O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Genesis 15 : 5 en 6Suameer (1910-1923)Richteren 7 : 2 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Suameer (1910-1923) · p. 93–97

Deuteronomium 4: 9a

Alleenlijk wacht u en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben.

Deuteronomium 4: 9a

Stemming is iets, wat de ene mens beter verstaat dan de andere. Er zijn harten, wier stemming rijst en daalt met donkerheid of zonneschijn. Anderen schijnen zelfs de moeilijkste levensomstandigheden niet uit de toon te brengen. Maar zeker is dat de oudjaarsavond een van de uren in het leven is, dat de meesten aan een zekere stemming onderhevig zijn. Is die dag dan zo geheel anders dan alle andere? Iedere dag kan de laatste zijn, en iedere ure de levensavond. Maar toch, zo sterk is de eeuwigheid niet over ons, dat zij ons iedere ure tot een opening des tijds zou maken.

Wij zijn erg sterk in de tijd bevangen en verstrikt. En al is het zo dat de tijd eeuwigheid bergt, wij merken het niet steeds. Het verleden houdt ons vast, of de toekomst houdt ons bezig. Stil staan de woelige bewoners dezer wereld slechts zelden. Zij hebben haast of ze zien achterwaarts. Maar wie ziet het heden zo in het gelaat, dat de eeuwigheid merkbaar wordt? Zo zijn wij ook hier aan middelen, hulpmiddelen gebonden. En de oudjaarsavond is een ure, waarin soms het hart duidelijker dan anders het ware karakter des tijds gevoelt. Daarom is het goed dat wij deze ure gebruiken tot het bedenken der eeuwige dingen.

Mozes vermaant het volk: Alleenlijk wacht u en bewaart uw ziel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben. Voor het volk Israël was er veel, dat waard was om bedacht en bewaard te worden. De tocht uit Egypteland; altijd weer: de Heer, uw God, die u uit Egypteland uitgeleid heeft. De doortocht door de Schelfzee; die zijn 'volk Israël droogvoets daardoor geleid', nog in ons doopformulier. De wetgeving op Sinaï. De zonden en bezoekingen in de woestijn. De profeten wijzen daarop altijd terug. Het is onberekenbaar, hoe groot de invloed is van die grote daden Gods, wanneer ze in de herinnering worden vastgehouden. Vraagt het de oude of het kind. Dat alles weet de Israëliet. De betekenis van het gedenken is groot.

Laten ook wij naar de raad van de oude Godsman luisteren, en niet vergeten de dingen, die onze ogen gezien hebben. Het is gevaarlijk om het niet te doen. Het wel te doen, is bewaren van de ziel. Want de eeuwige dingen worden ons in de tijd geopenbaard. Ons geloof is een historie-geloof. En wie de eeuwige dingen bedenken wil buiten de tijd om, die bewaart z'n ziel niet, maar verliest dezelve.

Het bedenken der eeuwige dingen geschiedt het best, wanneer we een blik slaan, ten eerste: om ons heen, ten tweede: naar binnen, ten derde: naar boven. De oudjaarsavond trekt onze gedachten naar het verleden, naar wat achter ons ligt. Dat alles is voorbij, maar betrekkelijk.

"In 't verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal."

En:

"Al het heden wordt verleden, schoon 't ons toegerekend blijft!"

Het is alles zo nauw verbonden, en wat voorbij is, ligt om ons heen. Wanneer we om ons heen zien, zien wij het. Onze gedachten vergezellen ons. En onze daden gaan mee op het pad, met gelijke schreden. Gij kunt ze niet ontlopen. Wie dat zou willen, die zal straks een geheimzinnige angst in z'n leven voelen groeien en z'n leven zal eindigen in een vlucht. Hij zal roepen: Bergen, valt op mij, en heuvelen, bedekt mij (Lk. 23 : 30). Wie z'n ziel bewaren wil, die moet niet vergeten de dingen, die z'n ogen gezien hebben. Maar daarmede wordt hier niet alleen gedacht aan wat wij gedaan en gedacht hebben, maar aan wat God gedaan en gedacht heeft. Hebben uw ogen daarvan iets gezien? Of ging het u voorbij in 't afgelopen jaar? Wat hebt gij gezien? Niets nieuws onder de zon? Hebt ge geleefd? Uw ogen open gehad? Zijt ge geweest in de dingen uws vaders (Lk. 2: 49)? Hebt ge gezien hoe God de aarde beweegt?

1915 - dat jaar zal in de geschiedenis der wereld met rode letters geschreven blijven. Het is een bloedjaar geweest als nooit tevoren. Van 1 januari tot 31 december was er geen enkele dag, dat er geen bloed vergoten werd. De halve wereld voerde oorlog. De betekenis van deze dingen dringt nog zeer gebrekkig tot ons door. En toch is de wereld bedoeld een groot huisgezin te zijn, onder de hemelse Vader. Voelen we deze avond niet iets van de ontzetting van het jaar, dat achter ons ligt? Zult ge uw ziel bewaren, en niet vergeten wat uw ogen gezien hebben?

Bewaart uw ziel. Wat zoudt ge zeggen van de Israëliet, die geen indruk kreeg van de nacht, waarin alle eerstgeborenen van Egypteland stierven, ofschoon de bloedengel hun deur voorbijging? Of die Farao zag verdrinken in de Rode Zee, en er niet op lette? Of die de rokende berg had gezien, en het weer vergat? Zulke dingen vergeet men niet. En toch, vele Israëlieten werden er niet anders van. Ze bleven zoals ze waren. Ze wilden hebben: brood en vlees en genot. Daarom heeft God hen verdorven in de woestijn.

