Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 55–63

Weergave

Vijftig jaar theologie1

Mij is gevraagd tot u te spreken over vijftig jaar theologie. In een gemengd gezelschap, bestaande uit bijna evenveel Regenboog-zoekers als broeders. Op een zomermiddag, bij een jubileum. Dat is geen eenvoudige taak. Ik moet met al die omstandigheden rekening houden!

Ook nog met andere omstandigheden. Minder toevallig. En daarom nog meer van invloed op wat ik zeggen moet. Ik bedoel dit: theologie als zodanig, als naam voor een leervak en theoloog als naam voor een beroep, heeft door de oorlog een koersdaling ondergaan. Vijfentwintig jaar geleden kwam de vloed opzetten van de Nieuwe Theologie. Nu kan men gerust van een baisse spreken. Er is meer belangstelling voor kerkelijke sociologie dan voor kerkelijke theologie.2 - Nu is dat voor een groot procent maar schijn. Want kerk is geen sociologisch begrip. - Wat kerkelijke sociologie heet is overwegend gewone sociologie. Alles wat de kerk betreft is theologie. Bijbel, dogma, ambt, dat zijn geen sociologische begrippen, maar theologische. Maar goed dan, de belangstelling gaat nu eenmaal sterk uit naar deze zgn. kerkelijke sociologie. En dat doet aan de belangstelling voor de theologie geen goed. Ik vind een kaartsysteem wel goed. Het is een gemak. Maar men mag nooit vergeten, dat God er geen kaartsysteem op na houdt. Anders was de kamerling op zijn weg naar huis niet gedoopt. Want hij stond niet op de kaart. En zo over de hele lijn van de kerkelijke sociologie De herder mag geen herdershond worden.

Daarom toch maar vijftig jaar theologie. Met uw aller toestemming. En... op uw uitdrukkelijk verzoek.

Nu zal ik natuurlijk niet een catalogus oplezen met allerlei boeken, die in die vijftig jaar op dit gebied verschenen zijn. Ik zal ook niet het hele theologische veld in mijn gezichtsveld trekken. Gesteld dat ik het kon, ik zou het niet doen. Beperking is hier allereerst nodig. Ik zal vooral spreken over theologie als systematische theologie. Niet over kerkgeschiedenis, dogmengeschiedenis, godsdienst in Israël, nieuwtestamentische Zeitgeschichte, kerkrecht enz. enz. Systematische theologie. En dan geen ethiek, maar dogmatiek - de leer.

1946, en dan vijftig jaar terug, dat is 1896. Ik was toen al theoloog. Ik had mijn propaedeutisch gedaan. Maar ik maakte door een hoofdoverspanning een lange gedwongen pauze door. Ik had in Leiden, waar ik vandaag over een week het honderd- of honderdvijfjarig jubileum van Quisque hoop mee te vieren,3 Gunning nog horen lezen. De redevoeringen waarmee Gunning jaarlijks zijn colleges opende, waren in werkelijkheid programma's voor de halve eeuw, waarover ik nu vanmiddag moet spreken. Openingscolleges voor de volgende halve eeuw.4

Gunning was er zich van bewust dat de kerk onder het oordeel stond en dat wij middenin de revolutie leefden.a Hij was pessimist, zoals Jeremia, niet zonder hoop, maar realistisch pessimistisch. Zijn ernst was die van een profeet. Een gesloten theologisch systeem had Gunning niet. Hij was prediker-theoloog of liever theoloog-prediker. Zijn hele rijke belezenheid groepeerde zich om een beweeglijk geheel van ideeën: leven, vrijheid, persoonlijkheid, dat niet stabiel was, maar zich naar gelang van de omstandigheden hergroepeerde en dat wilde dienen om het Evangelie te vertolken. Deze laatste periode van Gunnings theologisch denken wordt juist gekenmerkt door een zich keren naar een nieuwere theologische positie.

Ik noemde drie ideeën: leven, vrijheid, persoonlijkheid. Welnu, leven als leidende idee in de negentiende-eeuwse theologie is de draad van Ariadne, waarlangs men zoekt te ontkomen aan de gevangenis van het rationalisme, de dode verstandsbegrippen. Leven is dan zieleleven en tegenover de begrippen plaatst men dan de zielstoestanden. Daarbij komt het aan op de intensiteit van het beleven, niet op de inhoud. 't Komt er op aan dát men gelooft, meer dan op wat men gelooft. 't Is dynamisch geloofsleven. 't Is een romantisch geloofsleven, waarin de belangstelling uitgaat naar de toestanden van de ziel. De hele negentiende eeuw wordt daardoor beheerst, van Schleiermacher tot de Religionspsychologie van James.

