O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Klaagliederen 5 : 19Suameer (1910-1923)Micha 6: 9b →

Verzamelde Werken, deel 7 · Suameer (1910-1923) · p. 110–112

Amos 3 : 7

Gewisselijk, de Here Here zal geen ding doen, tenzij Hij zijn verborgenheid aan zijn knechten, de profeten, geopenbaard hebbe.

Amos 3 : 7

Wanneer de gerichten Gods over de aarde gaan, dan is het grote voorrecht dat we bezitten, het profetisch Woord. Paulus noemt dat Israëls voorrecht. Hun zijn de woorden Gods toebetrouwd (Rom. 3 : 1 v.). Daarmee bedoelen we meer dan dat het voorzegd is. Op zichzelf is dat een schrale troost. Het profetisch Woord brengt ons echter de gebeurtenis thuis, leert ze ons kennen in: oorsprong, karakter, betekenis, bedoeling. Het profetisch Woord werpt licht op de donkere wolken. Het leert de hand kennen van Hem die de tuchtroede houdt. Het legt de betekenis uit, die de geschiedenis heeft voor degenen die oren hebben om te horen.

De profeten horen bij het volk Gods. Zij leren het volk des Heren, dat ze tot Hem in bijzondere betrekking staan. Zij prediken dat God geen vreemde is, geen gast, die heden komt en morgen gaat, maar een trouwe vader en vriend en metgezel, die trouw houdt van geslacht tot geslacht. Zij bladeren in de oude kronieken en dagboeken van het volk des Heren, en zij weten daar te vinden de bewijzen van 's Heren trouw.

Daarom heeft het volk Gods de profetie nodig. Hebben ze die niet, dan gaan ze zich langzamerhand vreemd gevoelen. Het ergste is een honger naar het Woord des Heren. Zolang het profetisch Woord er is, voelen zij zich het volk des Heren, ook onder de tuchtroede. De profeten zijn hun een bewijs, dat er een verbond tussen hen en de Here bestaat, dat de grondslag van alle dingen genade is. Daarom werd het reeds in Mozes' dagen beloofd, dat er altijd een profeet zou zijn als Mozes, om des Heren Woord te leren (Deut. 18: 15, 18). En Psalm 103 zegt dat het Woord des Heren blijft tot in eeuwigheid.

Dit troostrijke van de profetie merken wij al dadelijk op in vers 1 en 2: Hoort dit woord, dat de Here tegen ulieden spreekt, gij kinderen van Israël, namelijk tegen het ganse geslacht, dat Ik uit Egypteland heb opgevoerd, zeggende: Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend, daarom zal Ik uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken. Het is duidelijk: hier ligt een verband tussen de straffen en bezoekingen en tussen Gods betrekking tot Israël. Omdat Hij Israël uitverkoren heeft en al lang gekend heeft, is Hij strenger tegenover hen. Hun zonden kan Hij vast niet laten begaan. Hier voelen wij dus achter de oordelen en straffen de genade van God. Gods verbond is een genade-verbond. Wij zijn zo geneigd, als God straft, Hem als een rechter voor te stellen, die z'n wetten houdt, die loon en straf uitdeelt naar z'n vaste regelen. Nu is God ook wel een Rechter, maar voor degenen die van Hem niet willen weten. Wie op het profetisch Woord acht geeft, behoeft met God de Rechter niet in aanraking te komen. Het profetisch Woord leert het genade-verbond zien. Dat is de grote waarheid, die het Woord Gods ons inprent: dat we de genade Gods zullen zien. Dat is ook het Evangelie van 't Oude Verbond. Gaat deze kennis verloren, dan zijn wij verloren. Mijn volk gaat verloren, omdat het geen kennis heeft (vgl. Hos. 4 : 6). Die kennis is de kennis van 't genade-verbond. Een os kent zijn bezitter (Jes. 1 : 3). In dat licht moeten wij de wet zien, en ook de straffen. Gebeurt dat niet, dan is de wet een doodvonnis, en de straffen: de verdoemenis.

