Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 1 · p. 88–100

Weergave

Willem de Clercq1

De apostel Paulus zegt dat de ene stem in heerlijkheid verschilt van de andere. Dit geldt in het bijzonder ten opzichte van degenen die door Jezus Christus nieuwe schepselen geworden zijn. De bekende Duitse schrijver Otto Funcke2 heeft eens gezegd dat er onder tien christenen meer oorspronkelijke mensen zijn dan onder honderd mensen van de wereld. Het nieuwe leven dat door de Heilige Geest gewerkt wordt heeft z'n eigen karakter en zoals God geen twee bladeren aan de boom gelijk maakt, zo maakt hij nog veel minder twee van zijn kinderen gelijk. Dit komt het duidelijkst uit, wanneer er krachtig geestelijk leven openbaar wordt, wanneer God van zijn Geest uitstort op alle vlees. Paulus en Petrus en Johannes zijn zeer verschillende figuren. Allen zijn ze apostelen des Heren.

Wij merken dit verschijnsel der verscheidenheid ook zeer sterk op bij de mannen van het Réveil. Het Réveil noemen wij die godsdienstige opwekking, die plaats had in de eerste helft van de negentiende eeuw omstreeks het jaar 1830. De meest bekende namen zijn die van De Clercq, Da Costa, Capadose, Groen van Prinsterer, De Liefde.3 Ieder die niet geheel onbekend is met de geschiedenis van ons christelijk volksleven uit de laatste eeuw kent die namen.

Wat zijn dat verschillende mannen geweest. Da Costa, de Jood en de dichter, de man van de beroemde bijbellezingen. Capadose, de Jood en de dokter. Groen van Prinsterer, de vader van de antirevolutionaire en christelijk-historische partijen en van de confessionele richting in ons land. De Liefde, meer de methodist, de schrijver van werkjes over het bloed van Jezus en andere. De gehele christelijke beweging der negentiende eeuw is door deze mannen bepaald.

Onder degenen die we noemden is echter een meer stille figuur: De Clercq. Zijn naam is bij ons christelijk volksdeel veel minder bekend. Van hem is niet zulk een machtige invloed uitgegaan. Hij heeft meer allerlei invloeden ondervonden. De invloed van Da Costa allereerst, van Groen van Prinsterer, eindelijk zeer sterk de invloed van Kohlbrugge.3 Daardoor is hij ook minder eenzijdig geworden. Hij is nooit partijmens geworden. maar mens gebleven, voor de waarheid toegankelijk, voor invloeden vatbaar.

Een geschiedenis van Willem de Clercq is allereerst een inwendige geschiedenis, een hartsgeschiedenis. Zijn fijngevoelig hart deed hem de dingen des levens in al hun scherpte gevoelen. Met de geestelijke stromingen van zijn tijd moest hij vaak afrekenen ten koste van veel strijd en tranen. En zo staat hij voor ons getekend in zijn eigen dagboek, waarin hij elke dag aantekende wat er in zijn hart en daarbuiten gebeurde. Zelden zal het ons wel gegeven worden van iemands geestelijke strijd zo van nabij getuige te zijn als bij De Clercq, omdat hij van dag tot dag die strijd aan het papier toevertrouwde. We willen heel kort trachten u hiervan iets mede te delen en iets te zeggen van de personen die invloed op hem hebben gehad.

Willem de Clercq werd de 15e januari 1795 te Amsterdam geboren. Zijn ouders waren Gerrit de Clercq en Maria de Vos.

We willen nu even rondzien wat de algemene geest is die er op godsdienstig gebied heerst in de dagen van De Clercqs jeugd. Het was de tijd van het oude liberalisme. Modernisme bestond nog niet. Het is niet zo gemakkelijk dat oude liberalisme zo maar in het kort te karakteriseren. Enkele trekken mogen hier genoemd worden.

Men was hogelijk ingenomen met de toestand van land en kerk. De Algemene Synode der Nederlandse Hervormde Kerk werd in 1817 geopend met de volgende woorden: "Gezegend is voor ons opgedaagd het einde van de derde eeuw der christelijke verlichting. Europa's volken, ontslagen van dwinglandij en vreze, rusten in diepe vrede uit van de gevoerde worstelstrijd voor de zaak der vrijheid. De belangen van de godsdienst hebben ... de aandacht getrokken van de groten der aarde. De milde geest, door de Hervorming opgewekt, heeft landen en vorsten van verschillende christelijke geloofsbegrippen, meer dan ooit, tot elkander geneigd ... Hoe zouden zich, indien zij konden opstaan uit hun graven, met ons die onvergelijkelijke mannen verheugen, wier heilige ijver deze staat van zaken heeft voorbereid ... !"

In zulke hoogdravende taal werd de tevredenheid gepredikt. Het oude liberalisme was verdraagzaam, maar wee hem, die een andere toon wilde doen horen. Als een spelbreker werd hij uitgestoten.

