O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De opstandingInhoudRepos ailleurs →

Verzamelde Werken, deel 2 · p. 98–117

Psychologie en Evangelie1

Romeinen 7 : 14-25

Eigenlijk hoort de zonde in geen enkele wetenschap thuis. Zij is het onderwerp van de preek... Kierkegaarda

Een beschouwing over Romeinen 7: 14-25 dient wel te beginnen met enige uitleg van deze veelomstreden perikoop te geven. Wel kan het hier de bedoeling niet zijn een exegetische verhandeling te leveren zonder meer, maar als grondslag van wat er verder over Paulus' theologische psychologie gezegd zal worden, hebben we toch allereerst te trachten de teksten met enig begrip te lezen.

Reeds deze taak is verre van gemakkelijk. De Brief aan de Romeinen heeft, om haar grote betekenis voor ons christelijk geloof, de exegeten altijd sterk beziggehouden. Tegenover die literatuur voelt de uitlegger zich 'angstig klein'. Maar meer nog heeft hij dat gevoel tegenover de brief zelf, die door Luther 'het voornaamste stuk van het Nieuwe Testament' werd genoemd.b Een brief die, in de gewichtigste ogenblikken der kerkgeschiedenis, een beslissende invloed heeft gehad op de wijze der evangelieprediking. Hij heeft aan Augustinus de richting gewezen in zijn strijd over de genadeleer. De tijd van november 1515 tot september 1516, gedurende welke Luther zijn voorlezingen over de brief hield, kan men de incubatie-periode der Reformatie noemen. En door de Loci Communes van Melanchton en daarmee door de Institutie van Calvijn ligt hij ten grondslag aan de protestantse dogmatiek.

Heel in 't bijzonder is dan weer onze perikoop, die over 'de macht der zonde in het vlees' handelt, een klassieke plaats, die scheiding tussen de geesten heeft gemaakt. Gedurende de eerste drie christelijke eeuwen las men ze zo, dat Paulus hier de toestand van de onbekeerde mens beschreef. Augustinus deed het eerst ook. Maar in de pelagiaanse strijd veranderde dat. In zijn Retractationes vermeldt hij die wijziging en hoe hij er toe kwam om het op de apostel zelf te laten slaan.c Luther, Melanchton en Calvijn zijn hem hierin gevolgd.d Erasmus was het daar niet mee eense evenmin als Hugo de Groot in zijn Annotationes. "God zij geprezen", schrijft deze beroemde Arminiaan, "dat de beste christenen, en dat zijn die der eerste drie eeuwen, deze plaats zo hebben begrepen als 't behoort."f2 Ook de piëtisten voelden zich als bekeerde mensen meestal te geestelijk om de uitlegging van Augustinus te volgen. Op hun voetspoor zijn de negentiende-eeuwse exegeten in grote meerderheid tot de uitlegging der Griekse vaders teruggekeerd. Bijna alleen stond toen Hermann Friedrich Kohlbrugge met zijn preek over Rom. 7 : 14-te Elberfeld, in 1833, en de parafrase van heel Romeinen 7, die in aansluiting daaraan in 1839 verscheen.3 Deze geschriften, waarin met te voren ongekende scherpte de augustiniaanse opvatting naar voren werd gebracht, wekten grote beroering in de kringen van het Réveil. Later lag hier een punt van verschil tussen de dogmaticus van het kohlbruggianisme, dr. E. Böhl te Wenen, en die van het neocalvinisme, dr. A. Kuyper.4 De laatste kon de consequenties van de eerste niet toegeven, ofschoon hij met hem de reformatorische opvatting deelde. Deze verschillen wijzen reeds op de mogelijkheid van een uitlegging van de Brief aan de Romeinen en in 't bijzonder van het zevende hoofdstuk daaruit, zoals die in Barths Römerbrief zo algemene aandacht heeft getrokken. In de dialectische theologie heeft deze geweldige brief nog eens van zijn macht laten blijken.

