Reformatie of Humanisme?
naar aanleiding van H. Dooyeweerd, G. Keizer, J. Schouten, C. Smeenk en J. H. de Goede ir., Geestelijk weerloos of weerbaar?1⚑
De ondertitel, die ik maar liever in mijn tekst opneem, luidt: De geestelijke ontwapening der christenheid onder doopersche invloeden van velerlei aard. Dr. Keizer schetst de geschiedenis van het geïncrimineerde verschijnsel; Smeenk wijst op de gevaren voor de maatschappij; Schouten op die voor de staat; prof. Dooyeweerd behandelde de wetenschap en De Goede de kunst. De laatste is tevens de samensteller van de bundel en leidt die in. Het geheel is een kloek boekdeel van 242 bladzijden, royaal uitgegeven. De bijdragen over de geschiedenis en de wetenschap zijn 't uitvoerigst, elk ± 4 vel; de andere stukken ± 2 vel. De inhoudsopgave klopt niet met de paginering van de tekst.
Klopjacht tegen 'doperse' invloeden
Zoveel over het uitwendige. De inhoud kan een verweer tegen de dialectische theologie heten. Wel wordt deze met een aantal andere bewegingen, waaronder Oxford2 en Möttlingen3 onder een hoedje gevangen, maar het is daarom toch wel duidelijk waar de schoen wringt. Barth en Buchman4 zullen overigens, gesteld dat ze dit boek lezen, wat verwonderd zijn, samen tot één denominatie - de doperse - te worden gerekend . Dat is mijn hoofdbezwaar tegen deze bundel, dat het een soort klopjacht is, waarbij wild van elke gading uit het bos van historie wordt opgedreven en als dopers wordt achtervolgd. Men is dan wat verwonderd Barth en Brunner - Nederlandse namen worden niet genoemd - daartussen te zien rennen, maar nog meer over het feit dat, bij hen vergeleken, de anderen nog betrekkelijk veilig zijn en de lopen der geweren juist op hen zijn gericht, alsof ze Jan Matthijszoon uit Haarlem en Jan Beukelszoon uit Leiden waren en wij niet 1937 maar 1534 schreven. Deze opzet, die tot enige persiflage uitlokt, doet afbreuk aan de werking van deze vertogen. Of schreven de auteurs meer voor het 'binnenland', voor de eigen mensen? Vooral bij de beide eerste stukken valt dit op.
Wie zoveel tegelijk bewijzen wil, bewijst tenslotte niets meer
Men leze dr. Keizer op p. 65 en Smeenk op p. 81/82, waar hele dopercatalogi worden gegeven, die dan uitlopen op de Zwitsers. Dr. Keizer legt zelfs geografisch verbanda en Smeenk noemt de Theologia Deutsch en Barths dogmatiek in één adem en zoekt contacten tussen de middeleeuwse devoten en de theologie der crisis.b Ik kan daarin niet meer zien dan een (on)stichtelijke stemmingmakerij, op de manier waarop men Paulus afbreuk meent te doen door hem een Jood te noemen.
De schrijvers hadden veel beter gedaan met deze hele totalitaire opzet van hun boek achterwege te laten en elk stuk voor zichzelf te laten spreken. Men krijgt anders de bekende verschijnselen van zotte historische constructies, ons uit Duitsland bekend. Het is toch al te dwaas om aan Barth, die zo'n groot aandeel heeft aan het Duitse belijdenisfront, een stamboom te geven over alle ketterse sekten tot de manicheeën toe, zoals dr. Keizer doet. En hem, die de Schrift, het dogma en kerkelijke prediking als de ruggegraat van Gods openbaring eert, met de belijders van het inwendig licht op één hoop te werpen.c Wanneer ik dan ook nog enkele opmerkingen ga maken, zal ik van dit schema geheel afzien. Wie zoveel tegelijk bewijzen wil, bewijst tenslotte niets meer.