Hoe het oude liberalisme leerstelling stond, hoe het dacht over de hoofdpunten der belijdenis, drukt Groen van Prinsterer zeer kort en krachtig uit. Hij zegt: geen waarheid, die onaangerand bleef. Christus werd een schepsel, de Heilige Geest een kracht, de zonde een zwakheid, Christus' lijden was enkel liefdebetoning, wedergeboorte werd zedelijke verbetering.

Soms maakt in deze dampkring een zekere verveling zich meester van zekere predikers. En om die te verdrijven hield een zekere dominee Scharp zich bezig met het maken van een preek zonder R.4 De preek bestaat nog. Ge kunt ze lezen, als ge wilt. Onder deze beademing, waarin het krachtige van de waarheid Gods weinig uitkwam, groeide De Clercq op.

Zijn jeugdjaren gingen rustig voorbij. Nu eens vertelt De Clercq ons van een catechisatie waar het Spaans toegaat, omdat de dominee geen orde kan houden. Een andere keer is het een reisje waarvan hij vertelt. Dingen, die in ieder leven voorkomen.

We willen de gelegenheid waarnemen om even te letten op Bilderdijk.5 In het koor van grote tevredenheid van die dagen deed Bilderdijk niet mee. Bilderdijk is een reus, wiens hand was tegen allen en de hand van allen was tegen hem. Hij haatte z'n tijdgenoten en zij haatten hem. Enkele leerlingen en geestverwanten verafgoodden hem. De mannen van het Réveil zijn zijn leerlingen gedeeltelijk.

Zeldzamer genie dan Bilderdijk is er nauwelijks te bedenken. Hij was thuis in schier alle vakken der wetenschap. Alles wat hij dacht en gevoelde werd een gedicht. Zijn leven is bijna een klacht van het begin tot het einde. Arm is hij, laten we zeggen, als de mieren en hij kan soms niet uitgaan, omdat zijn kleed in de lommerd is. Van omgang met mensen en uitgaan heeft hij vaak een afschuw. Hij haat tot op zekere hoogte de mensen. De gedachte dat hij op zijn tijdgenoten zou gelijken kan hij niet verdragen. Hij scheldt op Holland en kan er toch niet buiten. Hij lijkt niet op de Hollanders en is toch de meest Hollandse Hollander. Hij heeft Holland lief met een schier krankzinnige liefde en Holland stelt hem elk ogenblik teleur en verbittert hem. Elders is alles mij onverschillig, hier kan niets het zijn, zegt hij. Zo is de liefde tot zijn vaderland hem een kwelling. Bilderdijk was erfelijk Hollands belast, zegt Kuyper. Alles in z'n bloed is Oudhollands. Op de schoot zijner moeder heeft hij Cats gelezen. De pit en het merg van de bijbel heeft hij lief en hij gruwt van de flauwe waterigheid der liberale theologie.

In sommige opzichten is hij levenslang een kind gebleven. Zenuwachtig, onpraktisch, onbeholpen. Onder leiding van zijn vrouw. Bilderdijk heeft grote fouten gehad. Z'n levensgeschiedenis is bekend. Z'n tijdgenoten en nazaten hebben die fouten breed uitgemeten en ze nooit vergeten. Toch was hij beter dan zij. Zonde was er in z'n leven, maar ook dat waardoor de zonde openbaar wordt. Ook verlangen, verlangen naar de levende God. Hij walgde van de flauwe, zelfgenoegzame braafheid zonder geestdrift van zijn tijdgenoten. Hij wenste met een Paulus gerechtvaardigd te worden. Wonderlijk woelde en gistte het in dat grote leven, dat dorstte naar liefde en verzadiging. Dat het goede tot verzadiging wilde ontvangen.

Dit was de wondere Willem Bilderdijk, die tegen alles wat in zijn tijd geldig was, heeft gestreden. In de politiek, in de kerk, in de wetenschap. De hand van allen tegen hem en zijn hand tegen allen. Hij staat als een reus op de achtergrond van de tijd waarin Willem de Clercq opgroeit.

Willem de Clercq gevoelt soms ook iets van deze dingen. Hij klaagt: niets is kouder dan de mensen hier: een vriendschap zonder warmte, een liefde zonder ideaal, een poëzie zonder durf. Men doet niets dan de mensen en de roep over iemand bepraten en besnuffelen. Dit bewijst ons dat er gevoelens in hem schuilden die ons doen begrijpen dat hij straks een kind van het Réveil kan worden.

De Clercq is bekend geworden in het gehele land door een eigenaardige, heerlijke gave, die God hem geschonken had. De gave om in dichtmaten, in verzen te improviseren. Op z'n twintigste jaar kwam deze gave aan het licht, zoals een wel, een bron uitbreekt en het water opspuit. In het Hoogduits. Dit improviseren werd begeleid door een zenuwachtige spanning, zodat zijn a.s. vrouw en zijn grootouders hem aanrieden het nooit meer te doen.