Het profetisch Woord, het Evangelie roept uit dat God de zonde wil vergeven. Dat wil echter niet zeggen dat God ze door de vingers ziet. Hij tuchtigt juist zijn volk, zegt Amos. En dan waarschuwt hij met een ontzettende ernst het zorgeloze en zondige Israël:

Zullen twee tezamen wandelen, tenzij ze bijeengekomen zijn? Zal een leeuw brullen in het woud, als hij geen roof heeft? Zal een jonge leeuw uit z'n hol z'n stem verheffen, tenzij hij wat gevangen hebbe?

Zal een vogel in een strik op de aarde vallen, als er geen strik voor hem is?

Zal men de strik van de aarde opnemen, als men ganselijk niet heeft gevangen? Zal een bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddert?

Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de Here niet doet?

Gewis de Here zal geen ding doen, tenzij Hij zijn verborgenheid aan zijn knechten, de profeten, geopenbaard hebbe. De leeuw heeft gebruld: Wie zou niet vrezen?

De Here Here heeft gesproken: Wie zou niet profeteren (Am. 3 : 2-8)?

Met deze machtige profetie rechtvaardigt Amos z'n optreden. Hij legt uit, waarom hij waarschuwen moet. De Here heeft gesproken: hij moet profeteren. De profeet noemt achter elkaar enige dingen uit het gewone leven: gelijkenissen. Ziet men twee samen lopen, wel, dan moeten ze bijeengekomen zijn. Brult een leeuw, dan... Valt een vogel plotseling, ... dan staat er een strik. Gaat een strik omhoog, dan zit de vogel vast. Blaast de bazuin, dan weet het volk: er is onraad. Is er een kwaad in de stad, dan weet men: God doet het. En nu de slotsom: als een profeet profeteert, dan heeft de Here gesproken. Er zit echter in deze rede niet enkel een reeks toevalligheden: al dadelijk, als twee tezamen komen; de leeuw die brult; de vogel die valt: de zonde; de strik die opgaat: de val; de bazuin die blaast: de profetie; het kwaad in de stad: de Here.

Zo is de moraal: Gewis, de Here zal geen ding doen, tenzij Hij zijn verborgenheid aan zijn knechten, de profeten, geopenbaard hebbe. De leeuw heeft gebruld: Wie zou niet vrezen? De Here heeft gesproken: Wie zou niet profeteren? Deze profetie is een ernstige roep voor deze koeherder van Tekoa. De trouw Gods en die van de profeet, zij komen samen om te beraadslagen. Als Mozes krijgt Amos z'n opdracht. Dit is de heilsraad, de raad des vredes, tussen Vader en Zoon. Genade is de achtergrond. Het Evangelie heeft een Zender.

Laat het niet tevergeefs roepen. Hoort naar z'n stem. De gelegenheid is ernstig. Als een leeuw brult, heeft hij roof voorzien. Wanneer God door het profetisch Woord waarschuwt, is het geen ijdel woord. Noach honderdtwintig jaar, toch kwam het. Vaak wordt het veracht. Alles blijft gelijk. Maar er is niets zozeer een waarheid, zozeer zal het werkelijkheid worden, als het profetisch Woord. Israël dacht: Het gaat om ons heen. Het is om de andere volkeren te doen. Amos zegt: Het brullen des Heren moet ú doen vrezen. Als een vogel valt, staat er een strik. Dat vallen ziet men; de strik is verborgen, maar ze moet er staan. De zonde, de oorzaak. De strik, die opgaat, en de vangst. Men kan niet ontkomen. De bazuin, het profetisch Woord, de siddering moet komen. Het kwaad in de stad: de Here. Bekering. Daartoe wordt nu het Woord Gods gepredikt. De verborgen raad en wil Gods omtrent onze zaligheid wordt erdoor verkondigd. De leeuw heeft gebruld: Wie zou niet vrezen? De Here heeft gesproken: Wie zou niet profeteren? Is dat nu een vergelijking? Waar 't profetisch Woord ontbreekt, als het oordeel, als 't brullen van een leeuw, ... Waar 't profetisch Woord is, daar hoort men de stem des Heren. Onder alle ernst - de troost.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Klaagliederen 5 : 19Suameer (1910-1923)Micha 6: 9b →