Voor ik onze perikoop ga toelichten moet ik nog iets zeggen over de samenhang met het geheel van de brief. Dat staat weer in verband met het doel, dat Paulus zich bij het schrijven stelde. Men heeft daar zeer verschillend over gedacht en het is onmogelijk daarop thans in bijzonderheden in te gaan.g Men verschilde er vooral over in hoever Paulus bij het schrijven bepaald aan Joden of heidenen dacht. Maar dit is een feit, dat met deze brief het Evangelie zich losmaakt van zijn grieks-joodse bakermat in Antiochië. Paulus' reis naar het westen heeft meer dan geografische betekenis. Zij is symbool van de universele betekenis der christelijke prediking. Deze brief is naar de hoofdstad der toenmalige wereld gezonden en daarmee aan de hele mensheid geschreven. De laatste vragen over Jood en heiden (1 : 18-3 : 20), Wet en Evangelie (hoofdstuk 6-8), Israël en de kerk (hoofdstuk 9-11) worden hier gesteld en dat alles wordt opgenomen in de algemeen-theologische tegenstellingen van werk en geloof (3 : 21-5 : 19), Adam en Christus (5 :-12-19), vlees en geest (hoofdstuk 7 en 8). De vaak grimmige conflicten met de Joden, waarin Paulus' zendingswerk zo rijk is en die in zo menige brief een hartstochtelijke uiting vinden, worden hier gebeurd in de verheven sfeer der zuivere theologie. Deze brief is Paulus' geestelijk testament voor de hele kerk.

Een tweede vraag, die we even moeten aanroeren, betreft de indeling van de brief. Over de cesuren, die men moet leggen, bestaat niet veel verschil. Na een korte persoonlijke voorafspraak wordt in het voornaamste stuk van de brief (1 : 16-8 : 39) de zin van het Evangelie voor de nieuwe universele mensheid ontwikkeld. Het is een christelijke dogmatiek in zakformaat. Dan wordt de vraag onder de ogen gezien, welke plaats er nog voor het oude godsvolk Israël overblijft in het heilsplan Gods (hoofdstuk 9-11). Een reeks vermaningen sluit de brief (hoofdstuk 12-16).

Hierdoor wordt bevestigd wat ik zopas over het doel van Paulus' schrijven opmerkte. De breuk tussen kerk en synagoge wordt hier leerstelling vastgelegd. De christelijke gemeente krijgt van Godswege haar vrijbrief van de apostel. Maar in deze verhandeling voor de grote stad in het verre westen, de moeder van het menselijk geslacht, gaat de tegenstelling van Jood en heiden onwillekeurig over in die van Oud en Nieuw Testament en komt daarin tot rust. De eenheid van Gods heilsplan wordt aangewezen. De 'volkse' spanning gaat op in een godsdienstige, van werken en geloof; daarachter een metafysische: vlees en geest; dan een kosmische: Adam en Christus. Deze brief vormt reeds een overgang naar de patristiek.

In verband met onze perikoop moeten we nu nog de vraag overwegen of in het voornaamste stuk van de brief nog een deling moet worden aangenomen. Men onderscheidt dan de behandeling van de rechtvaardiging door het geloof (1 : 18-5 : 21) en die van de heiliging door de Geest (6 : 1-8 : 17).h Of de gerechtigheid, in negatieve en positieve zin, en het levensproces des geloofs.i hier moet men zeer op zijn hoede zijn, als men de brief niet van zijn heerlijkheid beroofd wil zien. Als men blijven wil in de lijn van het geloof, de Geest, Christus, en niet terug wil vallen in die van werken, vlees, Adam. De bekende commentaar van Meyer-Weiss waarschuwt, dat het verschil tussen rechtvaardigheid en heiligheid hier niet naar voren komt. Het gaat in beide stukken over de gerechtigheid Gods; maar in het eerste over de ons toegerekende en in het tweede over de in ons door God gewerkte.j Maar ook dan nog dreigt het gevaar dat we tweeërlei genade aannemen. Een, die men gelooft, en een andere, die men leeft. Een protestantse en een roomse. Een gerechtigheid van het Woord en een andere van het sacrament. Dat bedoelt Paulus niet. - Ik acht het een verdienste van de vertaling van Brouwer, dat zij hier geen scheiding maakt, maar beide laat staan onder het thema van Paulus zelf (1 : 16 v.):