We willen trachten u hier enig denkbeeld te geven van dit zeldzaam vermogen. Het begon in de familiekring. En vandaar breidde het zich uit tot alle groten des lands zich de gelegenheid wensten te verschaffen hem te horen. In den beginne moest De Clercq altijd beginnen met iets zots te doen, een stoel om te gooien of iets dergelijks. Later was dit niet meer nodig. Zeldzaam was de gave. Zonder een ogenblik weifelen stroomden de krachtigste verzen lange tijd over de lippen van de dichter. Landgenoot en vreemdeling stond ervan verplet. Dat het niet ieders werk is, moet ge maar eens ondervinden door het te proberen.

Eens op een partij waar ook Tollens6 was, hitste deze ieder tot improviseren aan. Er was iemand die met veel moed opstond. Hij bracht twintig regels tot stand, doch gedurig naar zijn kuif grijpende en toen die afgelopen waren, biggelde hem het zweet langs de wangen en verklaarde hij doodop te zijn. Een ander rees op met een gezicht alsof hij ijzer wilde eten, zei drie zeer goede regels, doch de vierde stuitte en hij ging bedaard weer zitten.

Bij De Clercq was het een gave Gods. Als water uit een bron sprongen in dichtmaten de heerlijkste gedachten en overspatten de hoorders. Nooit ontbrak het de improvisator aan denkbeelden. Hierbij kwam hem te hulp zijn reusachtige belezenheid. Hij kende bijna alle schrijvers van oude en nieuwe tijd. Het zou onmogelijk zijn al de onderwerpen te noemen waarover hij zo maar, voor de vuist, zonder er eerst over te hebben nagedacht, en dan nog wel in dichtmaat, gesproken heeft gedurende een dertig jaren achtereen. De onderwerpen zijn de meest verschillende. Men kan zeggen: over alles. In den beginne was het meer het letterkundige en het schone, dat in deze improvisaties de hoofdzaak was. Langzamerhand werd het voor De Clercq, in verband met de verandering die hij onderging, meer een middel tot Evangelieprediking, tot aanprijzing van het ene nodige.

Machtig was menigmaal de kracht die ervan uitging. Een der ongeloofsmannen uit ons vaderland, Kinker,7 was een tijdlang buitenslands geweest en hij hoorde bij zijn terugkomst van De Clercq. Hij was nieuwsgierig deze christelijke dichter eens te horen. Als een echte keurmeester kwam hij op de partij waar ook De Clercq genodigd was. De Clercq improviseerde, Kinker stond vlak tegenover hem en kwam hoe langer hoe nader. De Clercq had het gevoel alsof hij hem met verzen van zich af moest houden. Daar kon de geest der eeuw, de geest der verlichting niet bij, dat zulk een machtige gave in dienst stond van het aloude Evangelie. Zoiets begreep Kinker niet. Er is iets in de mens, dat getuigenis geeft van het Evangelie. Want juist andersom ging het de dichter Loots8 die mede op een bijeenkomst van letterkundigen afgaf op de waarheid der Heilige Schrift en toen hij gesproken had, zweeg een ieder.

Het leven van De Clercq heeft zich voor een goed deel bewogen om Da Costa. Da Costa, de bekeerde Jood. Het ging hier: de bekeerder werd bekeerd. Toen bij een ontmoeting De Clercq met Da Costa wilde spreken over Christus, toen bij hun gesprek zij elkander hoe langer hoe meer naderden, toen bleek dat Da Costa reeds christen was en nu was het de beurt van Da Costa om de volle waarheid des bijbels aan het hart van De Clercq te leggen. Van dit ogenblik aan dagtekent de toenadering van De Clercq tot het Réveil. De Clercq zegt: "Nooit was de overtuiging levendiger bij mij, dat het christendom geen kleed moet zijn dat wij af- en aannemen, maar wel de innige overtuiging van ons hart, zodanig, dat ons gehele leven christendom wordt."

Dat kenmerkt nu het Réveil, die beide mannen, nobel van zin en fijn van ziel, die daar tegenover elkander staan, elkander met schroom naderen, hun geestelijk leven tenslotte voor elkander openen en één worden in de erkenning van de waarheid Gods. Vergeleken bij de adel der ziel van Groen van Prinsterer en Da Costa en De Clercq zijn de harten in onze kerkelijke partijschappen ruw en werelds geworden. Had maar in plaats van de wereldse macht van ons politiek christendom, dat heel machtig is geworden, maar hoe langer hoe wereldser wordt, zich uitgebreid dat fijne gemoedsleven van de mannen van het Réveil. We zouden verder zijn in het koninkrijk Gods, ofschoon misschien minder ver naar de wereld.

De verhouding tussen Da Costa en De Clercq was een van de hoogste orde, maar vol van moeilijkheden. Hoe oprechter het leven geleefd wordt, hoe meer de moeilijkheden zich zullen openbaren. Groen, Da Costa, De Clercq, Beets, La Saussaye, ze hebben tenslotte elk hun eigen leven geleefd. Dienstknechten van de levende God, hebben ze elk hun eigen licht, hun eigen boodschap ontvangen. Partijwezen is een vloek waaronder de geesten worden afgeknot.

