O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Ruth 1 : 16 en 17Suameer (1910-1923)Prediker 1 : 9 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Suameer (1910-1923) · p. 102–105

Psalm 112 : 4

Den oprechten gaat het licht op in de duisternis. Hij is genadig en barmhartig en rechtvaardig.

Psalm 112 : 4

Psalm 112 is een kunstig lied. Iedere regel in het Hebreeuws begint met een letter van het ABC; van A tot Z, zoals wij dat noemen. In onze bijbel kan men dat niet meer zien, omdat de Psalm uit het Hebreeuws is vertaald; maar dat betreft ook slechts het uitwendige.

Psalm 112, en dat kan ieder die het leest opmerken, bezingt het leven van de godvruchtige. Eerst, in Psalm 111, is de Godsregering geprezen: Ik zal de Here loven van ganser harte in de raad en de vergadering der oprechten. De werken des Heren zijn groot. Zij worden gezocht van degenen die er lust in hebben (Ps. 111 : 1 v.). Dan wordt bezongen hoe Gods doen majesteit is; hoe Hij zijn wonderen een gedachtenis gemaakt heeft. Die Hem vrezen geeft Hij spijs; Hij gedenkt in eeuwigheid aan zijn verbond (Ps. 111 : 3 vv.). - Gij hebt u de Psalm horen lezen. - Daarom aan 't slot: De vreze des Heren is het beginsel der wijsheid; allen die ze doen hebben goed verstand (Ps. 111 : 10). En dan komt Psalm 112 om het leven in de vreze des Heren te beschrijven, de voordelen van de dienst des Allerhoogsten. Tot die schoonheden van de dienst des Heren behoort, dat den oprechten het licht opgaat in de duisternis. Een van de schoonste beelden om ons te beschrijven de ervaringen van des christens reize naar de eeuwigheid. Hem gaat het licht op in de duisternis.

Bunyan heeft dit beeld uitgewerkt op de volgende wijze - in hoofdstuk 10 van de Pelgrimsreize getiteld 'Het dal der schaduwen des doods': Christen moet door die vallei naar de Hemelstad. De vallei is eenzaam en doods. Naar Jeremia's woord: een woestijn, een land van wildernissen en kuilen, een land van dorheid en schaduwen des doods, een land waar niemand doorgaat en waar geen mens woont (Jer. 2: 6). Niemand gaat erdoor dan de Christen. Alleen. En wij huiveren als we eraan denken. Door deze vallei te gaan is erger dan een moeilijke strijd te voeren.

Als Christen de grenzen van de schaduwen bereikt heeft, ontmoeten hem twee mannen, die hem toeroepen: 'Terug!' Op z'n vraag 'Waarom?' antwoorden zij dat zij nog te juister tijd het gevaar hebben ontdekt. Nu ontvluchten zij het. Christen gaat voorwaarts. Als hij verder gaat ziet hij de gracht der blinde leidslieden, en het moeras van koning David. Het pad is angstig smal. In het midden der vallei is de ingang tot het dodenrijk, waaruit vlammen en rook spuwen. Het zwaard kon hem niet baten. Alleen aanhoudend gebed: 'Och Heer, bevrijd mijn ziel' (Ps. 116 : 4). Uren achtereen duurt dit gezicht en de gedachte aan terugkeer dringt zich machtig op. Dreigende onzichtbare vijanden willen hem daartoe nopen. Wat hem het ergste pijnigt, is dat ook z'n innerlijk schijnt samen te zweren met de vijandige duistere machten. Hij onderscheidt de duisternis buiten en binnen niet duidelijk meer. Chaos.

Maar daar hoort hij een stem, al ziet hij niemand: 'Al ging ik in een dal der schaduwen des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij' (Ps. 23 : 4). Nu weet hij dat er meerderen zijn. Allereerst is God met hem, maar ook anderen. Hij roept, maar krijgt geen antwoord. Ook die ander meent alleen te zijn.

Maar dan gaat allengs de dag aanbreken en Christen roept uit: 'Hij heeft de doodsschaduw in de morgenstond veranderd', met Amos (Am. 5 : 8). Hier is christelijke ervaring.

Wij hebben hier uitgewerkt wat in Psalm 112 onder de voorrechten der oprechten geteld wordt. Den oprechten gaat het licht op in de duisternis. Als dat licht over het pad opgaat, dan ziet Christen recht de gevaren en boze machten, wier tegenwoordigheid hij daareven gevoelde. Hij ziet het omziende nog met schrik. Maar het is voorbij. Het zijn stemmen in de verte. Hij kan ze niet meer verwarren met z'n eigen binnenste.

Hij verstaat nu Job 12 : 22: Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwen brengt Hij voort in het licht. Den oprechten gaat het licht op in de duisternis; (genadig, barmhartig, rechtvaardig).

Nog eens: hier is christelijke levenservaring. Verstaat gij ook wat gij leest? (Hand. 8: 30), mag ook de lezer van Psalm 112 wel toegeroepen worden. Hebt gij kennis aan deze levenservaring? Is die u voorgekomen als een der zegeningen, die de oprechte ten deel vallen? Wat duisternis is dat dan, waarover de psalmist spreekt? De Kanttekening verklaart: ellende, droefenis, verdriet. En hoe wonderlijk het nu klinken moge: alleen Gods kind, de pelgrimsreiziger kent deze dingen, dat wil zeggen: kennen.