Ik zie dus af van die bladzijden waar Barth en Brunner, de dialectische theologie en de Groepsbeweging,5 middeleeuwse devotie, wederdoperij, piëtisme en kritische theologie, alles een pot nat wordt. Daarmee kan ik niets beginnen. Ik laat dat voor stichtelijk gebruik in het 'binnenland' van de totalitaire 'gereformeerde' kring. Ik zal mij bepalen tot de geschilpunten, die binnen de vrije, opene, gereformeerde gezindheid, waartoe ook ik behoor, werkelijk duidelijk aan de orde zijn.
Het gaat om het koninkrijk Gods en niet om dat van de winkelier
Dat het nodig is ze aan de orde te stellen, daarvan levert menige bladzij in deze bundel het bewijs. Ik denk aan het artikel van Smeenk. Na gezegd te hebben dat ook op sociaal terrein de gerechtigheid van het koninkrijk Gods gezocht moet worden, verklaart hij wel in te zien, dat dit slechts zeer ten dele gelukt, en vervolgt dan: "En de maatschappij, ook al komt zij weer tot voorheen ongekende welvaart, blijft verre van volmaakt."d In één zo'n zinnetje verraadt men zich.
Ik dacht aan een berucht gezangvers: "Stedelingen! looft de Heer!
Hoopt op d'oude welvaart weer;
Voor de koopman druk vertier,
Nering voor de winkelier."e
Ik wil dat zinnetje Smeenk niet te zeer aanrekenen. Hij zal een stoer sociaal werker zijn; zodat het uit zijn pastorale arbeid stamt. Maar dat maakt het des te erger. Is het dan geen tijd dat wij weer aan theologie gaan doen? Het gaat toch om het koninkrijk Gods en niet om dat van de winkelier! Moeten wij 't verschil niet weer leren zien?
Smeenk erkent dat het koninkrijk Gods niet door geleidelijke ontplooiing komt; niet door langzame verchristelijking. Dat het moeilijk is om steeds de harmonie te vinden 'tussen een aan het welzijn van het aardse vaderland gewijd leven en het begerig zijn naar een beter'. En dan: "Maar voor wie zich door de Schrift laat onderwijzen, is het in Gods kracht niet geheel onmogelijk."f Weer zo'n zinnetje, dat de nood der 'gereformeerde' theologie openbaart. Is dat geen verzadigde burgerlijkheid en is dat de levenshouding, zoals Calvijn die in zijn Institutie heeft getekend, in de hoofdstukken over Het kruisdragen en De overdenking van het toekomende leven?g
Zo gaat het verder. Wij moeten, zegt Smeenk, Gods wil ook door logische afleiding uit de Schrift leren kennen. Daarbij moeten wij ons wachten voor 'hoogmoedige zelfverzekerdheid'. "De een moet de ander controleren, opdat fouten, die mochten begaan zijn, mogen ontdekt worden."h Maar dat is toch geen kantoorwerk! Welke vorm krijgt die controle in de religie en daarmee in de theologie?
Smeenk erkent dat, al kunnen wij logisch denken, wij toch vaak onjuist concluderen. Ook verschil van tijd werkt daartoe mee - Maar daarom komt het op de beginseleni aan. Nu zijn we er. Dat zijn geen bijbelplaatsen; ook geen directe logische afleidingen daaruit, maar vrijere constructies van bijbelse gedachten, vaak door een partijleider, in een soort totalitair verband, als program geproclameerd.
Is er soms ook behoefte aan theologie binnen de vrije gereformeerde gezindheid? Bestaat er geen gevaar, dat men bij de logische afleiding uit de Schrift, de onderlinge controle daarbij en de formulering der beginselen zich meer zal laten leiden door de behoefte aan een zeker kerkelijk en politiek welzijn dan door de ere Gods? En is de vraag dan niet aan de orde, of en op welke wijze God zelf daarbij blijft meespreken?