Wij zeiden: de verhouding tussen De Clercq en Da Costa was vol van moeilijkheden. Da Costa was vaak pessimistisch, klaagde dat hij geen gelukkige dag in zijn leven gekend had. Hij maakt zich vele vijanden door zijn hoekig karakter. Da Costa dringt aan op een kantige, scherp belijnde geloofsbelijdenis. Hij vormt partij. Een dacostiaan te heten geldt voor een schande. Men raakt daardoor wat van de andere mensen af.

De Clercq met zijn humaan karakter en zijn fijne beschaving gevoelt sterk het knellende van de band met Da Costa. Hij gevoelt meer het voor en het tegen van de dingen. Hij heeft de mensen liever dan de denkbeelden. Hij kiest de stemming des harten boven de geloofsbegrippen. Hij vindt Da Costa soms overdreven en nodeloos hard.

Het is heerlijk getuige te zijn van de omgang van deze beide oprechte zielen. De ene meer hard, de andere meer zacht. De ene meer voortvarend, de andere meer schoorvoetend. Hun oprechtheid bewaart hen voor een scheiding en telkens vinden ze elkander weer in hogere eenheid, waar ze beiden zichzelf kunnen blijven en waar voor hen beiden plaats is. Het is of De Clercq reeds iets vooraf gevoelt van wat later dagen zullen doen zien. Hij zegt: "Ik beken, dat onder het masker van liberaliteit dikwijls oproer tegen God gepredikt wordt. Doch vloekbaarder nog is het gedrag van hen die in hun huichelende ontwerpen de heiligste namen tot werktuigen van hun verlangen zoeken te maken. Ik weet hoe edel gij de taak aanvat, maar er zijn ook edelen aan de andere zijde." Deze woorden heeft de antirevolutionaire politiek later met voeten vertreden.

Het leven van De Clercq wordt steeds sterker naar binnen gekeerd. Hij geeft zich nauwkeurig rekenschap van alles. Sprekende over zijn zoon Gerrit zegt hij: 'Gerrit heeft die trots, waarvan men liberalen maakt.'

Voor hemzelf verbleken langzamerhand wetenschap en kunst en letterkunde bij de lichtgloed, die de heilige bladen omzweeft. Die tegenstelling tussen het schone en het heilige heeft in het leven van De Clercq, evenals in dat van vele anderen, Pascal, Gunning, een tweestrijd gebracht waarvan men niet zonder ontroering getuige kan zijn. Ze roepen ons beide: de schoonheid van Gods schepping, in kunst en muziek en taal tot uitdrukking gebracht, en de heiligheid Gods die ons terugroept tot de verborgen kamers van ons eigen hart. Moeten deze dingen dan gescheiden zijn en blijven in het leven? Moet het ene voor Kaïns kinderen en het aanroepen Gods, zonder kunst en muziek, voor de kinderen van Seth zijn? Moeilijke vraag. Het schijnt soms wel zo. En toch kan het zo niet wezen. Maar wie onzer heeft nooit de beiderlei trekking gevoeld? Gevoeld dat hij niet ontrouw mocht worden aan het heilige? Gevoeld dat ook het schone uit God is? En gevoeld dat hij vaak door die beide naar twee zijden wordt heengetrokken? Deze dingen doen in het hart van De Clercq een onzekerheid geboren worden die een deel van de kracht van zijn leven breekt. Een dichter enkel om te dichten durft hij niet te zijn; hij voelt dat hij getuigen moet. En zijn improvisaties verliezen hun gloed en worden eentonig. Hij gevoelt tenslotte dat hij op die wijze evengoed in proza kan spreken.

En aan de andere zijde is hij te humaan, ziet hij te veel schoonheid om profeet te zijn en hard te worden als een hamer, die de steenrotsen verbrijzelt. Dit bracht tweestrijd en verlies van kracht. Laten we niet vragen waarom. God antwoordt niet van zijn weg met de zielen der mensen. Allard Pierson9 heeft gezegd: 'Het edelste in de menselijke ziel is onpraktisch, blijft onvruchtbaar.’ Misschien is het wel zo, dat het beste als een offerande voor God in rook moet opgaan en we niet moeten vragen waarom. Maar we begrijpen zo goed dat een van zijn zonen de volgende regels schreef na lezing van het dagboek van zijn vader:

"Ach waarom is het 'Durft te leven'
Niet doorgedrongen tot die ziel?
Waar is het stralend licht gebleven
Dat eenmaal op zijn jonkheid viel?
Hoe werd dat helder oog verduisterd,
Dat eens zo blijde staarde in 't rond?
Naar welke stem heeft hij geluisterd,
Totdat hij nergens ruste vond?
Wij weten 't niet; of zo wij 't weten,
Ons voegt het niet, met onze maat
De lijnen van 't genie te meten
Dat zo verheven voor ons staat. ⚑Wij zwijgen, en ons peinzend harte

Ziet in het beeld, voor ons ontvouwd,
De volg'ling van de Man der Smarte,
Door vuur gelouterd, al van goud."