Vrijheid. De idee der vrijheid diende in de negentiende eeuw in de theologie om zich ruimte te verschaffen tegenover de natuurcausaliteit, tegen het benauwende determinisme van de natuurwetenschap.

Persoonlijkheid.5 Bij de idee der persoonlijkheid treedt een nieuw element op. Daarmee zoekt men niet alleen vrijheid te handhaven tegenover de natuurcausaliteit, maar ook tegenover de zielscausaliteit. De persoonlijkheid stelt orde op in zijn eigen zieleleven en worstelt zich daaruit omhoog tot een vaste blijvende figuur. Er komt in het zieleleven orde en wet: het wordt minder romantisch. Maar de persoonlijkheid is haar eigen wet. Het is een onzondig principe in het natuurlijke zieleleven.

Met deze drie ideeën, die in deze zin aan de bijbel vreemd zijn en die uit het Duitse idealisme stammen, zocht men zich in de theologie te weren tegen het naturalisme. De laatste periode van Gunning is meer daardoor gekenmerkt, dat hij daarboven zoekt uit te gaan. Het gaat hem dan niet om datgene wat waarde voor ons heeft, maar om wat voor ons geldt. Niet om wat wij zijn, maar om wat wij niet zijn.6 Datgene wat waarde voor ons heeft is in zekere zin een stuk van onszelf. Het is goed voor ons oog, ons oor, onze tong, onze ziel, onze persoon. Datgene wat geldt is goed voor God en daardoor ook voor ons. Het kan voor ons een offer zijn om Gods wil te laten gelden. Voor ons is het dan alles goed voorzover de nieuwe mens daardoor wordt opgewekt. Natuurlijk wist Gunning dat ook vroeger wel. Maar in zijn laatste periode gaf het vorm aan zijn theologie. En daarmee wendde hij zich van de negentiende eeuw, van de ideeën leven en vrijheid en persoonlijkheid af. Van natuur en historie naar bijbel en kerk.

Met een enkel woord, als tussen haakjes, zij gezegd, dat de moderne theologie zich bij en n a de eeuwwisseling ook, op haar manier, van de aarde naar de hemel zocht te keren. Van natuur en historie7 naar een hogere openbaringsvorm. De Radicale School laat de historische Jezus los voor de symbolische Christusvorm.8 Loman, Van Manen,9 Van den Bergh van Eysinga. Het positivisme werd verlaten. De behoefte aan metafysica duidelijk uitgesproken. De Bussy en Groenewegen:10 metafysica. Bruining in het voetspoor van Eucken, tegen Hoekstra (ethisch-modern). De Graaf met Heymans, een sublimering van de negentiende eeuw in psychisch monisme.

Wij laten deze linkse ontwikkeling verder rusten.

Met De la Saussaye,11 de opvolger van Gunning zal ik mij ook niet bezighouden. Hij is volgens eigen getuigenis meer essayist dan theoloog.b Toch heeft hij op Roessingh en andere rechts-modernen invloed gehad. Hij heeft hen kritisch gestemd tegenover het negentiende-eeuwse naturalisme en psychologisme. Op fijne wijze deed Van Dijk in Groningen hetzelfde.12

