O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Handelingen 28 : 15Suameer (1910-1923)1 Korinthiërs 15 : 10b →

Verzamelde Werken, deel 7 · Suameer (1910-1923) · p. 155–156

Romeinen 6: 9a

Wetende dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft.

Romeinen 6: 9a

Christus' opstanding hebben wij op Pasen herdacht. Dit feit laten we nu echter niet staan, maar onze catechismus, die hedenmiddag eigenlijk aan de beurt was, vraagt: Wat nut ons de opstanding van Christus? En dat moeten wij ook telkens vragen.

Het staat met de feiten uit de bijbel die wij geloven, weer anders dan met gewone gebeurtenissen. Jezus' dood en opstanding moeten worden ingeweven in ons geestelijk leven. Zij mogen niet alleen niet vergeten worden, maar het mag daarop ook niet gelijken. Zij mogen niet verouderen, maar behoren steeds tegenwoordig te zijn, zodat Jezus' dood en opstanding ook een stuk van ons leven wordt, of liever: ons leven een aanhangsel van Jezus' dood en opstanding. Dan is Hij de tweede Adam en wij leven uit Hem. De Heer is de Geest, zegt de apostel (2 Kor. 3 : 17). Hij heeft niet zulk een afzonderlijk bestaan als Paulus, gij en ik, maar Hij leeft in anderen en deelt zich aan hen mede. Zijn wezen en z'n lust is met en voor anderen te bestaan, terwijl het vlees zichzelf zoekt en anderen op een afstand houdt.

Wanneer Christus is opgestaan, dan wil dat niet alleen zeggen dat er vroeger een wonder gebeurd is, maar dat nu ook alles anders is. De mensen moeten nu heel anders over de dood denken, en zij kunnen nu een heel ander leven hebben, want de Geest is uitgestort. De apostel wil dit z'n lezers recht doen gevoelen. Wetende dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft. Nu, dat wisten natuurlijk de lezers van de brief ook wel. Maar het is om hen er recht bij te bepalen, dat met Jezus' opstanding iets geheel nieuws begint. De bedoeling van de apostel is om z'n lezers ertoe te brengen, dat ze zullen inzien, dat hun leven nu ook iets geheel anders moet wezen. Daarom legt hij sterke nadruk erop, dat Christus nu niet meer sterft. Bij Hem is het voorgoed uit met de heerschappij van de dood. Tijdelijk is Hij daaraan onderworpen geweest, slechts een korte tijd. Nu heeft het rijk des doods voor Hem uit.

Wanneer wij nu naar Paulus' toepassing vragen, dan ligt die in vers 11: Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onze Heer.

Wat het kruis is van vele mensen, dat is dat ze de dood voor zich hebben. Dat drukt hen neer. Het maakt hen angstig en zenuwachtig. Hun belangstelling verflauwt met de jaren, want de dood komt toch. Ze klemmen zich aan de wereld vast, als een matroos aan de mast. Dat is geen geestelijk, maar echt aards leven, en zulk een leven is aan Christus nog niet aangesloten.

En toch kan men zich van de dood ook niet afmaken. Hij zit in onze leden en hij heeft macht over ons. Er is maar één wijze, waarop wij van de schrik des doods af kunnen komen. Wij moeten de dood niet uitstellen, niet bang van hem zijn. Het gaat ermee als met de duivel. Wederstaat de boze en hij zal van u vlieden (Jak. 4 : 7). Zo moet ook de dood wederstaan worden. In het vlees is dat onmogelijk. Vleselijk, verkocht onder de zonde (Rom. 7: 14), leeft een mens z'n dagen uit en gaat schromend de dood tegemoet.

Maar de Heer is de Geest. En wie in Hem leeft, is der zonde gestorven en leeft Gode (Rom. 6 : 10 v.). In de Here leven, dat is anders. Dan moet gij dadelijk sterven. Maar dan krijgen wij de dood ook achter ons. Dat is het wonder, dat het kruis verricht. Maar daaraan is verbonden het wonder der opstanding. Dan geldt het: wetende dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Handelingen 28 : 15Suameer (1910-1923)1 Korinthiërs 15 : 10b →