Dat wordt op treffende wijze bevestigd, als we Psalm 111 en 112 goed lezen. Psalm 111 en 112 lijken veel op elkaar. In Psalm 111 worden Gods deugden opgenoemd, in Psalm 112 de deugden van de oprechte, z'n dienstknecht. Het kind lijkt op de vader. Gods beeld wordt erin gezien. Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk ook uw Vader die in de hemelen is, volmaakt is (Mt. 5: 48). En nu behoort daarbij ook: dat hem het licht opgaat in de duisternis. Illuminatio. Zonder Gods beeld in het hart geen kennis der duisternis. Het Evangelie van Jezus Christus heelt niet alleen de wonden en balsemt de smart. Het schept ook de duisternis, de ellende, de smart. Het opent ongekende diepten des harten, waar het roepen niet alleen van het Woord Gods, maar ook van geestelijke boosheden van diepte tot diepte weerklinkt. Het maakt Satan wakker, werkzaam, weerbaar. Is het niet Jezus Christus zelf geweest, die de diepten der hel heeft geschouwd en de verlatenheid heeft geproefd als niemand anders?

De gelijkenis Gods, wanneer die wakker gaat worden en spreken in trek na trek, die gelijkenis doet de duisternis dezer wereld huiverend doorvoelen. Want het is mogelijk om die duisternis, om zo te zeggen, te ontlopen. Ik herinner u aan de beide mannen, die Christen tegemoet renden uit de vallei der schaduwen des doods. Christen gaat voorwaarts. Velen ontlopen hun eigen ziel en hart. Ze luisteren niet naar het Woord Gods. Zij kennen de wereld niet, al leven ze er tachtig jaar. De diepten gaan in en om hen nooit open. - Wat brood is, verstaan ze. Wat genot is, begrijpen ze. Maar nood of angst der ziel kennen ze niet. Het goddelijke beeld in hen geschapen, is werkeloos. Ze zondigen en hebben geen berouw. Ze gaan onder schande en worden niet schaamrood. Ze worden geslagen en voelen geen smart. Ze hebben een ziel en hongeren en dorsten niet naar de gerechtigheid.

Den oprechten gaat het licht op in de duisternis. Dat zijn, kortweg gezegd, de loutere harten, die nog niet volmaakt zijn, zoals de Vader die in de hemelen is, maar bij wie dat woord van Jezus toch weerklank kan vinden. Harten, die niet rein zijn als het licht dat God bewoont, waar geen duisternis is, maar waar toch een lichtstraal kan binnenvallen om het duister te laten zien en tegelijk te doen opklaren. Wij hebben daarmede het hart in het Evangelie aangeraakt. Deze dingen worden nog duidelijker dan in Psalm 111 en 112 op Golgotha verstaan.

Toen ik eens met iemand sprak over het Evangelie zei hij mij gehoord te hebben dat men mens moet zijn. Ja, mens, ik geloof het ook wel. Maar zeg mij wat is een mens?

Als ge eerst Psalm 111, dan Psalm 112 leest, dan wordt van de mens gesproken bijna met dezelfde woorden als van God. Maar wij kunnen het zo verschillend lezen. Het is zeer goed mogelijk dat de laatste woorden van vers 4: genadig, barmhartig, rechtvaardig, een nadere bepaling zijn van de oprechten. Maar wanneer wij in de Psalm dan tevens lezen: den oprechten gaat het licht op in de duisternis, dan wordt daardoor het geheel bepaald, dat geeft kleur aan de Psalm. Wanneer God dan heet: genadig, barmhartig, rechtvaardig, dan is dat de berg; heet de mens zo, dan is dat het dal. In hem is het een roepen. Hij voelt het als schuld, als gebrek.

In de duisternis gaat den oprechten het licht op. In de vallei der schaduwen des doods gaat de Christen. Hij alleen. - Hij hoort bij het kruis. Bij het: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Mt. 27: 46)? Dat bepaalt z'n karakter, z'n gebed, z'n gedrag. Er zijn misschien in onze dagen vele christenen, men vergeve mij de vergelijking, die men zich evengoed kan voorstellen naast een 42cm-kanon als naast het kruis. Dat wil zeggen: beter. Ze zouden zich daar beter op hun gemak gevoelen dan in de doodsschaduw der zelfkennis. Bij het kruis, daar gaat het licht der goddelijke deugden op. Naar het woord van Petrus: Ge zijt een koninklijk priesterdom, uit de duisternis geroepen tot Gods wonderbaar licht, om Gods deugden te verkondigen (vgl. 1 Petr. 2: 9). Daar begint de stijging des levens. De stralende opgang naar de hoogte. Daar wordt de chaos gescheiden in licht en duisternis. De nieuwe mens wordt geschapen. De trekken van het goddelijke beeld worden ingeprent. Iedere mededeling doet verlangen. Ieder verlangen wordt beantwoord.

Maar hier is strijd. De stroom loopt andersom. Ze hollen de helling des levens af, de velen, de velen op de brede weg en roepen: 'Terug!' Alleen schijnt de weg te moeten worden doorlopen. - Onzichtbare kerk, geloofsartikel. Maar wie zou het kunnen vergoeden, God steeds te hebben voor zich, een stralend licht? En op deze weg (de onzichtbare kerk) gaan de oprechten van ons geslacht. Degenen die naar Jezus niet alleen genoemd zijn, maar die door zijn Geest getrokken worden. Die elke dag hun deugden wegdoen bij het kruis, en elke dag Gods deugden prijzen. Dan straalt dat beeld in hun duisternis. En straks zal ook in het oordeel hun rechtvaardigheid, met de namen der goddelijke deugden, tot hun eigen verwondering ongelezen worden. Verzadigd met zijn goddelijk beeld. Vernieuwd ook naar het evenbeeld desgenen, die hen geschapen heeft (Kol. 3: 10).

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Ruth 1 : 16 en 17Suameer (1910-1923)Prediker 1 : 9 →