Systematische theologie werd er, althans in onze kerk, bijna niet bedreven. Men liet dit over aan de Vrije Universiteit. Het waren meer, zoals Barth het later zou noemen: Randbemerkungen.c Ik zal op deze periode niet in bijzonderheden ingaan, omdat ik op twee theologieën nog meer in bijzonderheden wil ingaan: de dialectische theologie en de theologie van Gemeenteopbouw. En in de tweede plaats, omdat de vorm van deze theologie, voorzover zij niet incidenteel, maar min of meer systematisch is, filosofisch van aard is. Het is een gevarieerd kantianisme van verschillende allure, waarin een aanloop gemaakt wordt om voorgoed boven naturalisme en psychologisme uit te komen. En aan de andere kant een hoger irrationalisme, dat het irrationele niet in de natuur of de ziel, maar in de geest zelf zoekt. Hier is Kierkegaard de grote naam. Voor deze periode is gemeenschappelijk dat men boven de ervaring, boven de zielsprocessen, boven de historie een geldend gezichtspunt zoekt, dat de ervaring pas mogelijk maakt. Niet meer 'ohne Phosphor kein Gedanke',d maar zonder autoriteit geen denken. De goddelijke Logos die de rede omvat. Goddelijk licht dat het verstand bestraalt. Zuivere zakelijkheid van het geloof. Religieus apriori. Structuurpsychologie. Neokantianisme.14 Marburgerschool. 't Supra-historische.15 Het geheel voor de delen. Zoals gezegd kan ik hier niet verder bij stilstaan.

Bepaalde resultaten heeft dat in ons land voor de prediking en de theologie niet opgeleverd. 't Zij dan dat Kierkegaard wat invloed had op De la Saussaye, de beide Jonkers16 en anderen. Een eigen standpunt nam Aalders in met een ietwat aan de anglicanen verwant incarnationalisme. Kohnstamm met een weer iets aan de natuurwetenschap georiënteerd personalisme.

Maar wat ons meer moet bezighouden is de dialectische theologie, waarin de theologie in oppositie gaat tegen de hele negentiende eeuw. Tegen naturalisme, psychologisme, historisme. En waarbij bij de kenbronnen voor de Godskennis, natuur, historie, bijbel en kerk, op de beide laatste de nadruk wordt gelegd. De dialectische theologie is daarom zo radicaal geweest, doordat zij in zekere zin schoon schip maakt. Tegenover de hele negentiende eeuw die meende dat God geheel kenbaar was, omdat wij met onze hele ziel en de wereld met haar hele historie konden aanvoelen wie Hij was, sprak deze theologie van de onbekende God. God moest zich openbaren, anders wisten wij niets van Hem. En in haar reactie tegen de negentiende eeuw schakelde zij natuur en historie uit en trok zich terug op Oud en Nieuw Testament. En in de tweede plaats wilde deze theologie niet blij ven hangen in een wijsbegeerte van de Geest, van de zin; niet de Logos als rede, maar als Woord; als gegeven Logos het Woord. Daarom trok zij zich sterk op de prediking terug. Tot op zekere hoogte als Herrmann: Als ik preken kon als F. W. Robertson17 of H. Hoffmann18 dan zou ik ophouden theoloog te zijn.e

Inderdaad is de dialectische theologie een manier van preken. Geen theologie heeft bij mijn weten zo de wijze van preken beïnvloed. De filosofie is er zoveel mogelijk uit. Consequent moet het zijn een ten gehore brengen van de bijbelse woorden, zoals de preek toch ook doet. Deze theologie gaat niet uit van de kennisleer, die in de negentiende eeuw als principiënleer de halve dogmatiek vulde, maar gaat uit van de exegese van gegeven woorden Gods. Daarom draagt zij ook geen schools, maar een kerkelijk karakter. Dreef de moderne theologie en prediking haar meest consequente woordvoerders als Busken Huet en Pierson uit de kerk en ook haar eigen leken, de dialectische theologie wekte nieuw kerkelijk bewustzijn. En in de kerk moest natuurlijk het Woord Gods uitsluitend aan alle kanten van de overwoekeringen van de filosofie worden vrijgemaakt. Alles wat het geloof aankleeft als het uit de zondige werkelijkheid zich naar Gods Woord uitstrekt, moet worden achtergelaten. Alle bijverschijnselen van de ziel, de angst, de boete, ook de gehoorzaamheid, alles wat op welke manier ook nog werk kan heten. Het hele ethische veld wordt leeg. Geen behoefte, geen. Ook geestelijk, speculatief. Alle ideeën, die ons tot God kunnen leiden, ook de ledigste idee, het apriori, ook het religieuze apriori. Het Woord brengt alles mee, ook zijn eigen apriori.