De Clercq geeft zich nauwkeurig rekenschap van alles wat in zijn gemoed gevoeld wordt. Zodat onwillekeurig de vraag bij ons opkomt of dit ook te ver kan gaan en de kracht des levens daardoor kan worden ingeboet. 16 januari 1826 tekent hij aan: " 's Ochtends beviel ik mijzelf niet zoals ik wel gedacht en gehoopt had. Ik had zo naar oude gewoonte eens heiligje willen spelen, maar het was mis en de ochtend beduidde niet veel." Wanneer hij er zich op betrapt hoe spoedig de indrukken, in de godsdienstoefening opgedaan, verdwijnen zegt hij: "Wij zijn als de kinderen, die, terwijl zij nog ⚑aan hun schoolboeken zitten, reeds met de gedachten bij hun knikkers zijn."

Hebben anderen de mensen naast zich getekend, De Clercq tekent zichzelf. Dan klaagt hij weer eens over z'n weinig doorzettingsvermogen, om dan over te gaan in een gebed om de hulp Gods. Geen wonder, dat een vreemdeling die ons land bezocht zich aldus uitliet: 'Er is niets trots in De Clercq, maar Isaäc da Costa heeft de fierheid van Ezra .’

In deze tijd, 1828, is het ook dat De Clercq klaagt dat zijn improvisaties eentonig worden. Na een gehouden improvisatie schrijft hij: "Er werd niet over gesproken en dit is bijna even moeilijk als met een dominee over zijn preek te spreken. Het is een zaad in de harten gestrooid." Een andere keer schrijft hij dat hij liever in proza zal improviseren.

Omstreeks 1828 is het ook dat De Clercq het eerst met Kohlbrugge in aanraking komt. Ge kent natuurlijk de naam. De verhouding tussen Kohlbrugge en de mannen van het Réveil is een hoogst eigenaardige geweest. Men zou kunnen zeggen dat hij als een donderwolk heeft gehangen boven de hoofden der mannen van het Réveil. Er was een belangrijk verschil tussen de geest in Da Costa's kring en de geest van Kohlbrugge. De botsing tussen beiden is dan ook hard en lang geweest. Kohlbrugges banbliksems sloegen tussen hen in en verbitterden hen bijwijlen het leven. Volgens Kohlbrugge waren ze allen afgeweken, tezamen waren ze onnut geworden. Het smartte hem dat De Clercq Beets nog naliep: Beets was geen christelijk prediker; De Liefde liep over van de Sadduceeën naar de Farizeeën; Da Costa verhardde zich tegen de waarheid. Met de hardheid van een profeet trad Kohlbrugge tussen de schare van deze mannen en predikte hun zijn inzichten van de waarheid Gods.

Het zou ons te ver voeren zo we trachtten een uiteenzetting te geven van Kohlbrugges denkbeelden. Iets er over. Kohlbrugges eigenaardigheid ligt in zijn beschouwing van de heiligmaking. Hij spreekt in de toon van een woord van de bekende Engelse godgeleerde Owen,10 die in z'n verklaring van Psalm 130 opmerkt: 'Evangelische heiligmaking te bezitten is nodig, maar zulks te weten somtijds een verzoeking.' Kohlbrugge denkt er natuurlijk niet aan te zeggen dat er geen nieuwe mens geboren moet worden; hij vreest alleen maar dat het een farizeeër zal zijn. Daarom slaat hij hem altijd weer de benen stuk. Of Kohlbrugge zou ontkennen dat er een inwonende hebbelijkheid tot heiligmaking in de gelovigen zijn moet, is nog de vraag. Dr. Vos11 in zijn Groen van Prinsterer drukt zich voorzichtiger uit: zijn leerlingen hebben hem er nooit van horen spreken. Hij is bang erover te spreken. Liet het geloof hem al niet ledig in goede werken; zijn eigenlijke zelf bleef toen een arm zondaar en bevond zich al onbekwamer en onheiliger. Hij lag daar ‘dood en verrot', maar dat verrotte ik was toch zo fris als een cederplant en zijn niets dan slijk en modder opwerpend hart was niettemin rein. Het was Christus die eigenlijk zonder dat hij het zelf mocht merken het goede in hem werkte. Wie het opmerkte was dadelijk farizeeër. Tot de vruchten der dankbaarheid behoorde de heiliging, niet de heiligmaking. Die hadden we in Christus.