Immers, ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoudenis voor een iegelijk die gelooft, eerst den Jood, maar ook den Griek.

Want daarin openbaart zich de gerechtigheid Gods, uitgaande van geloof en leidende tot geloof, gelijk geschreven staat:

de rechtvaardige zal leven uit geloofk.

Wij maken nu de ring om onze perikoop weer iets kleiner en stellen ons binnen de omtrek van het gedeelte dat met hoofdstuk 5: 20 begint en eindigt met 7 : 25. Paulus betrekt hier de wet in zijn betoog. Paulus was dat toch van plan,l maar de vergelijking van Adam en Christus (5 : 12-19) gaf er gerede aanleiding toe. Wanneer men al het menselijke samenvat onder die beide hoofden Adam en Christus, wat hebben Israël, Mozes, de wet dan voor betekenis. Ze staan er zo naast in die grote wereldvisie van Adam-Christus! Wanneer de apostel nu niet meer was geweest dan een joodse renegaat, dan zou hij ze weggebezemd hebben. Maar hij is een man Gods, een werkelijkheidsmens. Hij filosofeert niet, maar theologiseert. Het werkelijke is hem meer dan het algemene. Het universele neemt voor hem de betekenis van het bijzondere niet weg.

Adam is niet maar alleen de eerste mens, maar door hem kwam de zonde in de wereld. En Christus is niet de universele mens zonder meer, maar de brenger van de gerechtigheid Gods. En tussen die beiden speelt de wet een rol. De wereld is voor de apostel geen stelsel van logische begrippen, maar het toneel van een drama. Adam, die het opent, behoeft niet de hoofdpersoon te zijn. Deze kan evengoed van terzijde in het spel komen.

Inderdaad nemen die medespelers een grote plaats in bij de handeling van de brief. De zonde en het Evangelie ziet men optreden in het eerste deel (1 : 18-5 : 11), waarvan hoofdstuk 5 : 12-21 de samenvatting is. Dat is Adam en Christus. Maar aan de wet zijn hoofdstuk 6 en 7 en aan Israël hoofdstuk 9-11 gewijd. Paulus gaat niet zo gemakkelijk over tot de orde der kerk, der universele mensheid in Christus Jezus. Hij moet zich met moeite daarheen een weg banen. - Maar zo ziet men dan ook, dat in hoofdstuk 6, 7 en 8 niet een rustige voortzetting van het vorige te vinden is; niet een behandeling van de heiliging, als de apostel met de rechtvaardiging klaar is. Neen, dat is het niet. Veeleer is het een tegenspel, dat nog diep in hoofdstuk 8 doorwerkt en daar pas van vers 28 af tot zwijgen wordt gebracht door de bekende hymne der verlossing, waarin het motief uit hoofdstuk 5 : 1-11 zich weer doorzet.

