O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Richteren 7 : 2Suameer (1910-1923)Psalm 112 : 4 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Suameer (1910-1923) · p. 99–102

Ruth 1 : 16 en 17

Maar Ruth zeide: Val mij niet tegen, dat ik u zoude verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult henengaan, zal ik ook henengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden; alzo doe mij de Here, en zo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u!

Ruth 1 : 16 en 17

Het boek Ruth vertelt ons van een hongersnood, die er in het land Israël was gekomen, zodat de mensen niet in 't land konden blijven. - Op eenzelfde manier als in onze dagen Duitse kinderen naar hier komen om gevoed te worden, toog toen een huisgezin uit Israël naar Moab, omdat het daar nog wat beter was. Elimelech, Naomi, Machlon en Chiljon. Dat zijn moeilijke tijden voor een land. En onwillekeurig denken we aan de gebeurtenissen in de hoofdstad van ons land, die deze week plaatshadden. Hoe drijft alles op de voorzienigheid Gods, dat wij zo gerust zijn, de meeste tijd onzes levens. In dat opzicht is er nog meer geloof in de voorzienigheid, dan gij denkt. Alleen maar de recht kinderlijke mens ontbreekt zo vaak. Men laat God zorgen, en denkt verder niet aan Hem.

Elimelech en Naomi waren naar het vreemde land gegaan. De meesten kennen de geschiedenis wel. Machlon en Chiljon stierven, na hun huwelijk met een Moabitische. Elimelech stierf ook. Daarna gaat Naomi, als er weer brood in Israël is, naar haar land terug. Haar schoondochters Orpa en Ruth gaan mede. Deze levenservaringen hebben het leven van Naomi wel verbitterd. Zij is droevig geworden, en haar geest is terneergeslagen. Zij wil dat Orpa en Ruth zullen teruggaan. Het is mij veel bitterder dan u, zegt ze (Ruth 1 : 13). Laten deze schoondochters haar weduwstaat toch niet delen. Het kruis, dat God haar gaf te dragen, laat ze dat alleen dragen. En laten Orpa en Ruth hun jeugdig leven daarmede niet belasten.

Het is een edele houding, die deze Israëlitische vrouw aanneemt. Zij betoont zich een rechte dochter Abrahams. Haar kruis neemt ze op zich met droefheid, maar toch met waardigheid. Voor deze Moabitische vrouwen een voorbeeld van deze dochter uit Gods volk. Haar houding is die van een gelovige, die afstand gedaan heeft van aardse vooruitzichten. En haar schoondochters zullen in haar iets van de heerlijkheid van haar volk gezien hebben. Het kruis, met waardigheid gedragen, maakt steeds diepe indruk op 't mensenhart. En aan Orpa en Ruth zal dit te zien zijn geweest. Het is zo dikwijls dat de één gaarne zijn kruis anderen mededeelt, en niet tevreden is, voor een ander 't ook draagt. Dit is een onchristelijke trek. - Christus draagt het kruis voor de zijnen, juist andersom. Naomi is hier een echte christin. Ik hoorde eens een stervende tot anderen zeggen: Gij moet leven; ik moet sterven.

Voor één van Naomi's schoondochters was het een uitkomst. Zij wilde wel zo: Naomi 't kruis, zij zonder kruis. Dat is niet christelijk. Het omgekeerde is niet christelijk: zich onttrekken aan het kruis. Hoe handig verstaan mensen dat. Hoe vriendelijk kunnen ze dat doen. Hoevele voorwendselen hebben ze daarvoor. Hoe stijf kunnen ze dan op hun stuk staan. Orpa loopt ook heel vriendelijk, met een kus, onder 't kruis vandaan. In dat opzicht heeft Orpa een lelijke kameraad: Judas, die deed dat ook. Want dat is recht Judaswerk, om onder 't kruis afscheid van iemand te nemen, op vriendelijke wijze.

Er is echter ook nog een christin in dit verhaal, en dat is Ruth. Als Naomi zegt: Wel, doe gij ook zo, dan antwoordt Ruth de heerlijke woorden: Val mij niet tegen, dat ik u zoude verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult henengaan, zal ik ook henengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden; alzo doe mij de Here, en zo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u! Dat was een recht christelijk woord. 't Herinnert ons aan Petrus, die zei: Heer, tot wie zullen wij henengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh. 6: 68). Het antwoord van Ruth is een van die heerlijke bijbelwoorden, die elk moet kennen. Er is kracht en sterkte in; geloof en liefde onder 't kruis; licht in de duisternis. Dan worden Gods wegen gerechtvaardigd. Want door dit woord wordt de hele droevige geschiedenis opgeklaard als door een lichtstraal. Hier is het volk Gods te midden van de wederwaardigheden der wereld. Hier wordt betoond de christelijke trouw onder 't kruis.

Onze tijd doet ons wel zien een groot kruis, dat op de wereld ligt. Het is een reuzenkruis. Een ijzeren kruis, en de mensen maken er afbeeldingen van, en reiken die als eretekenen uit. IJzer en bloed, zei de oude Bismarck, daardoor werden de moeilijkheden opgelost. En nu worden wij getroffen door het feit, dat onder dat grote kruis allerwegen zulk een trouw wordt gevonden. Hoe standvastig gaan de scharen in de dood. Uw volk is mijn volk, zeggen ze de een tot de ander. Waar gij zult sterven, zal ik sterven. Vaderlandsliefde. En wat deze ontzettende oorlogsjaren ons ook te leren hebben omtrent de hebzucht en 't materialisme, ze tonen ons toch ook dat trouw en toewijding niet geweken zijn uit 't mensenhart. Dat grote kruis, dat wereldkruis, dat is daarom nog niet 't christelijk kruis. - Ik heb nog niemand horen zeggen dat deze grote legers het kruis van Christus dragen, om het ten overwinning te leiden.

Waar wordt dat kruis van Christus dan gevonden en gedragen? Waar wordt die trouw geoefend? Gemeente, daartoe is telkens en steeds en vernieuwd gelegenheid. Jezus heeft het ons telkens gewezen, waar men Hem vinden kan en zijn gemeenschap oefenen. Wanneer wij in verlegenheid zijn Hem te vinden, dan behoeft dat niet. Het leven is vol van zulke gevallen, als waarin Ruth en Orpa kwamen, waarin Judas en Petrus kwamen. Waarin de vraag komt: Zullen wij blijven of heengaan? Belijden of verloochenen? Zullen wij het kruis op ons nemen of het verloochenen? Zullen wij hem of haar niet kennen, of met hen staan?

Het zelfde volle antwoord heeft Christus zelf gegeven. Toen het erop aankwam of Hij met de zondaren zou staan, heeft Hij trouw betoond. Hij is niet teruggeschrokken, maar heeft ons kruis gedragen, onze zonde verzoend. Wij hebben allen zulk een metgezel, die het antwoord van Ruth geeft. Het is alles in Jezus' mond: Val mij niet tegen, dat ik u zoude verlaten, om van u weder te keren; want waar gij zult henengaan, zal ik ook henengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden. Alleen maar, de dood maakt ook hier geen scheiding. Christus is de trouwe metgezel des levens. Wie deze trouw ervaart, wordt met Hem één, en wordt ook Hem getrouw. Wat baat het in het land van de overvloed zonder God te leven? De christelijke roeping is heerlijk. Zij opent uitzicht, achter de duisternis. Ruth is in de stamlijn van Christus gekomen.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Richteren 7 : 2Suameer (1910-1923)Psalm 112 : 4 →