O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Lukas 3 : 10-14Suameer (1910-1923)Johannes 16 : 7 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Suameer (1910-1923) · p. 135–137

Lukas 22 : 39-46

Wij lazen voor u het bekende verhaal van Jezus' lijden in Gethsemané naar de beschrijving van Lukas. Elk van die verhalen heeft z'n bijzonder karakter bij elk der evangelisten. Trekken en bijzonderheden die men bij Mattheüs en Markus aantreft, ontbreken hier. Lukas heeft voor ons bewaard de bijzonderheid van het bloedzweet en van de engel, die Jezus komt vertroosten. Wij willen thans niet alIe trekken van het tafereel samenlezen, maar de beschrijving naar Lukas volgen.

Jezus vertrok, gelijk Hij gewoon was, naar de Olijfberg (vs. 39). Dat wil zeggen: des nachts was Jezus gewoon zich op de Olijfberg op te houden. Dan onttrok Hij zich aan de stad, waar Hij gevaar liep te worden gevangen genomen of gedood. Want voor Jezus werd de omgeving te Jeruzalem gevaarlijk. De prediking van het Evangelie maakt vele vijanden en degenen, die een uitwendige godsdienst begeren, ergeren zich aan de eis der wedergeboorte. De gierigaards te Jeruzalem zijn boos, omdat Jezus vindt dat de weduwe die haar cent in de schatkist geeft, meer offert dan zij (Lk. 21 : 3). En degenen die van het bidden en het dienen van God een vorm hadden gemaakt en die toch eigenlijk echte dienaars der wereld waren, waren op Jezus gebeten, dat Hij hen niet voor vroom wilde houden. Zij begrepen niet dat er aan hen nog iets te verbeteren viel. Ze meenden juist de steunpilaren te zijn en het verbitterde hen, dat Jezus hen tot bekering riep. Daarom meenden ze dat het met de prediking van het Evangelie uit moest zijn en lag het aan hen, dan zouden ze die prediking uitroeien. Daarom gaat Jezus gewoonlijk des nachts naar de Olijfberg en Hem volgden ook de discipelen. De hof Gethsemané wordt hier niet genoemd, doch slechts van de Olijfberg gesproken.

De ontzaglijke ernst van het ogenblik schijnt hier dadelijk tot Jezus te zijn doorgedrongen. De zielestrijd begint Hem hier van stonden aan aan te grijpen. Komende gebeurtenissen werpen soms hun schaduwen vooruit en vooral in het leven der profeten en bovenal zeker in het leven van de Zoon liggen heden en toekomst, lot en gemoed, samenhangende.

Nog is het ogenblik niet daar, dat Jezus het zou uitroepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Mt. 27 : 46)? De donkerheid van de verlatenheid, die Jezus' ziel aan het kruis verduisterde en die zich aan de natuur mededeelde, ligt nog enige uren vooruit. Maar reeds begint die duisternis in Jezus' gemoed merkbaar te worden. Wij merken het aan de zorg die Hij koestert voor z'n discipelen. Wanneer een herder het spoor van een wolf ontdekt, dan denkt hij het eerst aan de schapen. Bidt dat gij niet in verzoeking komt (vs. 40). Het is ontroerend te horen hoe de Zoon Gods in deze donkere, gevaarlijke wereld, waar de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt (1 Petr. 4: 18), zijn raad geeft en ook zelf zich daarboven niet verheven acht. Hijzelf brengt het in praktijk. En Jezus gaat bidden om niet in verzoeking te komen.

Er is een vraag die wel eens opgeworpen wordt, of Jezus ook zondigen kon, waarover dan lang gesproken kon worden. Wanneer wij echter alleen een dogmatische Christus hebben, dan hebben wij niet veel. De Christus der Schriften hebben wij nodig. En als dan die vraag gedaan werd, zouden we hierheen verwijzen; en zie, Jezus bidt om niet in verzoeking te komen. Hij acht zich niet verheven boven het ootmoedig gebed en knielt neder als Hij de verzoeking bespeurt. - Hoe anders zou het er in menig leven uitzien, als dit voorbeeld gevolgd werd: wanneer men, zodra maar de schaduw van de verzoeking nabijkwam, zou bidden. Van Jezus staat het woord geschreven: Die, hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij geleden heeft (Hebr. 5 : 8).

En Hij scheidde zich van hen af, omtrent een steenworp en knielde neder en bad (vs. 41). Die steenworp is weer eigen aan Lukas. Dat wil zoveel zeggen als: Hij ging niet geheel weg en wilde toch alleen zijn. Met de Vader en toch niet de zijnen verlatende: is dat niet de typering van Jezus' leven en sterven? Zo is Jezus toch alleen geweest: in de woestijn, 's nachts op de berg, op de zee, op de berg der verheerlijking, in Gethsemané, op Golgotha. Die steenworp scheidt Hem van ons. Hij is ons gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Op korte afstand van ons ligt het volmaakte, de volmaakte overgave, het allervolmaaktste gebed, de volmaakte gehoorzaamheid. En toch, geen lengte van tijd is voldoende om ons die te doen bereiken. Toch bij ons in Christus, door het geloof bereikbaar, wordt het leven in Christus gezet. Dat is Jezus' omgang met z'n jongeren. Hij is bij hen, toch van hen af en niet van hen los. Hij doet het alles alleen en volkomen en toch met hen en voor hen. Hier knielt Hij neder en bidt, een steenworp verwijderd van de discipelen.

Dit bidden van Jezus staat in vergelijking met de verzoeking in de woestijn. Daar heeft Jezus de heerschappij der wereld buiten God afgewezen. Daar weigerde Hij zonder God over ons te regeren. Hier neemt Hij aan met God voor ons te sterven. Wel is de weg dieper geworden, sedert de verzoeking in de woestijn. De wereldheerschappij is hier zo ver uit zicht, dat het wel schijnt alsof de Christus aan alle dingen onderworpen is, in plaats van alles aan Hem (Hebr. 2: 8). Dit is de weg, die God met de wereld houdt en met de Christus. Nochtans is dit de bittere drinkbeker. En alles wat mens is, verstaat dit. Christus is waarachtig mens geworden.

Hebt gij in uw leven de behoefte ontdekt aan die waarachtige mensheid van Christus? Vader, of Gij wildet deze drinkbeker van Mij wegnemen; doch niet mijn wil, maar de Uwe geschiede (vs. 42). Dit is mens-zijn: de natuur tegen de weg Gods. Dit is geen zonde. De natuur onderwerpt zich ook aan Christus' eigen wil. Vlees tegen geest. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak (Mt. 26 : 41).

Van Hem werd gezien een engel uit de hemel, die Hem versterkte. In het lijden de vertroosting. Bloedzweet. Discipelen, slapende van droefheid. Wat slaapt gij, bidt opdat gij niet in verzoeking valt (vs. 43-46). Slapen en waken in droefheid.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Lukas 3 : 10-14Suameer (1910-1923)Johannes 16 : 7 →