Theologie is dan ook geen wetenschap in de zin van andere wetenschappen die algemeen geldig zijn. Wat het Woord Gods inhoudt kan alleen verstaan worden, als het vorm heeft aangenomen in het geloof. Wat zonde is, genade, Jezus Christus, verzoening, verlossing, predestinatie, Heilige Geest, dat wordt in het geloof geopenbaard als bij bliksemlicht. Het is een verschijning van Jezus, die ook weer wegkomt uit de ogen. Maar het doet iets. Het schept die nieuwe mens in het ledige ethische veld. Alles wat de dogmatiek dan doet aanzwellen tot dikke boeken, dat moet er dus uit. De natuurlijke theologie; de filosofische kennisleer; de godsdienstpsychologie en de metafysische speculatie. Want wat het Woord meebrengt, dat krijgt zijn gestalte alleen in het geloof. En het geloof is een daad van de nieuwe mens, die tot God geschapen is.

Barths dogmatiek wordt zo dik omdat er nog meer arbeid nodig is om de geloofsleer weer te zuiveren van de vele inkruipsels dan om ze er in te brengen. Kritische dogmatiek.

Wat de dingen die de theologie behandelt dus zijn, dat komt van Gods kant. Het zijn openbaringen van wat verborgen was. En het bedoelt aan onze kant wakker te roepen het geloof, de eerste ademtocht van de nieuwe mens. Gods Woord geldt dus voor iemand die er nog niet is en in zoverre is het Woord Gods scheppend. Het is niet een zaak tussen God en mens. Geen twee delen van een verbond. Maar God alleen en het geloof alleen.

Deze positie is een limiet. Ze kan slechts benaderd worden.19 Maar zij reinigt de theologie tot op zekere hoogte van de afgoderij van het heidendom, van de beeldendienst, van de dingen die het geloof uit onze zondige natuur zelf meebrengt, ook al zijn ze nog zo vroom. En zij geeft houvast in tijden waarin het ethische veld wanhopig leeg is.

Men zou er zich over kunnen verwonderen dat deze theologie in de latere periode een soort 'politieke theologie' geworden is. Men zou dat kunnen verklaren uit de tijdsomstandigheden. Hierdoor bijv. dat de dialectische theologie zich zag geplaatst tegenover een andere godsdienstvorm en modern mohammedanisme, waarin juist de aardse gebondenheid, bloed en bodem, op de voorgrond werd gesteld, en waarbij de voorzienigheid Gods, een soort fatum, het grote leerstuk was. Dit is echter slechts de aanleiding en niet de oorzaak. Het zou ook zonder die aanleiding gebeurd zijn. Ook het calvinisme was reeds een politieke religie. Juist wanneer het Woord Gods als een scheppend beginsel wordt geloofd, dat de oude en de nieuwe mens scheidt, is daarmee de revolutie, niettegenstaande alle antirevolutionairen en christelijk-historischen, op aarde losgelaten.

De dialectische theologie is progressief. Haar conservatieve houding is slechts schijn. Voor haar is God 'actus purus', zuivere handeling. Daarbij moet echter een ding in het oog gehouden worden. De bijbelse revolutie is gespreide revolutie. Zoals de schepping zelf, over zes dagen of zes tijdperken en zes gebieden verspreid. Het nieuwe komt op uit gave zaden. De logos spermatikos. Uit charismata die God uitdeelt.

Zo voltrekt zich de actie die van Gods Woord uitgaat niet planmatig, niet volgens een program, maar incidenteel, naar Gods wil en genade. Zij vindt pinkstermatig plaats. Door verdeelde tongen in menigerlei talen. Zij wordt in de eerste christelijke gemeente in de charismata openbaar, de genadegaven. Deze revolutie heeft het weldadige van een regen. Terwijl de opzettelijke planmatige revolutie de aard van een verterend vuur vertoont. De werking die de gereformeerde kerkhervorming heeft uitgeoefend, draagt dan ook de sporen van zulk een charismatische, zegenrijke werking. De uitroeiing van de Hugenoten was de dieperliggende oorzaak van de Franse revolutie. De Engelse revolutie onder Willem III maakte haar voor dat land onnodig. De invloed van het geloof aan Gods openbaring deed zich in de calvinistische landen gevoelen in een brede en gedifferentieerde verbreiding van heilzame gevolgen ook voor het politieke en sociale leven. Dit is echter alleen mogelijk als, zoals Calvijn het wil, de christen 'schildwacht der eeuwigheid'f blijft. Daarom wil mij de tegenwoordige leuze 'trouw aan de aard'20 niet bevallen. De kerk moet op God letten. En in die houding plaatst ook de dialectische theologie de mens. Alleen in die zin mag zij 'politische Theologie' heten.g

Wij zijn nu na de oorlog en wij moeten de laatste fase der theologie bezien.