Laat ons blijven gedenken wat onze ogen gezien hebben. En als we van dit bloedjaar de rekening opmaken, dan schrijven we neer: vijandschap, moord, doodslag. We schrijven het op de debetzijde. En als iemand ons wil wijsmaken dat het menselijk geslacht de tijd van wreedheid, bloeddorst enzovoort te boven is, dan weten we wat we daarvan te denken hebben. Dan weten wij dat meer dan ooit tevoren het Evangelie van Jezus Christus gepredikt moet worden. Dat wij te bidden hebben om de komst van Christus' koninkrijk, en dat wij moeten arbeiden aan de uitbreiding daarvan. Het nu levende geslacht zal aan het toekomende deze waarheid hebben in te scherpen.

Maar we zien ook rondom ons in kleine kring. We werpen een blik rondom ons, en in menig huis ontdekken we een ledige plaats. Hier de huisvader, daar de huismoeder, daar een kind. We merken dat de dood ook z'n gewone gang voortzette. De mens gaat naar z'n eeuwig huis (Pred. 12: 5). Dit leven was maar voor een tijd. Hoe men woelde, hoe men werkte, hoe men wenste, hoe men begeerde, stilaan schreed de dood met het leven voort, en stil stond op eeuwigheid de klok des tijds. Plotseling verscheen het eeuwige, de Eeuwige, in het leven. Hebt ge het gezien en opgemerkt? Zult ge het onthouden, en er uw leven naar regelen? Bewaart uw ziel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben.

"Al het heden wordt verleden, schoon 't ons toegerekend blijft!"

Wij zien rondom ons - wat zagen we? Veel zonde, onrust. Maar ook: onvoldaanheid. Zuchten van het schepsel naar de levende God. Zoals de baren der zee opschuimen en weer neerploffen, zo is in zichzelf het leven der mensen. Wij zien het zolang wij leven. Buiten God is de toon van het mensenleven als het ruisen van de wind in de nacht.

Wie zal ons de zin dezer dingen verklaren? Laten we een blik slaan naar binnen, in ons eigen hart en leven, opdat deze wereld ons niet voorbijga als een schip, dat het andere passeert in de nacht, of als de nachtwind om ons huis. Maar opdat wij de zin der dingen leren verstaan, in ons hart bewaren wat wij gezien en gehoord hebben.

Alleenlijk wacht u en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben. Wij hebben op de oudjaarsavond een blik naar binnen te slaan. Wie een vreemdeling is in eigen hart, verstaat ook van alles wat hij hoort en ziet, niet de ware betekenis. God heeft de eeuwigheid in ons hart gelegd (Pred. 3 : 11). Daar althans zullen we gemakkelijker de zin van de tijdelijke dingen verstaan. Daar treft het onszelf. Daar geeft het hart klank en krijgt het leven kleur. Daar gaan de gedachten rond en hebben de overleggingen plaats. Ook het boze gedichtsel des harten ligt daar geweven (Gen. 6 : 5).

En nu is het niet voldoende om op de oudjaarsavond een blik naar binnen te slaan. Wie het nooit doet, kan het ook nu niet. Maar wie het gewoon is, zal zich thans gedrongen gevoelen het te doen. Die zal willen denken aan wat God zijn ziel deed ervaren. Al is het dat, van buiten gezien, enerlei de rechtvaardige en de goddeloze wedervaart, wie innerlijk leven kent, weet dat dit slechts schijn is. Daar binnen is de plaats, waar de levenservaring verwerkt wordt. Daar wordt de eeuwigheidskennis uitgespeld. Daar wordt een eigen leven verworven en aangekweekt. Daar wordt iets van het eeuwige der tijdelijke dingen gezien. Zo kan Paulus spreken: als onbekend, nochtans bekend; stervende en ziet, wij leven; getuchtigd en niet gedood; droevig en altijd blijde; arm en velen rijk makende; niets hebbende en nochtans alles bezittende (2 Kor. 6 : 9 v.). Het christelijk gemoed is als de molen, waar de zemel afgemalen wordt en het voedende meel verkregen. Het gouderts versmolten, het edel metaal behouden. Bij brood alleen niet leven (Deut. 8 : 3).

Heeft 1915 u iets nagelaten? Hebt ge iets vast te houden van levenservaring? Was het jaar voor u of tegen u? Zo zal het zijn. Bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben. Vergadert u geen schatten, die mot en roest verderft, maar een schat in de hemelen (Mt. 6 : 19 v.).

Gemeente, wie een blik naar binnen werpt, wie dat verstaat, zal zeker beter oudjaar kunnen vieren, dan die alleen rondom zich ziet. Maar ook daarbinnen is zoveel wat verwart. Wie verstaat z'n hart, z'n geest, z'n afdwalingen? Wie kent zichzelf? Wie weet in eigen innerlijk de eeuwige dingen klaar en zuiver te zien? ⚑Een blik naar boven is nodig. Wij moeten onze ogen geslagen hebben op de Koning der eeuwen, de onverderfelijke, de onzienlijke, de alleen wijze God, wie ere zij in alle eeuwigheid (1 Tim. 1 : 17). Pas wanneer wij in deze ure onze knieën buigen, breekt de eeuwigheid door de tijd recht door. Dan zien wij het licht in Gods licht (Ps. 36 : 10). Ook hier is de oefening des geloofs nodig.

Maar boven ons is de weg tot de genadetroon vrij. Vrij is de weg. Hoort ge het? En langs dezelfde weg valt het licht op wat rondom ons is, en wat in ons is. Ziet gij het? Bewaart uw ziel, dat gij niet vergeet, wat gij gezien hebt. Zoekt het aangezicht van uw Vader, die in de hemelen is.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Genesis 15 : 5 en 6Suameer (1910-1923)Richteren 7 : 2 →