Klaagliederen 5 : 19
Gij, o Here, zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht.
Klaagliederen 5 : 19
De eerste augustus bracht onze gedachten naar het oorlogsgewoel, en de wereldgebeurtenissen dezer dagen laten ons niet los. De eerste week van augustus 1915 is nauwelijks minder geweldig dan die van 1914. Er zal in deze tijd zoiets door het hart van de mensen gaan als in Klaagliederen 5 staat bezongen. Het rad des tijds wordt in onze dagen een volle tand verzet. Gedoken zit onder de donder der wereldgebeurtenissen de gemeente; weet niet wat ze zeggen en denken moet. Veel gaat z'n gewone gang. Schouwburgen zijn niet gesloten. En al is het de beurs, winsten worden gemaakt. Al weegt des Heren hand zwaar, alle harten worden niet bekeerd. Veler hart is verhard, de begeerlijkheid vermeerderd. Van de invloed van de roede op het mensenhart behoeven we ons geen overdreven voorstelling te maken. Het mensenhart is hard.
Er is echter verlegenheid in deze dagen en dat is bij hen, voor wie Jezus' naam een zoete en dierbare naam is, die in hun hart iets voelen bewegen, wanneer zijn naam genoemd wordt. Verlegenheid is er in de harten dergenen, die werkelijk met Jezus willen leven. En er is in onze dagen niets, wat zo onze belangstelling waard is, als die verlegenheid. De aarzeling van de verborgen gemeente des Heren. Die stemmen, hier en elders, die manen tot het Evangelie des Heren. Deze vraag is de belangrijkste, of ook de toepassing van het Evangelie van Christus Jezus een stap voorwaarts zal doen. Thans is er echter verlegenheid.
Maar dan gaan onze gedachten mede met die van de droevige Judeeër, die het lot bezong van het verwoeste Judeese land. Moeilijk kunnen wij in een christelijke bijeenkomst met onze gedachten meegaan met de overwinnaars op de wallen van veroverde steden. Kan een gemeente dat ooit ook in een ander land? Kunt ge Jezus daar zoeken? Ik denk dat gij Hem vinden zoudt bij de weduwe die beroofd is, de arme die geen brood en water heeft, de verlatene wiens huis en hof verwoest is, om van andere droevige slachtoffers te zwijgen. Met wie moeten wij medeleven? Welke is onze roeping als Nederlandse christenen?
Profiteren van de boze tijd of ons oefenen in het leren van het werk van de barmhartige Samaritaan, en in onze harten een schrede verder komen ten opzichte van de vraag hoe het Evangelie moet toegepast. Want het moet toch voor meer dingen nut zijn, dan om zelf zalig te worden. Er moet een opening zijn, waardoor het Evangelie invloed kan oefenen op de wereld. Wij kunnen bij onze berekening niet ver komen. Vooruitzien! Ja, zal men ons kunnen toeroepen, dat deden de oude profeten ook al. We hebben aan de kleine beginselen die we zien ook niet genoeg.
Wanneer we christelijk, dat is: met Jezus, leven, denken, gevoelen, dan hebben wij behoefte aan diezelfde weg, die de gedachten van die ongelukkige Judeeër namen, toen alles rondom hem verwoest neerlag. De eer vertreden. De godsdienst tegen de grond. - Want dat was voor die Judeeër het geval. Jeruzalem, dat was de stad Gods. Alles lag verwoest. De openbare zedelijkheid? Huis en hof? ⚑Dagelijks brood? Alles wat zo een blinddoek is, om ons het ware karakter van dit korte leven te doen zien, het lag verscheurd rondom hem. Dan ziet men waar men is. Op de berg Sion lopen de vossen rond (Klaagl. 5 : 18).
Maar dan ziet hij naar boven. Alles is weggevallen. Nu ziet hij ook andere dingen duidelijker, die in het leven wel eens schuilgaan, hierachter en daarachter. Hij ziet de onbeweeglijke troon des Heren. Al valt Jeruzalem, al lopen de vossen er rond, al is het brood weg en de have weg en de ere weg, de Here is er nog. Hij zit in eeuwigheid. - Dat geeft hem steun en hoop. Gij, Here, zit in eeuwigheid. Aandoenlijke uitroep als we het klaaglied ten einde gelezen hebben en dan die toon vernemen. Hij zit er nog. Waar is voor die arme Judeeër hulp of heul dan in dat gezicht en die wetenschap? In dat gezicht rust zijn vermoeid en geslingerd hart. Wat God wil, weet hij niet zeker. Het laatste wat we vernemen is een twijfelmoedige vraag: Of zoudt Gij ons voorgoed verworpen hebben, bovenmate op ons vertoornd blijven (Klaagl. 5 : 22, Leidse Vert.)? Wij kunnen niet zeggen, dat hier een wel te verzekerd geloof aan het woord is. Maar... hij rust hierin: God zit er. En dat gezicht is z'n rust. Hij zit er in eeuwigheid.
Gemeente, eigenlijk is dat de hoogste en eeuwige steun. Het is de steun van onze Heiland aan het kruis. Ook daar: Waarom hebt Gij Mij verlaten (Mt. 27 : 46)? En toch, de Vader zit in eeuwigheid. In Uwe handen beveel Ik mijn geest (Lk. 23 : 46). Er zijn allerlei troostgronden, ook goedkope godsdienstige troostgronden, die tenslotte iemand uit de handen geslagen worden. Maar dit is de allerlaatste in de verlatenheid in en over de dood. De Here zit in eeuwigheid. Zolang deze wereld staat, zal dat uitzicht altijd de laatste houdvast blijven.
Boven het rumoer der wereld is een grote stilte. Men bereikt die rechte stilte der eeuwigheid nog niet op de toppen der bergen.
"Wie klimt de berg des Heren op?
Wie zal die godgewijde top ⚑voor 't oog van Sions God betreden?"
Dat is de gewone toevlucht, maar gij hebt het gehoord: daar lopen nu de vossen rond. Hoger moet men stijgen; daar zit de Here eeuwiglijk. Door het geloof ziet men het. - Mijn koninkrijk, zegt Jezus, is niet van deze wereld (Joh. 18 : 36). Laten we dat nimmer vergeten. Wanneer in de nacht, als het rumoer van het leven stil geworden is, de sterren zich gaan vertonen, dan geven die soms rust aan het hart. Hun vastheid is een beeld van Gods raad. Zij grijpen niet in in het leed dezer wereld. (Hun invloed is een geheimzinnige.) Maar hun zwijgende loop voert uit het leed naar de stilte der eeuwigheid. Wanneer in de levensstrijd het moegestreden hart rust verlangt, dan vindt het die in de hand, die boven de draden houdt.
- Sven Hedin. - Hier is echter meer dan de koele zekerheid van onwrikbaar bestand. Hier is toch iets van de christelijke vastheid en rust. Wie is het, die zit eeuwiglijk? Het is de Here Jehova, de Verbondsgod. Hij, <die regeert,> de Vader van onze Here Jezus Christus.
Eigenlijk behoeven we nu niet weer naar beneden te komen om de toepassing. Hoe God ingrijpt, we weten het niet. Hoe Hij alles goed zal maken. Alles, alles? We zien waar we zijn. Vele blinddoeken liggen verscheurd. De laatste rust is: De Here zit in eeuwigheid. Onbegrepen, ontoegepast. Het is goed naar die rust gedreven te worden, zoals onze tijd doet.