In Romeinen 6 en 7 is het dan de wet van Mozes, waarmee Paulus zich bezighoudt, in verband met de zonde die door Adam in de wereld is gekomen. Men moet dat begrip 'wet' hier niet te eng opvatten. Het betekent bij de apostel soms ook de vijf boeken van Mozes of het hele Oude Testament. Paulus moet, als hij daarover spreekt, denken aan God, die de wet gegeven heeft, maar ook aan het volk Israël, welks geschiedenis één zondenregister is tegen die wet en dat Christus nu in de weg staat bij de redding der wereld. Hij denkt aan Jezus' kruis, dat Hij dragen moest om de liefde der Joden tot de wet; aan de vervolgingen, die hij zelf om de wet heeft moeten lijden. Het is heel iets anders de wet in een dogmatiek te behandelen, dan haar als een historische macht in het leven tegen te komen. - Wet en zonde komen daardoor soms heel dicht bij elkaar. De zonde van Adam lijkt een mythologische onnozelheid, vergeleken bij de historische stroom van ongerechtigheden, die in Israëls geschiedenis klaar en openbaar aan de dag ligt. Het bevrijd-zijn van de zonde hangt daarom nauw samen met het loskomen van de wet. In de doop is men der zonde afgestorven (hoofdstuk 6), omdatm men in Christus voor de wet is gestorven. Het loskomen van Mozes is de voorwaarde voor de overgang van Adam tot Christus.

Zo wordt het begrijpelijk, dat Paulus een opvolger kon hebben, die Marcion heette en die het hele Oude Testament verwierp, ofschoon Paulus, een veel groter theoloog, het overvloeien van Adams zonde in Israël in Gods heilsraad weet samen te voegen met het Evangelie. Zo begrijpen wij ook dat in de christelijke kerk en in de dogmatiek in alle toonaarden over de wet gesproken is. Dat hangt er van af of men de wet beschouwt als historische macht, die de mens in de zonde houdt en daar laat omkomen, door hem van Christus af te houden, of dat men er aan denkt, dat ze toch ook door God gegeven is en op zichzelf heilig en goed, zoals God Adam ook goed heeft geschapen. Er is verschil tussen Adam en de wet. De wet is geen levend wezen. Maar voorzover Paulus haar personifieert en haar betrekt in het conflict tussen Israël en de kerk, is de spanning tussen het goed of boos zijn bij de wet veel sterker dan bij Adam. In Israël is de zondeval veel concreter, meer historisch, duidelijker afgebeeld dan in het paradijsverhaal. Paulus zegt het zelf. De zonde en de dood hebben geheerst van Adam tot Christus, maar de overvloed der genade heeft toch haar eigenlijk tegenbeeld in het overvloeien der zonde in Israël door de wet.

Wij kunnen de strijd om de wet in de christelijke kerk niet begrijpen, als we daar niet op letten. Men kan gemakkelijk de vinger leggen bij een plaats als Rom. 7 : 12, waar Paulus zegt, dat de wet heilig is. Maar het is een prestatie, als hij dat doet. Het gaat er mee als bij Luther, die zich van de paus op de beter onderrichte paus beroept.5 De apostel verklaart het in Gal. 2 : 19: "wat mij zelf betreft, ik ben door de wet aan de wet gestorven, om voor God te leven." En in 2 Kor. 3 : 7 spreekt hij van "de bediening die tot de dood leidde, in letters en op stenen gegrift". Tegenover zulke uitspraken lijkt in onze brief, waar Paulus bijna als kerkvader schrijft, reeds een zekere rust te heersen. Er is iets waar van wat aan Bavinck in zijn Dogmatiekn ondanks zichzelf, ontsnapt: "Omdat Paulus naar de gang van zijn betoog de wet in haar heilig karakter wil eren, werpt hij alle schuld op de zonde." Er is een nauw verband tussen zonde en wet, dat in de christelijke kerk nooit geheel kalm is opgenomen.