De theologie van Gemeenteopbouw wordt door dr. Kraemer zo langzamerhand enigszins uit de doeken gedaan.21 Wij kenden haar ook uit z'n The Christian Message. Kraemers bijbels realisme, zoals hij het noemt, wordt daar bepaald tegenover de wereldgodsdiensten. En in zijn latere publikaties tegenover ons eigen Credo.h Wij worden ons er nu meer van bewust.

Nu is Kraemers bijbels realisme natuurlijk als zodanig wel belangrijk en ook om de missionaire hoek, waaronder het gezien moet worden, weer nieuw. Maar het heeft toch meer betekenis in zijn grote boek over de christelijke boodschap aan de heidenen dan voor het gesprek ten onzent. Tegenover de naturalistische concepties van de godsdiensten die geen historische openbaring kennen. Dit realisme is zeer verwant aan het criticisme van de dialectische theologie. Alleen waagt het zich niet zo dicht aan de limiet en kan het daarom een gematigd criticisme heten. Daarom vat het de mens ook meer empirisch op en laat het hem minder op de drempel der eeuwigheid. Daarom ook is het concreet ethischer en in die zin realistischer en komt het theologisch in de buurt van De la Saussaye. De praktische gevolgen zijn echter belangrijker.

Het geloof krijgt bij Kraemer de naam van geloofsgehoorzaamheid. Begin en einde van de brief aan de Romeinen en Handelingen 6 : 7. 't Is daar aannemen van 't christendom. Het verschil met geloof is juist, dat de christen in het geloof ontstaat. Dit is kritisch. Bij geloofsgehoorzaamheid wordt de christen als reeds bestaande verondersteld. De verhouding is ethisch. En dan ethisch in zeer bijzondere zin. Kraemer vat de geloofsleer realistisch-ethisch samen in de liturgische uitroep: 'Jezus is Heer'.i Dit herinnert aan Herrmann, die het toepaste op het persoonlijke geloofsleven. Herrmann beriep zich weer op Robertson, de bekende Engelse prediker die samenvatte: To hail the King! Robertson, de soldatenhouding.j Inderdaad is dit ook wat Kraemer kenmerkt. In het uitroepen van Jezus als Heer ligt een marsorder opgesloten. En er is nauw verband tussen het doen herleven van deze liturgische oud-christelijke uitroep en het in gebruik nemen van het zendingswoord 'geloofsgehoorzaamheid'. Kraemer doet een beroep op de verschuiving in positie van kerk en theologie. Bij de Reformatie ging het om de rechtvaardigmaking door het geloof. Nu om de heerschappij van Jezus Christus over de wereld.k Ik erken het bestaan van zulke verschuivingen, maar er bestaat gevaar voor extremisme. Wederdopers, de Geest. Nu: Jezus, de Heer, met achterstelling van Vader en Geest. De kerk een diensthuis. Het Evangelie een commando. Naast 'Jezus is Heer' staan het 'Abba Vader' en 'Veni, Creator Spiritus'. Een Jezuskerk is te sentimenteel (Zinzendorf). Of te militaristisch (Loyola). Te planmatig, te centraliserend, te politiek.

Jezus ontliep de pogingen om Hem koning te maken. Hij is het hoofd der kerk. De kerk kan, bij eenzijdig doorvoeren hiervan, op een dood spoor komen. De klassieken en de Schrift: de Vader. Donatisten en kerk: de Geest, katholiciteit. Te scherper bij Jezus en het zwaard der overheid. De militia Christi is als eenzijdig beginsel niet nieuwtestamentisch. Het 'soldaat van Jezus Christus' komt maar eenmaal voor (2 Tim. 2 : 3). Veel vaker dan krijgsknecht komt knecht, slaaf voor. Maar dan ook Vader en Geest. Wel Efesiërs 6, maar niet centraal. Centraal is het kindschap Gods. Paulus en de mysteriën. De ingewijde is soldaat Gods, met geestelijke wapenrusting en door een krijgseed (sacramenten) gebonden. De militia Christi drukt de verhouding niet uit evenmin als de slavernij. De gelovigen zijn kinderen, vrijen.

