Lukas 3 : 10-14
En de scharen vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen? En hij antwoordende, zeide tot hen: Wie twee rokken heeft, dele hem mede die er geen heeft, en wie spijze heeft, doe desgelijks. En daar kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester, wat zullen wij doen? En hij zeide tot hen: Eist niets meer dan hetgeen u gezet is. En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zeide tot hen: Doet niemand overlast en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldigingen.
Lukas 3 : 10-14
Johannes de Doper trad in de wereldgeschiedenis op in een tijd, toen al het oude voorbijgegaan was en het alles nieuw werd. Het Koninkrijk der hemelen was nabij gekomen. En dat was een zo grote verandering, dat de grootste in de oude tijd kleiner was dan de minste in de nieuwe tijd. Een student in het koninkrijk Gods had meer inzicht in de dingen dan een professor onder de oude bedeling. En de minste onder Jezus' discipelen, een Lebbeüs of Simon Kananites (Mt. 10 : 3 v.), stond hoger dan Johannes de Doper.
Men vraagt zich af hoe dit mogelijk was. Vanwaar kwam ineens dit verruimde inzicht? Hoe werd ineens de horizont zo verwijd? Dat zijn de geheimen van de geschiedenis. Dan is het of er beletselen voor het gezicht wegvallen, schillen van de ogen, een deksel van het gezicht, zegt Paulus (2 Kor. 3 : 16). Ja, dat is wonderlijk, dat niet één, maar een geheel geslacht, een gehele tijd betrekkelijk blind kan zijn, en ineens het deksel van het aangezicht gelicht kan worden.
Johannes' tijdgenoten hadden er wel gevoel van, dat er wat veranderen moest. Het was een tijd van bekering. Ze drongen allen om hem heen, om hem te vragen: Wat zullen wij doen? De schare, de tollenaars, de krijgslieden. Het is merkwaardig deze vragen en antwoorden te bezien. Ze vormen een kleine maatschappelijke catechismus. Het zijn geen afzonderlijke personen, die tot Johannes komen, maar maatschappelijke groepen: de scharen, het volk, de gewone mensen; de tollenaars; de soldaten.
Er is iets sociaals in de arbeid van Johannes. De berichten over hem zijn zo kort, dat het moeilijk is de bijzonderheden op te maken. Maar straks komen ook de Farizeeën en schriftgeleerden in groepen, en Johannes spreekt hen massaal toe.
Wat zullen wij doen? Het is een belangrijke vraag, in verband met de komst van 't koninkrijk Gods. De wij-zonden zijn anders dan de ik-zonden. Als college deugen we niet. 't Is of de moraal dan zoek raakt.
Er zijn ook in onze dagen allerlei organisaties die besluiten nemen: boerenbonden, vakverenigingen, enzovoort. Daarop beroept men zich dan. De bond heeft het beslist. En 't is of de verantwoordelijkheid dan weg is. Is ze werkelijk weg? Bestaan er geen gemeenschappelijke zonden, en een georganiseerde ellende, waarvan we verlost moeten worden?
Dit wordt gevoeld door de groepen die tot Johannes de Doper komen. En wij, wat zullen wij doen? Door een gemeenschappelijk besluit zullen zij de macht der gemeenschappelijke zonde breken. Het is merkwaardig die groepen tot Johannes te zien gaan: allen onder de indruk van een buitengewone tijd, met het gevoel dat er iets veranderen moet, maar niet wetende hoe ze 't aan zullen leggen. Men kan toch geen gat in de lucht slaan, of enige meters van de grond opspringen. In elk geval, het resultaat is bekend.
Er is in onze dagen een dergelijk gevoel. Een nieuwe tijd, roept iedereen. Rusland, Duitsland, België, Engeland, Amerika, Nederland. Maar wat is dat: een nieuwe tijd, en wat moet er dan veranderen? En dan komt de verlegenheid. Men is niet vrij. Men behoort tot een kring, een stand. Men kan toch geen dolle dingen gaan doen. Een winkelier die het geld over de toonbank teruggaf, was gauw uitverkocht. Het is begrijpelijk dat men raad verlangt.
Merkwaardig zijn Johannes' antwoorden. De schare, dat is Jan en alleman, moet van twee rokken één weggeven. De tollenaars niet meer eisen dan ze mogen. En de soldaten niemand overlast doen en niet roven en plunderen. Bij de eerste indruk vraagt men: Is dat nu alles? Slechts de eerste eis maakt de indruk van een geweldige eis. De tweede en derde lijken heel gewoon. Dit is echter slechts schijn. Dat nummer één er zover uitloopt moet ook onjuist zijn.
Wie krijgen die raad? De schare, het volk. Geen rijken, maar armen, gewone mensen. Is het zo onmogelijk, dat zij zo doen? Zijn de armen niet dikwijls bereid dit te doen? De distributie bracht er ons dichtbij. Was het zo onmogelijk zo gehandeld te hebben? Als men het gedaan had, zouden dan thans zoveel mensen sterven? Spek, vlees, eieren... Men wil echter dikwijls voor de eeuwigheid leven. Maar men ziet het: de oorlog is toch alweer uit. Zo gaat het ook met 't leven. 't Overschot baat niet. Het had beter gebruikt kunnen worden. De eis is niet zo buitengewoon; maar zij brengt zonden aan 't licht van toestanden, gewoonten, waardoor ze zo buitengewoon wordt.
