2 Korinthiërs 4 : 13
Dewijl wij nu dezelfde Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken, zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook.
2 Korinthiërs 4 : 13
Geloven en spreken staan met elkander in 't nauwste verband. In 't graf is geen verzinnen of wetenschap en een dood mens kan niets bedenken of weten om te spreken van geestelijke dingen; misschien een aangeleerde les, maar geen levenwekkend woord. Een goed vuur steekt het hout aan, al is het een klein vuur. ⚑Straks branden de droge twijgen. En zo is het ook met een gelovige ziel. Die zal een levenwekkende kracht hebben. De eerste Adam is een levende ziel, de tweede een levendmakende Geest (1 Kor. 15 : 45). En ieder die met Christus in betrekking staat, heeft dat levendmakende in zich.
Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Het is een oud psalmwoord (Ps. 116: 10). Het schiet de apostel te binnen. Gemeente, hebt gij wel zulke woorden in uw hoofd, die u te binnen kunnen schieten? Het is zo goed om bijbelwoorden van buiten te kennen, opdat wij een schat hebben, altijd tegenwoordig. Ik heb wel eens gehoord dat sommigen dat versmaden. Maar zij stellen zich dan boven Jezus zelf en de apostel Paulus, die telkens een schriftwoord aanhalen.
Zo Paulus hier: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Paulus heeft erover gesproken, dat hij het leven werkt in de Korinthiërs. Ook elders geschiedt dat: Lydia (Hand. 16 : 14). Hij vertraagt niet, maar werkt voort.
Dit leven-wekken gaat met sterven gepaard. De dood werkt in hem (2 Kor. 4 : 12). Menige moeder heeft het leven van haar kind met eigen dood gekocht. Christus heeft het leven der gemeente met z'n eigen dood gekocht. Paulus merkt ook dat het leven van Filippi, Korinthe, Efese niet gemakkelijk verkregen wordt, maar tegen de prijs, dat de dood in hem werkt. Het werkt bij de apostel het omgekeerde van wat men zou denken. Het maakt hem niet moedeloos, maar het brengt hem ertoe z'n geloof uit te spreken. Z'n gedachten vallen op een Godswoord: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Hier stoot hij op diezelfde kracht, die ook in hem werkt. Het is 't zelfde wat hij elders zegt: Wee mij, zo ik het Evangelie niet verkondig (1 Kor. 9 : 16). Dit is hem een ding des harten. De liefde van Christus dringt mij (2 Kor. 5 : 14).
Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Wat is het dan, dat hem tot spreken dwingt? Waar het hart vol van is, vloeit de mond van over. Maar wat woont er in Paulus' hart? Christus woont in hem en z'n mond vloeit van Christus over. Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij (Gal. 2 : 20). Hij moet wassen en ik moet minder worden (Joh. 3 : 30). Dat is een treffende levensgeschiedenis, die daarachter ligt. Gij kent die wel: hoe Christus Paulus alles geworden is.
Nu vindt hij 't niet erg meer dat hij al dienende en predikende sterft en duizend doden sterft. Het is z'n leven geworden en hij gaat erin op. Hij heeft er de levenswet in gevonden. Wee mij, als ik 't niet doe. Dan is Paulus geen Paulus meer. Nu sterft hij alle dag (1 Kor. 15 : 31), maar toch is 't sterven hem gewin, want 't leven is hem Christus en niet Paulus (Fil. 1 : 21).
Dat is de klem, die op veler tongen ligt. Als ze spreken, zouden ze willen spreken - van wie, van wat? Van zichzelf in deze of die vorm. En zie, dat is niet een rechte taal, die de wereld kan beter of gelukkig maken. Over uzelf zijt ge misschien niet spoedig uitgesproken, maar de wereld heeft er spoedig genoeg van. Ge sticht er in elk geval geen goed mede.
Geloof in het hart, dat doet spreken zoals 't behoort. Christus, als inwoner des harten, doet de mond belijden. Geloof in het hart, dat is de tegenwoordigheid van Christus in het gemoed. Geloof vult het hart met leven. Het trekt de geestelijke dingen aan. Het brengt het hart in functie. De hoogste werking van de geest is het aantrekken van geestelijke dingen. Dat doet het geloof. Zoals het ijzer op de magneet, zo trekt het geestelijke naar het geloof. Dan wordt het hart vol en spreekt. Bij dit levensproces valt het sterven alle dag in 't niet. Dat betreft het lagere, het waardeloze van 't leven, dat toch niet blijven kan. Degene die rijk is naar de wereld, die komt van alle kant het goed toe. Z'n rente vermeerdert hoe langer hoe sneller. Intussen wordt hij minder en staat straks naakt, en slaat z'n ogen op in de pijn. Hij, wiens hart levend is, vermeerdert z'n geestelijke schat en ziet gelaten sterven wat toch niet blijven kan.
Geloven en spreken. Wie Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is (Mt. 10 : 32). Voor wie Jezus liefheeft, is deze belijdenis niet moeilijk. Ze welt uit het hart op. Ik kan niet anders, sprak Luther. Deze belijdenis is het echte kenmerk des geloofs. Ze moet leven wekken. En het leven moet gewekt door de belijdenis. Uw naaste heeft recht op uw woord. Trouw in het belijden. De dood in het lichaam (vgl. 2 Kor. 4 : 10). Vrucht van het belijden.