage hfdst. 9 (Sämtliche Werke, ed. C. F. Müller, dl. 9, p. 102 vv.).↩

  4. 15

    Psalm 89 : 8 (berijming- 1773).↩

  5. 16

    Vgl. Wijsheid van Salomo, hfdst. 2; de aangehaalde tekst: vs. 5.↩

  6. 17

    Calvijn, Sermon 32, stir I'tpitre aux Ephésiens, CR. 79, 649 v.↩

  7. 18

    Vgl. C.-A. Sainie Beuve, Port Royal, dl. 1 (11), p. 386 v. Antoine Ie Maitre. welke hier is bedoeld, vertelt in een brief aan de kanselier van het gerechtshof waaraan hij werkzaam is, waarom hij op het onverwachtst niet meer is verschenen.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Ons aller MoederZondaar en bedelaarPasen →