Het is niet te ontkennen dat in Kohlbrugges prediking een machtige waarheid schuilt, waarvoor niemand doof mag blijven. Het is goed het te weten en telkens weer te horen, dat er in ieder hart veel is en blijft van die trots waarvan men liberalen maakt. Er is echter eveneens een groot gevaar aan verbonden, dat men zo bang is voor het gevaar van een waarheid, dat men ze niet durft te erkennen. De gehele waarheid Gods is gevaarlijk . De leer van de rechtvaardigmaking is gevaarlijk, van de goede werken, van het geloof. In de waarheid Gods gaat men altijd tussen twee afgronden. Maar het is Gods weg. Tijdelijk het gevaar van de ene of andere waarheid naar voren te brengen, kan eis zijn van de omstandigheden. Het mag nooit blijvend zijn. Er is een opwassen in de genade van Jezus Christus, een afsterven van de oude en een opstaan van de nieuwe mens. Met hoeveel gevaar dan ook: het moet. En zo wij in het natuurlijk leven weten, dat wij er zijn, zouden we dan in het geestelijk leven blind en doof en stom geboren worden?

Zoveel is zeker, de schuchtere en zelfontledende natuur van De Clercq heeft onder zijn aanraking met Kohlbrugge geleden. We willen niet ontkennen dat het ook zijn geestelijk leven verdiept heeft. Maar het heeft hem ook veel vrijmoedigheid doen missen. Hij was reeds geneigd om altijd in zichzelf in te keren, zodat zijn uitgaande levensdaden daardoor werden benadeeld. Voor De Clercq heeft het niet gediend om de aandacht van zichzelf af te trekken. Maar het heeft hem steeds meer in eigen binnenste doen wroeten en hem van veel van z'n vrijheid in Christus beroofd. De Clercq voelt dat bij de eerste oefening door Kohlbrugge geleid. Het onderwerp was de doodsbeenderen van Ezechiël. Krachttermen kwamen er in voor, niet altijd even kies. Het gebed was buitengewoon lang met veel gezochte uitdrukkingen. Dit hinderde De Clercq.

De betrekking tot Kohlbrugge heeft De Clercq in de laatste jaren zijns levens veel innerlijke strijd gekost. Enerzijds heeft hij een welbehagen in zwakheid en in de verbreking van alle eigen werk en bezit, anderzijds wil hij met Da Costa het derde stuk, het stuk der dankbaarheid, gehandhaafd zien. Hij wil ook gaarne Gods gebaande wegen zien en er met bewustheid intreden. Zijn hart weifelt tussen Da Costa en Kohlbrugge. Zeer juist gevoeld is, wat hij zegt: "In vele dingen ziet Da Costa dieper, met meer onderscheiding, zal ik het nu eens zeggen, interessanter, verkwikkender voor verstand en gevoel." Aan de andere zijde klaagt hij wel eens dat Da Costa hem wel voor heerlijke tafels brengt, maar hem niet aan het eten brengt.

De verwijdering tussen Da Costa en Kohlbrugge heeft De Clercq veel smart veroorzaakt. Kohlbrugge was hard als een hamer en zei maar: 'Mijn preek moet waarheid worden.' Da Costa is, zoals De Clercq het zo mooi zegt: 'Liberaal in het mystieke.’ Al deze invloeden gaan over De Clercq heen en zij grijpen diep in zijn leven in.

Het is in deze latere tijd dat Beets, die veel jonger was, met De Clercq kennis maakt. Beets wil graag over de letteren spreken, over schrijvers en boeken, maar De Clercq is er moeilijk meer toe te brengen. Hij heeft slechts gedachten en woorden voor de dingen die zijn hart beroeren, de vragen waarmede hij zijn hart bereidt. Zijn vrienden begrepen dit niet altijd. Beets allerminst. Later werd het hem duidelijk; De Clercq bereidde zich zonder het te weten voor op de grote ontmoeting met zijn Heer en Koning. Hij was bezig zich inwendig te bereiden om zijn Koning te ontvangen.

Al dieper boog hij, al armer wenste hij zijn hart, steeds minder krachtig ging zijn leven naar buiten. Steeds dieper en ingewikkelder werd het onderzoek van eigen leven.

Later wist Beets er wel van te zingen:

“Wij hebben onder de eikenbomen
Wij hebben in de lindenschaûw
Wel menigmaal de klacht vernomen
Dier ziele, die naar boven woû;
Wij zagen 't smachten van dat harte,
Het worst'len van die tere ziel
En menig' ondoorstrijdbre smarte,
Die loodzwaar op haar nederviel.
Wij zagen 't; onze boezem treurde
Maar onze kleinheid merkte niet,
Dat God haar zwakke windsels scheurde
Dat God haar vleuglen wassen liet.”

We hebben u thans de voornaamste invloeden getekend die op De Clercq hebben gewerkt. Hadden we niet gelijk toen we zeiden dat zijn geschiedenis een hartsgeschiedenis is? Al de richtingen die uit het Réveil zijn opgekomen hebben op hem hun invloed doen gelden en hier zien we voor ons een oprecht gemoed, dat geen partijmens wil worden, maar ze keurt op hun gehalte aan zuiver goud. Hij staat in de branding en lijdt. De anderen laten zich allen voeren door een der stromen.