De Islam is de soldaten-religie. Verwerpt de Triniteit heftig. Gesloten godsbegrip en absolute geloofsgehoorzaamheid.

'Jezus, de Heer' is liturgische vondst. Niet langs de heerweg der kerk tot ons gekomen.

De gereformeerde protestant kent vereenvoudiging, het dynamische in de leer. Constructie der Triniteit in de predestinatie, heiliging. Politieke religie. Toch is in de calvinistische wereld een afkeer van de soldateske levenshouding. Een begeerte naar vrijheid, kinderlijke staat. De Amerikaanse soldaten toonden afkeer van politieke training. De sfeer des levens is in de calvinistische wereld bepaald door trinitarische spreiding en hoezeer de heiligingsleer soms ook voert tot een christelijk activisme, toch moet men als calvinist altijd op z'n hoede zijn voor unitarisme en activisme.

De hervormde kerken hebben opzettelijk hun kerkorden zo sober mogelijk gehouden. Na iedere synode spreidde de kerk zich als 't ware trinitarisch. Zij nam de legervorm niet aan. Er was geen dienstplicht. Men was kind aan huis. De sacramenten bleven in de kerk. Het Woord ging ook in de huizen. Een groot deel van 't leven lag in de gemeentelijke sfeer; men leefde eigenlijk in de kerk, meer dan in de staat. Maar men werd niet gemobiliseerd. Het huiselijk en maatschappelijk leven behield eigen soevereiniteit.

De activiteit kon zich spreiden onder de straling van Gods trinitarische goedheid op elk gegeven punt.22 De theocratie van Calvijn bleef sacramenteel en paradigmatisch.

De klompenregimenten van Cromwell hebben geprobeerd haar politiek en maatschappelijk door te zetten. Maar zij moesten zich daartoe op het oude Testament beroepen.

Het Heilsleger heeft wel onder Jezus de legervorm aangenomen, maar het gaf de sacramenten prijs, de kenmerken van een kerk.

In een orde kan de betrekking tot God eenzijdiger als Jezusdienst genomen en minder trinitarisch zijn. En de spanning der gehoorzaamheid hoger worden opgevoerd, met het oog op een bepaald doel. De orde van Jezus in de roomse kerk is er het wereldbefaamde voorbeeld van. Zij werd daarbij soms een gevaar voor de kerk zelve. Wat de kerk verboden is, kan de orde gegund zijn. De kerk heeft de trinitarische openheid te bewaren en haar lidmaatschap blijft uitgedrukt door het kindschap, en niet door de militia Christi.

Ik ben aan het einde van mijn beschouwend overzicht. Wanneer wij de vijftig jaren dan in vogelvlucht overzien, dan is het theologisch geweldig te noemen. Theologie en kerk zijn in die halve eeuw uit het naturalisme opgestaan. De theologie is ontwaakt uit haar psychologistische dromen. Zij heeft weer geleerd van het Woord uit te gaan. En zij is weer een praktische wetenschap geworden. Nu moet zij er op letten welke praktijk daaronder te verstaan is.

Voetnoten

  1. a

    J.H.Gunning, Werkelijkheid van den godsdienst. Een woord ter opening van den universitairen cursus van 1890/91, Nijmegen 1890, p. 27.↩

  2. b

    Zie in dit deel, p. 102, noot d.↩

  3. c

    K.Barth, Das Wort Gottes und die Theologie, München 1924, p. 99 v. Vgl. ook Barth, Die Lehre vom Worte Gottes. Prolegomena zur christlichen Dogmatik, München 1927, p. VIII.↩

  4. d

    Uitdrukking van J. Moleschott.13 Zie diens Lehre der Nahrungsmittel. Für das Volk, Erlangen 18532 p. 120.↩

  5. e

    W. Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott im Anschluss an Luther dargestellt, Stuttgart en Berlijn 19085/6, p. 90.↩

  6. f

    Inst. III, 9, 4.↩

  7. g

    Dit is ook de strekking van de negentiende lezing van Barths Gifford-lectures, uitgegeven onder de titel Gotteserkenntnis und Gottesdienst nach reformatorischer Lehre. 20 Vorlesungen über das Schottische Bekenntnis von 1560 gehalten an der Universität Aberdeen im Frühjahr 1937 und 1938, z.p. 1938. Vgl. VW., dl. 3, p. 673 v.↩