De controverse
Dat is de kwestie waarom het bij de controverse tussen de neocalvinistische en de dialectische theologie gaat. Dat men in kringen, waar men nu reeds tientallen jaren op wetenschappelijk, sociaal en staatkundig gebied opbouwend werk heeft verricht, angstig is om alles op losse schroeven te zien gesteld, begrijp ik en waardeer ik. Maar tegen Gods Woord kan en mag men zich niet, in welgedane burgerlijkheid verzekeren. Dat betekent niet de afwezigheid van alle binding. Schouten schrijft terecht, dat God zijn Geest aan de kerk schenkt en niet allereerst aan het individu.j Maar dat is bij dit verschil in confesso. De weg der kerk leidt echter, zoals wij 't in Rusland en Duitsland zien, niet altijd op rozen. Opbouwend werk op aarde te doen is haar niet altijd gegeven. Haar fundament ligt in de eeuwigheid. Schouten noemt Barth een dynamitaro,6 die de rots van het positief christendom doet wegvallen.k Maar ook de bijbel spreekt van het Woord Gods als een hamer, die de steenrots verbrijzelt (Jer. 23 : 29). De kerk heeft niet de belofte ontvangen dat ze altijd positief christelijk zal kunnen zijn, wat de schrijvers willen. Zij heeft sterk-negatieve zijden en tijden. Christelijke politiek te kunnen uitstippelen is de laatste en minste van de charismata. En de leer van de staat staat heel achter in de Institutie van Calvijn.l
Daarom kan men het ook in vele opzichten eens zijn met het voortreffelijke artikel van prof. Dooyeweerd, zonder toch met hem tot eenzelfde slotsom te komen inzake een christelijke wetenschap. In dit stuk wordt tenminste getracht de dialectische theologie een plaats te geven in het protestantse (lutherse) denken en leven.m Het doperse raam, waarin de stukken zijn gezet, wordt hier verbroken. Dat de Civitas Dei op de wereld moet inwerkenn zullen wij hem moeten toegeven. En ook dat Calvijn deze eis scherper heeft gesteld dan de andere hervormers.o Maar de wijze waarop hij het christelijk geloof tot leidend principe wil maken in een historische cultuurgeest,p een manier die sterk herinnert aan sommige grote redevoeringen van Kuyper, brengt hem bedenkelijk dicht in de buurt van de Historische school, die hij bestrijdtq en bij de levensfilosofie, waartegen hij verzet aantekent.r Een christelijke wetenschap, zoals hij die wil,s heeft tot onmisbare vooronderstelling een constateerbare, christelijke levensstroom. Kuyper heeft die dan ook meermalen als met de vinger aangewezen. Daarom kan prof. Dooyeweerd spreken van 'een geweldige historische cultuurstrijd',t die moet worden aangebonden. En de christelijke wetenschap wil hij, zoals Kuyper in zijn Encyclopaedie, laten ontstaan uit 'een interne omzetting van de theoretische kijk op de structuur der werkelijkheid en van de menselijke ervaring'.u
Tegen een dergelijk inwendig licht, dat zou optreden in gebondenheid aan de dynamiek van een intern christelijk leven, waaraan voldoende historische continuïteit wordt toegeschreven om de christelijke wetenschap te kunnen dragen, komt nu de dialectische theologie in verzet.
De theologie heeft er voor te waken, dat het alles dan ook 'sub specie aeternitatis' gezien blijft
Het Woord dat de kerk heeft, zal ook invloed hebben op de wetenschap; de Civitas Dei zal inwerken op de staat; de gemeenschap der heiligen zal de maatschappij niet onbeïnvloed laten. Er is ook wel continuïteit, eeuwigheid in dit alles. Maar de theologie heeft er voor te waken dat het alles dan ook sub specie aeternitatis' gezien blijft, en dat het onder het gehoor van Gods Woord blijft. Anders wordt ons positief christendom smakeloos zout. Dan raken we met onze kerkelijke en maatschappelijke welvaart, met onze geestelijke bourgeoisie satisfaite, met onze synodale kantoor-controle, met onze christelijk-historische en antirevolutionaire beginselen en onze wetenschap uit de palingenesie toch in de war, zoals met humanisten altijd het geval is, als de tijd van Reformatie daar is.
Om van de christelijke kunst maar niet te spreken.