Genesis 5 : 24
Henoch dan wandelde met God en hij was niet meer, want God nam hem weg.
Genesis 5 : 24
Onze tekstwoorden voeren onze gedachten naar een grijs verleden. Een verleden dat bijna ligt buiten het terrein der gewone historie. De dagen van ouds; voorhistorische toestanden; levensverhoudingen, die zoveel van de onze verschillen, dat een vergelijking onmogelijk lijkt. Ons bekruipt een gevoel als in een museum met voorwereldlijke overblijfselen. Er is echter een verbindende schakel tussen ons en ons tekstverhaal. God was er. Eer de bergen geboren waren reeds (Ps. 90 : 2), en ook voor de grote vloed. En ook toen klopten er mensenharten, vatbaar voor eeuwige dingen. En zo voelen wij in de enkele woorden, die van deze oude wereldpatriarch geschreven staan, het geloofsgeheimenis, dat van alle tijden is.
Henoch wandelde met God en hij was niet meer, want God nam hem weg. Dit is een merkwaardig bijbelvers, dat ons een merkwaardig feit meedeelt. In de lange reeks van levens, met als einde de dood, die in Genesis 5 staat opgetekend en die sedert wordt voortgezet, ineens een uitzondering. Een leven dat men naoogt en volgt met z'n gedachten, en dan aan het einde - hoe nu - niet de dood? Geen graf? Neen, de ingang in de heerlijkheid, licht, ruimte.
Nog eenmaal vinden wij in de bijbel die lange reeks van stervenden verbroken, bij Elia, die werd opgenomen (2 Kon. 2: 11). Dat is een heerlijke eigenaardigheid aan dat heerlijke boek dat bijbel heet, dat het ons op twee plaatsen de lange doodslijn verbroken doet zien. De troost die wij daar dadelijk uit putten kunnen is, dat de dood niet almachtig is, ook over mensen niet. En in voorhistorische tijd, en in meer historische tijden: telkens een uitzondering op het harde lot des doods.
Henoch wandelde met God en hij was niet meer, want God nam hem weg.
Onze verbazing over deze zeer bijzondere mededeling mag wel groot zijn. Ik denk dat velen, die het vaak gelezen hebben en die de tekst van buiten kennen, er zich in 't geheel niet over verbazen. Zij zullen zeggen: 't Staat er duidelijk. En daarom! En anderen zullen zeggen: Wat een onmogelijk verhaal, dat kan niet en daarmee uit. In beide gevallen laat het tekstverhaal ons koud, als we 't voor kennisgeving aannemen of 't eenvoudig niet geloven willen, dat komt vrij op 't zelfde uit.
Er staan toch zeer bijzondere en buitengewone dingen in. Iemand die met God wandelde en hij was niet meer, want God nam hem weg. Ik wijs dadelijk op het verband dezer beide dingen: met God wandelen en niet meer sterven. Er is dus een middel om de dood te ontkomen: wandelen met God. Ik denk dat dat woord voor ieder die het hoort, een heerlijke klank heeft: wandelen met God. Het kan gemakkelijk door uitleggen duisterder worden. Zoals het daar staat in dat oude verhaal - een geheimzinnige bekoring.
Onwillekeurig komt ons in de gedachte: Adam en later Abraham. Maar zij zijn gestorven. Henoch alleen dat wandelen en niet sterven. Hier bij deze wereldpatriarch betekent de wandel met God iets zeer bijzonders. Abraham, de vader der gelovigen en van de rechtvaardigheid des geloofs (vgl. Jak. 2 : 23). Henoch, de vader van alle mystieken, wier leven opgaat in de beschouwing Gods, totdat het aards omhulsel hun ontglijdt, en ze zacht ingaan in de heerlijkheid. Abraham is de man van de levensstrijd, de geloofskamp; Henoch van de stille verborgenheid, waar Gods verborgen omgang aan z'n vrinden naar zijn vreêverbond betoond wordt. Men zou kunnen vragen wie van de twee de palm der hoogste eer zal wegdragen. Beiden zijn heerlijk en groot in Gods koninkrijk: met Abraham een Mozes, David, Paulus, Luther. Strijdfiguren, die in... Achter Henoch verschijnt een heel andere reeks: een Eli, een Johannes, een Franciscus van Assisi. Ingeleiden in de stilte, waar God woont, waar het lichaam schier wordt uitgezogen, eerst de voetzolen, dan alles wat van deze aarde is, om toegelaten te worden in het heiligdom Gods.
Onwillekeurig plaatsen we Henoch in onze gedachten in z'n omgeving. Die oude wereld wordt ons met enkele woorden getekend als een wereld van geweldigen, reuzen, kracht<mensen>. Lange levens. Vreselijke ongerechtigheid ook, die straks in de grote vloed versmoord wordt; het eerste wereldoordeel. Te midden van de grote wereldkermis leeft deze Godzoeker, als vreemdeling te midden van een krom en verdraaid geslacht (Fil. 2 : 15). Ook deze geweldige wereld heeft de smalle en de brede weg, de wijde en de enge poort gekend.
Tegenover elk harer ondeugden stelt hij een deugd. Tegen elke boze kant heeft hij een naar God gekeerde zijde. Dit is ook een wijze om de wereld te overwinnen, om zich, zonder een woord te spreken, van haar af te wenden. Eens willens met God - gemeenschap met God - in actie, gedachte, sentiment. Ruim en nauw geweten. Heiligheid - liefde - volmaakt als de Vader, die in de hemelen is (Mt. 5 : 48).
Zo toont zich voor ons, in deze koude wereld, een brandende haard van goddelijk vuur. Een hart, dat in zichzelf een toevlucht heeft. Dat niet nodig heeft een uitweg uit de wereld te zoeken, maar in zichzelf een geopende deur naar de eeuwigheid. Menigeen meent zichzelf te moeten ontlopen. De mysticus kent God op de bodem der ziel. Daar gaan de gestalten in stilte voor z'n verbaasde geest heen. Daar trekken de eeuwige beelden voorbij. Daar schouwt men in de heimelijke diepten Gods.
God voedt de ziel met z'n omgang, en zo wast de inwendige mens en wordt versterkt en werpt straks de uiterlijke mens af. Zo wordt de dood overwonnen: God nam hem weg. Henoch vormt een uitzondering. En nog is de dood niet onoverwinnelijk. Een doorgang tot het eeuwige leven. God te kennen en Jezus Christus, dat is het eeuwige leven (Joh. 17 : 3). Stervensgenade is niet momenteel. Wel voor een klein gedeelte, maar dat is slechts de voltooiing. Dit leven moet zijn een gestadig sterven. Het is het in de slechte zin. Het moet het zijn in de goede zin. Losmaking. Wassen der vleugelen. Wanneer God ons wegneemt, dan is dat de voltooiing.