  8. h

    Zie behalve Kraemers The Christian Message in a non-Christian World, Londen 1938, passim, de bundel van artikelen in De kerk in beweging, 's-Gravenhage 1947, m.n. hfdst. 9, De nood der kerk en hfdst.11, Theologie en het kerkelijk vraagstuk. Antwoord op prof. Haitjema's Academische theologie en bijbels realisme (in Onder eigen Vaandel 17 (1942) nr. 1), waarin K.s bijbels realisme duidelijk uitkomt.↩

  9. i

    Zie bijv. H. Kraemer, De roeping der kerk. Ten aanzien van de wereld en van het Nederlandsche volk, 's-Gravenhage 1945, p. 89 vv.↩

  10. j

    Herrmann, Der Verkehr, p. 88. Vgl. S. A. Brooke en F. Arnold, Fr. W. Robertson. Sein Lebensbild in Briefen, Gotha 1888, p. 71: "In der persönlichen Liebe und Anbetung Christi besteht die christliche Religion, ... in der Huldigung des Königs."↩

  11. k

    Kraemer, De roeping der kerk, p. 79.↩

Eindnoten

  1. 1

    Waarschijnlijk hield N. zijn lezing Vijftig jaar theologie op 12 juni 1946 te Warnsveld bij Zutphen. Deze datum werd bepaald op grond van N.'mededeling in deze voordracht,.dat hij 'vandaag over een week het honderd- of honderdvijfjarig jubileum van Quisque hoopt mee te vieren' (zie noot 3). De lezing (in manuscript voorhanden) werd gehouden bij een jubileum van het zgn. Regenboog-gezelschap, een kring van (rechtzinnige) predikanten in de ring Zutphen, ontstaan uit de behoefte aan collegiale omgang en gezamenlijke studie. Het gezelschap werd opgericht op 11 juli 1894 te Laren (Gld.) door de predikanten J.H.Antink, G. F. Haspels, A. J. Roozemeijer, H. U. Thoden van Velzen S.Kzn., J. J. Sanders, P. J. Steenbeek en H. Jonker. N. was lid tijdens zijn predikantsjaren te Laren.

    In het archief-Noordmans bevindt zich een (ongepubliceerd) openingswoord, dat N. hield bij het veertigjarig jubileum van het gezelschap in 1934 (356e vergadering!). Daarin geeft N. een schets van de geschiedenis van het Regenboog-gezelschap en zegt hij over de zeven initiatiefnemers: 'Uit de samenvoeging van hun kleuren ontstond de Regenboog.' Het gezelschap komt - onder ietwat gewijzigde formule - nog steeds bijeen.↩

  2. 2

    De belangstelling voor kerkelijke sociologie ontstond in de jaren na de Eerste Wereldoorlog, vooral door de toenemende secularisatie. In 1933 verscheen de dissertatie van J. P.Kruyt, De onkerkelijkheid in Nederland. Haar verbreiding en oorzaken; in 1936 publiceerde W. Banning zijn studie Theologie en sociologie. Een terreinverkenning en inleiding. De laatste werd in april 1946 buitengewoon hoogleraar in de kerkelijke sociologie te Leiden. Het jaar daarvoor hadden Banning en Kruyt de stoot gegeven tot de oprichting van het Sociologisch Instituut van de Ned. Herv. Kerk.↩

  3. 3

    'Quisque Suis Viribus', het oudste nog bestaande theologische dispuut van Nederland te Leiden, vierde op 19 juni 1946 zijn - in 1941 uitgestelde - eeuwfeestviering, welke samenviel met de viering van het 21e lustrum. N. was lid in zijn studententijd te Leiden en erelid sinds 18 februari 1948. Dat N. inderdaad de bovengenoemde viering heeft bijgewoond, blijkt uit de notulen van Quisque: 'Broeder Noordmans vertelt over Quisque in the naughty nincties.'↩

  4. 4

    Zie voor het volgende fragment over Gunning het uitvoerige Gunning-corpus in VW., dl. 3, p. 342-504, m. n. N.' opstel Ontwikkeling en toekomst van de ethische theologie, p. 435-481.↩

