O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Mattheüs 28 : 1-8Suameer (1910-1923)Lukas 3 : 10-14 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Suameer (1910-1923) · p. 129–131

Lukas 2: 1-7

"Nog juicht ons toe die zaalge nacht, waarin 't gestarnt met nieuwe pracht, en 't englenheir met nieuwe vreugd zich over Jezus' komst verheugt."

Zo is het. Nog ruisen de klanken van het eng'lenkoor over de wereld. En altijd weer is er blijdschap over Jezus' komst op aarde. Nacht zou het gebleven zijn. De angstige vraag: Wachter, wat is er van de nacht; de morgenstond is gekomen en het is nog nacht (Jes. 21 : 11 v.), zou nog steeds herhaald moeten worden.

"Nu is uit 's werelds duistre wolken een licht der lichten opgegaan."

En nu viert de gemeente, jaar in, jaar uit, de blijde herinnering aan die gebeurtenis. De kerk doet dit reeds sedert eeuwen. Niet geheel van de Pinkstergemeente. Ook onze christelijke feesten hebben hun wordingstijd. In 354 het eerst te Rome op 25 december; vandaar naar het Oosten. In het Oosten was men gewoon op 6 januari te denken aan Christus' geboorte, doop of eerste wonder, of Wijzen uit het oosten. Dat is als Driekoningendag in de roomse kerk gebleven. Voor Christus' geboorte is toen algemeen 25 december aangenomen.

Zo is dit feest nu reeds eeuwenlang door de kerk gevierd. En ook nu weer, 25 december 1915 gaan onze gedachten naar dat mooie, heilige kerstverhaal, dat Lukas ons optekende en dat we op deze dag moeilijk kunnen missen. We volgen het ditmaal op de voet.

En het geschiedde in die dagen, dat er een gebod uitging van keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zoude worden (vs. 1). Die dagen die hier genoemd worden, slaan op wat in hoofdstuk 1 is beschreven: de geboorte van Johannes de Doper. In diezelfde buitengewone tijd, waarin God zijn volk bezocht, gebeurde ook wat Lukas ons gaat verhalen. Hoe wonderbaar is het, wanneer God zijn volk bezoekt. Als de dag des Heren gekomen is, dan is het alsof alle dingen samenlopen tot openbaring van het heil.

Keizers en koningen, ministers en kamerleden kunnen dan niets doen, of het moet dienen tot bespoediging van de komst van Christus. Zij hebben hun eigen bedoelingen, de keizer Augustus: een beschrijving, en Herodes, de vriend des keizers, die daartoe z'n medewerking verleende. De maatregel heeft ook een geschiedkundige betekenis. Maar van boven gezien maken deze dingen de indruk van een schaakspel, waarbij de stukken door en naar de bedoeling van hoger plan zich bewegen. Daartoe dat hele rijk. Daartoe die administratieve plannen. Daartoe de medewerking van Herodes. Herodes, bevreesd voor de koning, brengt Jozef en Maria zelf naar Bethlehem. Onwetens en onwillens werkt hij zelf mee tot die geboorte daar, en straks zal bij het met alle geweld willen tenietdoen.

Maar wat God op de wereld brengt, kunnen keizers en koningen er niet weer afwerpen. Door Mij regeren de koningen (Spr. 8: 15). De engelen, die van boven op de wereld neerzien, die is het of God zelf met eigen hand Jozef en Maria naar Bethlehem brengt. Laten we ons er op deze dag in verblijden, dat geen keizer of koning Jezus Christus uit de wereld kan werpen, en dat Hij altijd een plaats vindt om geboren te worden. Ja, dat allen ook tegen hun wil en onwetend moeten medewerken, hiertoe, dat Hij ter rechter plaatse geboren wordt.

Het Romeinse keizerrijk is al lang voorbijgegaan. Nog zijn de namen der keizers bekend. Nog lezen we die belangrijke geschiedenis. Nog heeft Rome's beschaving ook op onze maatschappij invloed. Maar geen enkele gebeurtenis uit de geschiedenis van het gehele Romeinse rijk heeft zozeer invloed doen gelden als deze geboorte. En toch staat nergens in de geschiedboeken die geboorte te Bethlehem beschreven dan in de evangeliën van Mattheüs en Lukas. Zo weinig is Christus opgemerkt, als God Hem inbracht in de wereld. Maar ook nu nog zijn het de annen van geest, die er het meest acht op slaan.

En ze gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad (vs. 3). Daar zien wij Israël in beweging komen. De oude boeken worden opgeslagen. De familiepapieren worden voor de dag gehaald, familiebijbels geraadpleegd. Men denkt weer aan oude tijden terug, en leeft zich in in de geschiedenis van oude tijden.

Hoe is alles veranderd. Hoe zal men ook geklaagd hebben over verval. En menig gesprek zal gevoerd zijn over de verwachting Israëls. Nu dacht menige arme aan betere tijden, menige vergetene aan beroemde voorouders. Nu kwam het oud-Israëlitische bloed weer in beweging. En de beloften der vaderen werden weer herdacht. En wanneer hier en daar het bijbelboek vergeten was, zal het weer ter hand genomen zijn. Dat bewerkte een opleving van volksleven en geestelijk leven.

En dan gaan ze allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad. En Jozef ging ook op van Galilea uit de stad Nazareth, naar Judea tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, omdat hij uit het huis en geslacht Davids was, om beschreven te worden met Maria zijn ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was (vs. 3 vv.).

Te midden van de algemene beweging zien we Jozef en Maria opgaan van Nazareth naar Bethlehem. Zij zijn, daarop wijst alles, arm naar de wereld. Maar in welke heerlijke genade staan ze. Door dit mensenpaar loopt de lijn van Adam op Christus. Terwijl ze opgaan naar Bethlehem zijn hun gedachten vervuld met het verleden. Omdat ze uit het huis en geslacht Davids zijn, moet Jozef naar Bethlehem. Misschien is daar enig erfgoed gelegen. Maar de hoge eer die daarin ligt, brengt hen op dit ogenblik niets dan last. Kunnen ze dat niet opgeven? Zo had Ezau gedaan. Zij hebben een Jakobsgeest, en houden vast aan de belofte.

Wat zijn mensen op zichzelf geringe schepselen, wanneer wij ze bezien buiten Gods belofte om. Wanneer zijn Woord ons niet draagt, zijn heerlijkheid ons niet omringt, hoe gering is de mens. Maar als wij daarachter Gods verbond, z'n raad, z'n belofte zien, hoe schoon is het dan zich te bewegen. En tenslotte, als Gods raad in Christus eindigt; als uw geboorte, uw afkomst, uw reizen en trekken, alles moet samenwerken om Christus een plaats te geven in de wereld; als uw man-zijn of vrouw-zijn dient om Gods koninkrijk nabij te brengen; als alles, alles samenwerkt en samenstemt tot Gods eer en ter uitvoering van zijn raad, dan komt er in het menselijk leven iets, dat wij gevoelen als we die eenvoudige verzen uit Lukas 2 lezen, van die beide arme mensen, die opgingen naar Bethlehem, opdat Christus daar zou geboren worden.

En het geschiedde, als ze daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij baren zoude; en zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken en leide Hem neer in de kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg (vs. 6 v.).

"Als ik dit wonder vatten wil, ⚑staat mijn verstand vol eerbied stil."

Hier wordt ons verhaald wat Johannes noemt de vleeswording des Woords (Joh. 1 : 14). Dat is het onderwerp van dit feest.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Mattheüs 28 : 1-8Suameer (1910-1923)Lukas 3 : 10-14 →