O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Romeinen 6: 9aSuameer (1910-1923)2 Korinthiërs 2 : 17 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Suameer (1910-1923) · p. 156–159

1 Korinthiërs 15 : 10b

Niet ik, maar de genade Gods die met mij is.

1 Korinthiërs 15 : 10b

Onze tekstwoorden bevatten één van de tegenstellingen uit het koninkrijk Gods. Zonde en genade is wel de meest bekende. Hier zien we ik en de genade tegenover elkaar staan. Eigenlijk is dat hetzelfde, maar in verschillend verband. Zonde en genade: dat is de mens en God tegenover elkaar. Het 'ik' wordt dan tot zonde tegenover de genade. De mens en God naast elkaar als medearbeiders: dat is ik en de genade. Als ik zeg: zonde en genade, dan plaatst gij u tegenover de vergevende liefde Gods in Christus. Wanneer gij arbeidt, werkt in 't koninkrijk Gods, dan voelt gij de genade Gods met u. Gij zegt: Ik ben, de genade is met mij, en dan is de genade er eigenlijk alleen. In het eerste geval: genade is liefde, vergeving. In het tweede geval: genade is kracht. In het eerste geval: de genade vernietigt het zelfbewustzijn. In het tweede geval: de genade versterkt het zelfbewustzijn.

Paulus spreekt in 't begin van dit hoofdstuk over zichzelf. En dat is gevaarlijk werk, maar het moest. Tegenover de medemens kan men niet altijd zeggen: Ik doe verkeerd; ik ben verkeerd; ik volg een verkeerde weg. Dat is tegenover God: zonde en genade. Maar als werker kan dat niet. Die Gods medearbeider is, kan niet altijd door zeggen: Ik doe verkeerd; ik leer verkeerd. Paulus zegt: Ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen (1 Kor. 15 : 10); of: Ik leer als zij de opstanding (1 Kor. 15 : 4, 1 1). Er spreekt zelfbewustzijn uit deze woorden van Paulus. Hij vlakt zichzelf niet uit. Ik en de genade Gods, die met mij is. Tegelijk voelt hij echter wat ook hij de genade verschuldigd is: Niet ik, maar de genade Gods die met mij is.

Gemeente, in het godsdienstig-zedelijk leven hebben wij met deze beide dingen te maken: het ik en de genade. Paulus plaatste ze eerst allebei en veegt dan het 'ik' uit, zodat de genade overblijft. Velen zullen andersom doen. Genade, dat is iets waarvan hun leven het geheim niet kent. Het is alles ik, ik enzovoort. Ik zal naar deze of die stad reizen, of ik zal koopmanschap doen (Jak. 4: 13). Daarvan is verder niet zoveel te zeggen. Alles blijft daar klein. Alles blijft er minder van betekenis.

Maar het gebeurt ook andersom, dat men begint met: Niet meer ik, maar de genade die met mij is. Bij Paulus staat 't aan 't eind. Anderen beginnen ermee. Zij zullen zeggen: Ik kan niet, ik weet niet, enzovoort. Zo doet Paulus niet. Hij spreekt, als hij over z'n leven handelt, herhaaldelijk in de eerste persoon. Lees maar dit hoofdstuk. Ik maak u bekend het Evangelie (1 Kor. 15 : 1); ik heb u overgegeven (1 Kor. 15 : 3); door de genade Gods ben ik die ik ben; ik heb overvloediger gearbeid (1 Kor. 15 : 10). Overal waar de genade verheerlijkt wordt, is zulk een werkzaam 'ik'. Waar dode rust en onmacht is, wordt de genade niet verheerlijkt. Gij weet dat wel, wat dat voor dode levens zijn, waar steeds over genade gesproken wordt, terwijl het 'ik' niet werkzaam is.

Een man als Paulus is niet zo bang om 'ik' te zeggen, of te beginnen. Genade hebben is niet praten over genade of wachten op genade, maar het is beginnen met genade. De genade en het 'ik' zijn geen twee paarden voor een wagen, die ongelijk trekken. Maar als Paulus begint, begint de genade ook en als de genade begint, begint Paulus ook. Paulus is niet bang dat hij te vroeg beginnen zal. Hij vreest niet dat bij voorop zal lopen. Maar de drang zijns harten is genadedrang. Daarom vreest hij niet om te werken, te strijden, te lijden, hijzelf, en 'ik' te zeggen of: Hier ben ik. Evenals Luther: Hier sta ik, God helpe mij, ik kan niet anders.