  5. 5

    Terzijde: Kohnstamm.↩

  6. 6

    Terzijde: Oordeel: volmaaktheid niet trapsgewijs (zinspeling op Gunnings Wordt volmaaktheid trapsgewijze bereikt? Een woord ter opening der lessen over de zedenleer (1892/93), Nijmegen 1892).↩

  7. 7

    Terzijde: Historisch-kritisch.↩

  8. 8

    Terzijde: Historie - metafysica.↩

  9. 9

    Zie voor Van Manen VW., dl. 2, p. 14, noot 3.↩

  10. 10

    H. IJ. Groenewegen (1862-1930), remonstrants theoloog, vanaf 1902 hoogleraar te Leiden, vanaf 1916 te Amsterdam. In zijn De theologie en hare wijsbegeerte (1904) vatte hij het geloof op als een 'metafysica des gemoeds'. Later werd hij aanhanger van Fechner en diens parallellistisch monisme. G. introduceerde Otto's Das Heilige (1917) in ons land.↩

  11. 11

    Zie voor P. D. Chantepie de la Saussaye VW., dl. 1, p. 75, noot 15.↩

  12. 12

    Terzijde: Vota academica (zinspeling op Is. van Dijk, Vota academica. Overwegingen en wenschen op het gebied van het hooger onderwijs, in Gezamenlijke geschriften van dr. Is. van Dijk, J. J. Bleeker e.a. eds., dl. 2, Groningen z.j.1, p. 3-211).↩

  13. 13

    J. Moleschott (1822-1893), Nederlands-Italiaans filosoof en fysioloog, aanvankelijk arts, vanaf 1856 hoogleraar in de fysiologie in resp. Zürich, Turijn en Rome. M. was aanhanger van een atheïstisch materialisme en verwierp alle speculatief-idealistische theorieën in de natuurwetenschap, o.a. van Von Liebig. Hij beschouwde de stof met haar eigenschappen kracht en beweging als de enige werkelijkheid en zocht de verklaring van alle verschijnselen, ook van het denken, in een omzetting van de stof. Zijn belangrijkste werk is Der Kreislaufdes Lebens (1852).↩

  14. 14

    Terzijde: Snethlage.↩

  15. 15

    Terzijde: Van Nes.↩

  16. 16

    Zie voor de Jonkers VW., dl. 1, p. 253, noot 8.↩

  17. 17

    Zie voor Robertson VW., dl. 3, p. 433, noot 2.↩

  18. 18

    H. Hoffmann (1821-1899), Duits prediker, vanaf 1854 tot 1895 predikant te Halte a.d. S. Theologisch was H. georiënteerd aan de lutherse orthodoxie en beïnvloed door piëtistische en theosofische bewegingen van zijn tijd. H. muntte uit in een door diep doorleefde vroomheid gekenmerkte prediking. Hij publiceerde een groot aantal verzamelingen van zijn preken, o.a. Sünde und Erlösung (1873) en Eins ist not (1895).↩

  19. 19

    Terzijde: Geest.↩

  20. 20

    N. doelt op het verzet tegen spiritualisering dat na de Tweede Wereldoorlog zich manifesteerde in kerkelijke kringen. De uitdrukking is ontleend aan Nietzsche, Vgl. diens Also sprach Zarathustra: "Ich beschwöre Euch, meine Brüder, bleibt der Erde treu und glaubt denen nicht, welche Euch von üborirdischen Hoffnungen reden! Giftmischer sind es, ob sie es wissen oder nicht." In Friedrich Nietzsche, Werke in drei Bänden, K. Schlechta ed., dl. 2, München 1966, p. 280.↩

  21. 21

    Het nu volgende laatste deel van N.' lezing is heel beknopt geformuleerd. Het lijkt er op dat N. hier voor een deel samenvat wat hij - ongeveer tegelijkertijd - over ditzelfde thema had gepubliceerd in zijn artikel Militia Christi in WNHK. 30 (15.6.1946) nr. 24, opgenomen in Zoeklichten (p. 108-115). In VW., dl. 5, p. 528-535 (nr. 70). Waar de tekst van Militia Christi verheldering biedt bij het hier voorliggende fragment, is annotatie achterwege gebleven.↩

  22. 22

    Terzijde: Reveil.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Het christelijk geloof in de twintigste eeuwInhoudTaak en toekomst →