Openbaring 21 : 5a
En die op de troon zat, zei: Zie. Ik maak alle dingen nieuw!
Openbaring 21 : 5a
Er bestaat een oude klacht, dat er niets nieuws onder de zon is, dat alles blijft zoals het is. De zon gaat op en onder. De rivieren lopen naar de zee (Pred. 1 : 5, 7, 9). In de natuur gaat dit nog. Erger is de zedelijke gelijkvormigheid. Zoals de zon op- en ondergaat, zo regelmatig komen de boosheden en gebreken der mensen terug; regelmatig, zoals het water door een rivier loopt: de stroom van ongerechtigheid. Wat we te boven waren, keert terug. Wat we meenden verloren te hebben, is er weer. Wie we dachten tot de geschiedenis te behoren, steekt het hoofd weer op. En als we ons leven en ons leed eens konden ontleden, dan zouden we misschien bevinden, dat dat de grootste druk is. Dat is het hopeloze in het leven, het voorportaal der hel. Laat varen alle hoop.
De bijbel brengt hier redding. Het is daarom zulk een krachtig, moedgevend boek, omdat het spreekt van nieuwe dingen. Niet dat de bijbel met het oude geen rekening houdt. De bijbel weet wel van de oude slang, van Genesis tot Openbaring; van de oude mens, van Adam tot de jongste dag; van de oude zuurdesem, van Egypteland, de Farizeeën. Maar dat alles gaat voorbij. Aan de slang wordt de kop vermorzeld (Gen. 3 : 15). De oude mens sterft af (Rom. 6 : 6). De oude zuurdesem wordt uitgezuiverd (1 Kor. 5 : 7).
Zie, Ik maak alles nieuw, zegt degene, die op de troon zit. Dat is een krachtig en bemoedigend woord. Op Hem en op dat Woord moet daarom onze hoop gesteld zijn. Kent gij de troost van dat Woord? Zie, Ik maak alle dingen nieuw. Het is het eerste Woord uit de mond van Hem, die op de troon zit. Het ligt voor in de mond. Engelen en geesten en stemmen hebben geroepen en gebazuind. Nu komt de stem van Hem, die op de troon zit; het eerste eigen Woord Gods in het boek der Openbaring. Wanneer God z'n mond opendoet, wat zal Hij dan zeggen? Dan is er spanning. Hij heeft vele malen gesproken door de profeten, eenmaal door de Zoon (Hebr. 1 : 1). Wanneer de stem des Vaders eens gehoord werd, onmiddellijk?
Wij zullen dat nooit horen in ons leven. De bijbel is het boek der middelen. Er is echter rondom de bijbel een vergulde rand, afkomstig van Hem, die een ontoegankelijk licht bewoont (1 Tim. 6: 16). Het spreken van de Vader tot het kind, zonder Middelaar. Het is het allerachterste, het allerlaatste uit de bijbel. Laten wij dus naar dat woord goed luisteren. Het is het laatste, het uiterste, wat een mensengedachte kan aanraken en een mensenoor kan horen. Het is een stem uit het diepste der eeuwigheid, uit het verste in de tijd. Zie, Ik maak alle dingen nieuw.
Gemeente, wanneer we dat woord horen is het ons te groot. Wij kunnen een ogenblik met onze gedachten de wedergeboorte aller dingen aanraken, zoals Paulus ook doet. Het is slechts een ogenblik. Mogen wij ons al een ogenblik kunnen verliezen in zulk een vergezicht, wij moeten het breken als het brood om het te kunnen genieten. We zullen alle nutteloze vragen afsnijden. Wij trekken ons ook terug, tot het duidelijk geopenbaard is: bozen en goeden, wel en wee, leven en dood. 'Alle dingen nieuw' verstaan wij daarom van wat in Christus weer opgericht wordt. Wij gebruiken het woord, voor zover het ons helpt om ons te sterken in de geloofsstrijd. Zo zien we het oude, dat niet verdwijnen wil, door God ten dode opgeschreven; en het nieuwe, dat niet komen wil, beloofd. Het oude, dat niet gaan wil, is door God ten dode opgeschreven. Dat is wel grote genade van God.
Het oude, zeg ik. Wat is dat? Dan komt ons de mens voor als een pakkendrager: op z'n rug torst hij een last. Wat is die last? Dat zijn z'n oude schulden, z'n oude gewoonten, z'n oude gebreken, z'n oude zonden. Hij sleept ze voort van jaar tot jaar. Wij zeggen: er is een afsterven van de oude mens. Maar het gaat vaak als met de wijzers van de klok of het groeien van een plant: men kan de vooruitgang haast niet zien. Wat een last, en ge kunt het niet kwijt? Laat ons afleggen alle last en de zonde die ons lichtelijk omringt (Hebr. 12: 1)! Maar! Maar! Hoe verder we ons erin verdiepen, hoe moedelozer we worden. De tijd moet het doen, zeggen de mensen. De tijd maakt echter alle dingen nog ouder, vaster, ingewortelder. Het is de grote conservatief. Op de klok des tijds wordt het steeds later, dit is: hopelozer.
Dan komt er een stem uit de eeuwigheid achter de tijd, die ons toeroept: Ik maak alle dingen nieuw. Nu behoeft ge niet meer te rekenen, te tellen, te meten, maar - te geloven. Weet ge wel het verschil daartussen? De volmaaktheid wordt niet trapsgewijze bereikt. Ze is een genadegift. En God weet dat het oude moeilijk voorbijgaat. Hij draagt ons door z'n belofte.
Zie, Ik maak alle dingen nieuw. Wanneer God dat zegt, gebeurt het. We hebben zo vele kracht-woorden gehoord in onze dagen, die op de aarde vallen. Wat God zegt gebeurt! Geheel nieuw - alles: dat is juist wat wij ons niet begrijpen kunnen. Wat verbeteren, dat verstaan we. Maar het laatste, het gehele! Wanneer door het geloof iets van dit eeuwige Woord door ons wordt aangenomen, dan - geeft dat nieuwe kracht. Dat is juist de zaak waar 't op aankomt: dat wij met onze gedachten, met onze gehele ziel uit de oude dingen uitkomen. Als het voorjaar! Zo het Evangelie een kracht Gods tot zaligheid, een iegelijk die gelooft (Rom. 1 : 16).
Een andere lucht! Wanneer die ingeademd wordt, dan blijft alles niet gelijk, maar dan worden trage handen vaardig en slappe knieën vast (Hebr. 12 : 12). Ik zweer mijzelf een eeuwige jeugd! was het overmoedige woord van Scheiermacher. Met de hand op het Evangelie is het niet te veel gezegd. Waar ademt gij dagelijks? Waar wandelt gij?
Zie, Ik maak alle dingen nieuw. De vernieuwing die God belooft, is volstrekt. Ze zal niet ten halve blijven steken. Wees er niet bang voor. Wij vatten dat niet. Wij kunnen de overgang niet begrijpen van het gedeeltelijke tot het gehele. Wij blijven bij de bekering staan; de wedergeboorte vatten we niet. Bij de dood schijnt alles voor ons te eindigen. Iedere vrucht is echter weer zaad voor God. En het tarwegraan moet in de aarde vallen en sterven (Joh. 12: 24). Gij weet dat als het in de natte zomer gaat kiemen, dat het dan verloren is. Zo hebben wij ons verloren te geven, - dan zijn we niet verloren. Het nieuwmaken is voor God. Buiten deze machtige belofte is het leven een gestadig sterven. Wat wij vernieuwen noemen, is niets dan een teken van de gezindheid.
Maar geheel zal God het doen. Alles.