Omdat De Clercq meer naar binnen leeft en hoe langer hoe minder naar buiten, stonden we nog niet stil bij zijn verhouding tot Groen van Prinsterer. Men mene echter niet dat De Clercq een kluizenaar was. Rijk zijn zijn betrekkingen geweest. Hij was een bekwaam handelsman, stond aan het hoofd van de Nederlandse Handelmaatschappij, werd eenmaal zelfs genoemd voor minister. Maar deze dingen zijn het niet, die hem voor ons belangrijk maken. Met Groen was hij bevriend, maar het was nog in de dagen van Groens opkomst.

Een enkel woord nog over zijn verhouding tot de Afscheiding. Ook deze vroeg zijn aandacht. Hoe kon het anders. We lezen ergens in zijn dagboek, dat een zekere Kaatje12 bij hem geweest is en sprak over grove en fijne Baälspriesters. Precies als in later tijden. Zelf leed hij onder de kerkelijke toestanden. Hij hield zich echter bij de kerk, ofschoon hij in de laatste tijden de godsdienstoefeningen niet meer bezocht. Ook hier weer dezelfde tweestrijd. Geen oplossing, maar strijd en lijden. Over de kinderdoop weifelde hij, tot hij zelf zijn zoon doopte toen het kind ziek was. "Het kind scheen stervende. Daar zaten we toen. Een moeder is dan gezegend. Ze is zo recht waar ze zijn moet, om te helpen en te lijden. Een man zit daar zo ellendig." Nu werd de vraag wegens de kinderdoop plotseling beslist. Hij was van meniste afkomst. Hij doopte zelf het kind. Overal: alles zelf doormaken. Alles strijd en drang des harten. Met zijn zeldzame gave van zichzelf te ontleden heeft De Clercq dit gevoeld en het gezegd: 'Ik ben nog in niets een man. Ik ben een kind. Jegens God een kind te zijn, dat is heerlijk. Maar het zij ook zijn gave om met opzicht tot de mensen als man ontwikkeld te worden." Beminnelijk getuigenis.

De Clercq mist, wat iemand eens genoemd heeft: de gave en de kracht der eenzijdigheid. Hij vreest geduriglijk voor het aangezicht Gods, vreest om iets te worden, bang dat het Gode niet goed zal zijn. Dat verklaart hoe hij zo onder bekoring van Kohlbrugge kon komen. 'Goethe', zo zeiden Da Costa en De Clercq, 'was een heerlijk man, zo er geen God ware.' In een reus als Goethe, behalve nog dat Goethe geen christen was, voelt De Clercq iets godetergends, iets van hemelbestorming en torenbouw. Hij is bang voor torenbouw. (Het is een uitdrukking uit zijn dagboeken). Zelfs in besloten kring, in een zogenaamd gezelschap, zoals men die in de dagen van het Réveil gaarne hield, wordt hij gedrongen tot zelfbeschouwing. En meent, dat het er wel wat op lijkt dat men zich geestelijk gaat ontspannen en vermaken, zoals anderen lichamelijk. Dit hindert hem.

We geven hier tenslotte het woord aan Allard Pierson om zijn indruk te vertolken na de bewerking van De Clercqs dagboek: "De Clercq", zo zegt hij heel eigenaardig, "is een man, die niet moede wordt goed te zijn. In dit hart, van ootmoed vervuld, is alles zuiver en gaaf. Het Evangelie der genade was voor hem gemaakt. Zoveel reinheid kan slechts aantrekkelijk blijven, wanneer wij haar gedurig naast de Magdalena's zien nederknielen aan de voet van het kruis. Met volle nadruk was hij een man van Gods genade.

Was hij verstandig, was hij krachtig? Hij was goed, weergaloos, altijd in eigen oog de minste; de fouten van anderen nog terugbrengende tot zijn eigen, zo dikwerf vermeende, fouten; in het geestelijke altijd struikelende over zichzelf, maar om des te begeriger naar de Vaderhand te grijpen; een christen van de onvervalste stempel: onpraktisch, niet zalig dan in het wenen, in het hongeren, in het dragen van smaadheid, in de armoede van geest. Het 'lijden vervullende' van zijn Heiland, het voor grote vreugde achtende wanneer hij in vele beproevingen viel, zich het liefst een zondaar gevoelende om door goddelijk mededogen getroost, een zwakke om door de goede Herder in zijn armen gedragen te worden.

Een uitzondering in ons redenerend protestantisme, een broeder en geestelijk tijdgenoot van de heiligen der middeleeuwen."

Eindnoten

  1. 1

    De lezing Willem de Clercq dateert waarschijnlijk van voor 1910. Nadere gegevens ontbreken. Zij is in manuscript bewaard gebleven.↩

  2. 2

    O. J. Funcke (1836-1910), Duits predikant, die ook in Nederland bekend werd als schrijver van talrijke stichtelijke werkjes.↩

  3. 3

    W. de Clercq (1795-1844), secretaris en directeur van de Nederlandse Handelmaatschappij, vooral betrokken bij het opzetten van de textielindustrie in Twente.