Zonder dat zelfbewustzijn kan geen christen iets voor de wereld zijn. Dat 'Hier sta ik' van Luther, dat is een steun geweest voor miljoenen zielen. In dat ene woord zat meer genade dan in duizend slappe onmachtsbetuigingen. Luthers woord was ook een onmachtsbetuiging: Ik kan niet anders, - maar het was een krachtige onmacht, een onmacht om 'niet vast te staan', niet anders kunnen dan sterk zijn. - Wat zijn daartegenover velen als hazen met de lepels omhoog, om te zien vanwaar 't gevaar komt. Een haas staat ook, maar kan niet anders dan lopen. - Zulk een vaststaander is ook Paulus. Zulk een zelfbewust werker, die weet wat hij wil en werkt wat hij weet.

Als zulk een man zegt: Niet ik, maar de genade Gods die met mij is, daar heeft, met eerbied gesproken, Gods genade genoegen aan en eer van. Wanneer hij tenslotte zichzelf uitveegt en Gode alle eer geeft. Wanneer Paulus dat echter doet, dan is dat geen beleefdheid, maar waarheid.

Juist de krachtigste levens voelen dat 't best. Sven Hedin was een groot reiziger, Napoleon een groot regeerder. 't Diepst natuurlijk de helden Gods.

Wat moet die genade Gods dan een heerlijke kracht zijn, wanneer iemand, na al z'n vermogens tot het uiterste te hebben gespannen, na al z'n krachten te hebben gebruikt, na al z'n gaven te hebben aangelegd, gewillig zegt: Doch niet ik, maar de genade Gods die met mij is. Dan blijkt het dat we het moeten zoeken in de breedte, de hoogte en de diepte met Paulus. En dat mag voor het zedelijke en het arbeidsleven nog wel eens uitdrukkelijk gezegd worden. Het geloofsleven, ja, dat weet ieder, dat moet zinken en drinken "een volle beek van wellust". Maar dat arme arbeids- en zedelijke leven, dat loopt dan vaak zo mager af. Dat moet omdat 't moet; en staat onder de wet. Dat is dan afgesloten van de vreugde.

Niet zo bij Paulus. Zijn werk is ook in 't lijden, ook te Filippi, dronken van vreugde (vgl. Hand. 16 : 25). Maar vaak wordt ook het resultaat van gewoonten en arbeid, het karakter, de persoon, zo vaak afgepast, afgesneden: dit niet, dat wel; dit mogelijk, dat niet te verwachten. Nu is niemand z'n eigen schepper, maar de schepping is nog niet afgelopen. In de genade en met de genade leven is geschapen te worden in Christus Jezus van dag tot dag. Soms houdt 't zo spoedig op, zo kort om de hoek. Goethe's Wilhelm Meister. Twee familieleden: één bleef in een 'Laden' steken, de ander ging de wijde wereld in. Wat blijft het leven vaak steken in beperkte, enge mogelijkheden en verhoudingen. En nu moet niemand denken dat dat te helpen is met uit de band te springen of in de sneltrein te gaan. Blijf rustig waar en wat gij zijt. Maar elk werk heeft duizend mogelijkheden in zich. Iedere plek is een wereld, iedere tijdsduur een eeuwigheid, iedere roeping profetisch.

De genade is dat geheimzinnige element, waarin wij wassen kunnen. Het is de scheppende sfeer, waarin onze zielen kunnen toenemen en onze arbeid gedijen. Beethoven in de herberg. De genade die met mij is. Wanneer dat gezegd kan worden, dan is de ruimte gevonden. Waar komt 't vandaan? Wat is het? Het is Gods genade.

Menselijke banden moeten daartoe verbroken worden. De wet is de vijand der genade. Hoe vrijer en eigener het Evangelie, de genade Gods in het leven inspeelt, des te meer doet het z'n kracht voelen. Robertson. Zo ook Paulus. Dan komt wel het 'ik' naar voren, een eigen en toch een nieuw, een zeer bijzonder. God zelf is erin. En wie eruit opwast en arbeidt, voelt z'n kracht en sterkte. Dan tenslotte wat Paulus zegt, als alles ik en arbeid is geweest en eigen, dán: Niet ik, maar de genade Gods.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Romeinen 6: 9aSuameer (1910-1923)2 Korinthiërs 2 : 17 →