O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Genesis 5 : 24Suameer (1910-1923)Deuteronomium 4: 9a →

Verzamelde Werken, deel 7 · Suameer (1910-1923) · p. 91–93

Genesis 15 : 5 en 6

Toen leidde Hij hem uit naar buiten en zeide: Zie nu op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn. En hij geloofde in de Here; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.

Genesis 15 : 5 en 6

Een van de meest bekende en meest verheven ogenblikken in Abrams leven is dat, waarin God hem de sterren toont. Daarin komt op zo treffende wijze het wezen des geloofs uit. De aartsvader wacht. Hij ziet op de aarde niets van de vervulling van Gods beloften. In zijn huis is 't leeg. Hij zwerft van plaats tot plaats. Eenzaamheid.

Dan neemt God hem mee naar buiten. In de nacht, onder de fonkelende sterrenhemel. Hier is de oneindigheid, het onmetelijke, het ontelbare voor Abrahams ogen. Een grote spiegel, waarin Abraham moet inzien. Zo zijn de beloften Gods. Ze veranderen niet van plaats. Al is het dat de aarde bewogen wordt.

Wat is een mens dan klein en gering. Nu moet hij geloven. Wij voelen dat het geloof de eigenlijke kracht van nieuw leven is. Als het werkt, houdt het kleine op. Het middenpunt des levens wordt verlegd. Als Abraham in z'n huis is, is hij het middenpunt. Alles draait om hem: hij kan bevelen, hij kan wegzenden; hem behoort alles, hij is rijk. Maar dan krijgt alles ook een dreigend aanzien. - Hier in de nacht is alles weg. Abraham valt zelf ook weg. Hij kijkt niet, maar hij schouwt. Alles bij hem wordt klein. Het onmogelijke is niet onmogelijk. Het dreigende dreigt niet. Het valt weg. Als van een hoge berg gezien. Abraham ziet in de belofte, voor de uitkomst blind. Ziende in het gebod, voor de uitkomst blind.

Hij geloofde in de Here. De Griekse wijsgeer Plato leerde dat alle dingen gebrekkige afbeelding waren van een eeuwige idee. De bijbelse gedachte is nog krachtiger en kloeker. Geloven in de Here, dat is alle dingen in Hem zien, ontheven van hun vergankelijkheid. Als Abraham de sterren ziet, dan gelooft hij de Here. Ook deze machtige sterrenhemel is slechts afbeelding, beeld van het Woord des levenden Gods. Welk een grond krijgt het leven dan.

Wij moeten, als het erop aankomt, de tel kwijtraken in 't geloof. Als Abraham God wou narekenen door zand of sterren te tellen, dan lukt dat niet. Men geeft het op. Juist de indruk van dat onmetelijke brengt tot geloof. Zo zitten we dan midden in het leven, en we behoeven maar de deur van onze tent uit te gaan om het onmetelijke te zien. Naar alle kanten omringt het ons. Ook wij zien de sterren. Ons omringt het eindeloze verschiet. En toch beperken we God altijd weer. Het leven meten we als een eindje touw van zoveel centimeter. Het dagelijks brood een hoopje centen. De geschiedenis, de wereld als afhankelijk van enige mensen, ongeveer zestienhonderd miljoen. - En ons geestelijk leven. Wij tellen onze zonden.

"Uw goedheid, Heer, is hemelhoog,
Uw waarheid tot de wolkenboog,
Uw recht is als Gods bergen."

Bij de opstanding rekenen we over beenderen en stof. Bij de eeuwigheid met seconden. Wij moeten de tel kwijtraken.

En Abraham geloofde in de Here, en Hij rekende het hem tot gerechtigheid. Paulus heeft van dit schone woord gebruik gemaakt in z'n brieven (Rom. 4 : 3; Gal. 3: 6). Wij zijn soms getroffen door een woord, maar niemand zozeer als God zelf. Jezus in 't Evangelie bij de Kananese vrouw (Mt. 15 : 28) en de hoofdman van Kapernaüm (Mt. 8 : 10). Zulke woorden blijven bewaard, zoals wij de aardige zetten van onze kinderen onthouden. God merkt dat er wat in zit. Hij rekende het hem tot gerechtigheid.

Wij letten op dat rekenen. Men zou zo zeggen: 't Was ook wel de moeite waard. 't Leek er niets op dat de belofte vervuld zou worden. 't Was een hele prestatie. Voor God is het dat niet. Hij is de oneindige.

"Der sterren pracht ⚑is bij Hem nacht, ⚑hoe hel zij schittren mogen."

Toch ziet God er iets in. Gemeente, wij zoeken vaak een volkomen geloof. Wij zullen het niet vinden. Ons lijkt het geloof van Abraham, de Kananese, de hoofdman van Kapernaüm groot. Jezus noemt het ook groot. Maar 't is betrekkelijk. God moet het tot gerechtigheid rekenen.

Gelukkig dat we zulk een God hebben. Maar zoudt ge het anders denken? Wij denken vaak anders. Wij denken hard van God en verschrikkelijk. Jezus doet in 't Evangelie al z'n best om ons die gedachte te ontnemen. Doet het zo ge kunt, onder de indruk van z'n Woord. Spreekt zoals ge kunt. Wil niet meer zijn dan ge zijt. Wees oprecht. Dat zegt God ook tot Abraham. Wandel voor mijn aangezicht, wees oprecht (Gen. 17 : 1). Dan is er spanning in het leven. Dit leven vindt z'n ontplooiing in de eeuwigheid.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Genesis 5 : 24Suameer (1910-1923)Deuteronomium 4: 9a →