    Is. da Costa (1798-1860), geboren uit een Portugees-Joods geslacht, werd onder invloed van Bilderdijk in 1822 protestant.

    A.Capadose (1795-1874) was eveneens van Portugees-Joodse afkomst en liet zich tegelijk met Da Costa in 1822 dopen.

    G.Groen van Prinsterer (1801-1876) was de leider van de antirevolutionaire en confessionele richting binnen het Réveil.

    J. de Liefde (1814-1869) was vooral actief als evangelist in Amsterdam.

    H.F. Kohlbrugge (1803-1875) probeerde na zijn schorsing door de hersteld Evangelisch Lutherse Gemeente te Amsterdam vergeefs predikant te worden bij de Nederlandse Hervormde Kerk. Vanaf 1846 tot zijn dood was hij predikant bij een vrije gemeente te Elberfeld, die later de naam 'Niederländisch-Reformierte Gemeinde' aannam.↩

  4. 4

    J. Scharp (1756-1828), hervormd theoloog, vanaf 1789 tot zijn dood (op een korte onderbreking na) predikant te Rotterdam. Zijn preek zonder R is een bewerking van een nogal stijf vertaalde leerrede van Müllner, waarin de letter R niet voorkwam. S. publiceerde deze preek over Hooglied 1 :3: 'Uw naam is een uitgegoten olie' onder de naam J. Welgeslepen.↩

  5. 5

    W. Bilderdijk (1756-1831). Nederlands dichter. Na van 1795-1806 vanwege oranjegezindheid in ballingschap verkeerd te hebben, vestigde hij zich tenslotte in 1817 te Leiden als privaatdocent in de vaderlandse geschiedenis. Daar vond zijn antiliberalisme weerklank bij mensen als Da Costa en Capadose. Hij wordt beschouwd als één der vaders van het Réveil.↩

  6. 6

    H. Tollens (1780-1856), Nederlands dichter, wiens uiterst huiselijke poëzie grote opgang maakte in het - zelfgenoegzame - Nederland van na de Franse tijd.↩

  7. 7

    J. Kinker (1764-1845), Nederlands dichter, taalkundige en filosoof, van 1817-1830 hoogleraar te Luik. Hij behoorde toentertijd tot de weinigen in Nederland die Kant kenden en verdedigden.↩

  8. 8

    C. Loots (1765-1834), Nederlands dichter, die nogal breedsprakig de nieuwe godsdienstige en maatschappelijke ideeën van de Verlichting bezong en aanprees.↩

  9. 9

    A. Pierson (1831-1896), geboren te Amsterdam in een milieu waar de geest van het Réveil heerste. Hij gaf daarvan rekenschap in zijn Oudere tijdgenooten (1882-1886 verschenen in De Gids, later in boekvorm, Amsterdam 19223) en in het door hem uitgegeven Willem de Clercq naar zijn dagboek, 2 dln., Haarlem 18893.

    Hij koos als theoloog principieel voor de moderne theologie, waardoor hij niet alleen brak met zijn jeugd, maar tenslotte door radicalisering van deze keuze ook met het ambt van predikant (1865).

    In 1870 werd hij hoogleraar aan de theologische faculteit van Heidelberg, in 1877 aan de faculteit der letteren van Amsterdam.↩

  10. 10

    John Owen (1616-1683), Engels puriteins theoloog. Hij stond bekend als een prediker van praktisch gerichte vroomheid. Er verschenen van zijn stichtelijke werken diverse vertalingen in het Nederlands en er bestonden in de negentiende eeuw nog kringen van vrienden van Owen in Nederland.↩

  11. 11

    G. J. A. Vos (1836-1912), hervormd kerkhistoricus, vanaf 1875 predikant te Amsterdam, waar hij zich van aanvankelijk medestander van Kuyper ontwikkelde tot diens grote tegenspeler tijdens de Doleantie van 1886. Hij was een volgeling van Groen van Prinsterer en een medestander van Hoedemaker.↩

  12. 12

    N. heeft hier de volgende passage uit Willem de Clercq naar zijn dagboek, dl. 2, p. 178 v. voor ogen staan, waar De Clercq aantekent: "Ik maakte mij in de geest boos op Kaatje Sjonket, die bij mijn vrouw geweest was, zeer uit de hoogte over grove en fijne Baälspriesters had gesproken, en gereed scheen, om uit de Kerk te gaan. Ik dacht, dat ik nu de Scheiding kon dragen en ziet, ik lag daar neder bij de eerste aanval." Pierson commentarieert, dat uit deze aantekening blijkt, dat hoewel Da Costa en De Clercq beide tegen de Afscheiding waren gekant, 'de laatste. . . haar verdediging nog niet goed (kon) lijden'.

    A.w., dl. 2, p. 81 zegt Pierson, dat De Clercq onder andere daarom vroeg opstond om te schrijven aan Kaatje, 'die vroeger bij hem had gediend en reeds toen ijverig theologiseerde'.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← BeslistheidInhoudCatechismusprediking →