Zo komt ze vrijwel bij die beide andere: tollenaars, soldaten. Die andere twee lijken gemakkelijk; maar zijn ze 't? Het ontwijken van de zonden van uw stand, van uw groep. Maar gij kent die zonden niet. Gij wilt ze niet erkennen, niet laten. ⚑Een tollenaar, die niet meer nam dan hem gezet was; maar... Een soldaat, die niemand overlast deed, niet in garnizoen; maar in de veldtocht; maar... Even zeldzaam als in Amos' dagen een boer, die voor loonsverhoging opkomt en voor billijke verdeling van de bodem.
Zo worden deze mensen, die tot Johannes komen, deels teleurgesteld. Zij dachten wonderlijke eisen te horen. Een nieuwe tijd! Daar horen wondere dingen bij! Maar Johannes komt met 't gewone. Anderzijds veel moeilijker dan ze dachten. Het valt niet mee om datgene te doen, wat juist in uw bereik ligt, maar waaraan ge u juist daarom gewend hadt om 't niet te doen. Anders was 't geen gewoonte. Maar hieraan had men zich werkelijk gewend om 't niet te doen. Men kan dat best bemerken als men zulke dingen noemt. Zeg dat de mensen zich bekeren moeten. Dan kijkt ieder ernstig, en gij denkt: ze doen het allemaal. Maar noem eens enkele van die kleine vossen, die de wijngaard afweiden (Hoogl. 2 : 15): distributie-zonden, centen in 't kerkezakje, lage lonen, enzovoort. Dan kijken de mensen niet ernstig, maar ze lachen elkaar even stilletjes aan; en dan weet ge 't wel: ze zullen zich niet bekeren.
Daarin ligt nu de ontzaglijke ernst van Johannes als boetprediker. Hij wil dat er ernst gemaakt wordt met de dingen. Niemand behoeft bokkesprongen te maken om in de hemel te komen, maar hij moet ernst maken met de dingen. Op die bodem kan Christus alleen bouwen. Wanneer Jezus straks komt, dan heeft Hij met diezelfde mensen te doen. Jezus zegt ook gedeeltelijk hetzelfde, van die twee rokken (Lk. 9 : 3), van die tollenaars-eerlijkheid; ge merkt dat bij Zacheüs (Lk. 19 : 1-10). Maar Jezus neemt dan ook wel zo'n tollenaar mee, hogerop. Alleen echter op deze basis komt de nieuwe tijd, het koninkrijk Gods.
En wij, wat zullen wij doen? Wij kunnen dat in de kerk ook vragen. De kerk, dat is een aparte, heilige vereniging van mensen, uitgezocht uit de schare, om Gods Woord en Wet te overdenken. Het zijn degenen, die het Woord Gods weten, in onderscheiding van de schare, die de Wet niet weet (Joh. 7 : 49). En nu durf ik bijna niet meer te kijken in m'n teksthoofdstuk, of liever in Mattheüs 3, waar het duidelijk staat. Dan verkeren wij in 't geval van Farizeeën en schriftgeleerden. Wij lezen niet dat die Johannes vroegen: En wij, wat zullen wij doen? Niet dat ze zich wilden laten dopen om deel te hebben aan de nieuwe tijd. Johannes drijft hen terug met een: Gij adderengebroedsels (Mt. 3 : 7). Maar ook van dat adderengebroedsel zijn sommigen in 't koninkrijk Gods gekomen.
Maar is die toepassing juist, vraagt ge? Uitlegkundig is dat niet uit te maken. Maar brengt de kerkelijke gemeente zoveel vruchten voort der bekering waardig (Mt. 3 : 8), dat kan men wel vragen, en beantwoorden. 't Is de kring der liefdadigheid en barmhartigheid. 't Is de sociale kring bij uitnemendheid van de avondmaalstafel. Maar waar is de bezoldiging <van het personeel> zo slecht? 't Is de kring der vrijwilligheid. Maar waar wordt de belasting zo traag opgebracht? 't Is de vergadering van 't horen van Gods Woord. Maar in welke vereniging is de praktijk zo in strijd met de theorie? Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; anders zal de doop niet baten.
Zo ook op ander gebied, het zogenaamde christelijk terrein. Het christelijke is het gewone; dit is althans de basis. En nu verlangt gij van mij nog iets anders. Dat is alles nu wel goed en wel, zegt gij, maar nu moeten we als slot toch iets over 't geloof hebben. Niet Johannes maar Jezus. Geen boetprediking maar Evangelieprediking. Gij hebt gelijk. Johannes zegt: Na mij komt die meerder is dan ik, wiens schoenriem ik niet waardig ben te ontbinden (Lk. 3 : 16). Laten we Hem dan horen. Wat zegt Jezus? Die twee rokken heeft, dele hem mede, die er geen heeft; en tot de tollenaar, die zegt: Zie de helft van mijn goed geef ik de armen, zegt Jezus: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon Abrahams is (Lk. 19 : 8 v.).
Er is dus geen appèl van Johannes op Jezus. Het blijft erbij. Wie deel wil hebben aan de nieuwe tijd, aan het koninkrijk Gods, moet vruchten voortbrengen der bekering waardig. En de bijl ligt alrede aan de wortel der bomen... (Lk. 3 : 9).