Deze dingen hebben grote invloed gehad op de uitlegging van onze perikoop. Denkt men al te rustig dogmatisch, dan leest men Rom. 7 zo, dat het een verdediging is van de wet. Ook als men de verzen 14-25 op de bekeerde mens betrekt, kan men dan toch menen, dat de instemming van de gelovige met de wet, waarvan Paulus daar getuigt, moet dienen om te laten zien dat de wet goed is.o Maar Luther en Kohlbrugge, die er van de persoonlijke boetestrijd uit over spreken, horen in de woorden van de apostel nog iets anders. Zij kunnen niet vergeten wat zij zelf onder de wet geleden hebben. En dat deze, op de kritieke ogenblikken in de geschiedenis der kerk, steeds aan de verkeerde kant stond. De wet heeft gefaald en alleen wanneer men in Christus de ware en vervulde wet wil zien, zoals hij de ware en tweede Adam is, kan men haar laten gelden. Buiten Hem levert haar heerschappij een bozer tafereel op van zonde en dood, dan ooit Adams val alleen ons kon openbaren. Adam was door God geschapen en de wet door hem gegeven. De Schepper en de Wetgever treft geen blaam. Maar de slavernij en de doodsstaat, zoals Paulus ons die tekent in Rom. 7 : 14-25, onder de heerschappij der wet, zijn het ergste wat de bijbel ons van de val te zeggen heeft. In dat opzicht komt Godet, ofschoon hij de perikoop op het onbekeerde leven betrekt, dicht bij Paulus' bedoeling, als hij deze verzen zo samenvat: "de wet stort de mens eerst in de dood (vs. 7-13); daarna laat zij hem in die toestand zichzelf afbeulen."p Deze uitlegger ziet in vs. 14-25 een beschrijving van de 'toestand des doods'. Hij schrijft treffend: "De kracht van het stuk ligt juist in zijn eentonigheid." "Het is een klaaglied, de smartelijkste elegie, ooit uit een mensenhart voortgekomen."q

Ik laat haar hier volgen:

"Want wij weten het: de wet is geestelijk; maar ik ben vleselijk, verkocht onder de macht der zonde. Want wat ik volbreng, versta ik niet. Immers niet hetgeen ik wil, werk ik; maar wat ik haat, dat doe ik. Indien ik dan dat doe wat ik niet wil, stem ik de wet volkomen toe, dat zij goed is. Dan ben ik het echter niet meer, die het volbreng, maar de zonde die in mij woont. Want ik ben mij bewust, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont. Immers het willen is in mij aanwezig, maar niet het volbrengen van het goede. Want niet het goede, dat ik wil, doe ik; maar het kwade, dat ik niet wil, dat werk ik. Indien ik dan dat doe wat ik niet wil, dan ben ik het niet meer die het volbreng, maar de zonde die in mij woont.

Zo vind ik dan deze regel: wanneer ik het goede wil doen, is het kwade bij mij aanwezig. Want met vreugde stem ik in, naar de innerlijke mens, met de wet Gods; doch ik zie in mijn leden een andere wet die strijd voert tegen de wet van mijn zedelijk inzicht, en mij gevangen neemt in de zondewet die in mijn leden is.

Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen van dit lichaam dat in de macht is van de dood? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Heer!

Zo dan, ik voor mij zelf dien met mijn zedelijk inzicht de wet Gods, maar met mijn vlees de wet der zonde."

Wanneer het dan werkelijk zulk een elegie des doods is, komt de vraag naar voren, wie er achter dat 'ik' staat, dat hier sprekend wordt ingevoerd. Is het Paulus zelf of de mensheid of het Joodse volk? En als het Paulus zelf is, spreekt hij dan van de toestand vóór of na zijn bekering? Al deze opvattingen zijn verdedigd. Ze behoeven niet bepaald met elkaar te strijden. Het karakter van de brief brengt, zoals we zagen, al dadelijk mee, dat Adam en Mozes, mensheid en Israël, zonde en wet soms onder één gezichtspunt gezien worden. Israël staat dan in het volle licht en daarachter in vagere omtrekken de hele mensheid. Sommige uitdrukkingen uit dit hoofdstuk laten zich het best verklaren als men aan Genesis 3 denkt. Zo bijv. vers 11, waar van verleiden sprake is en in het algemeen telkens als er van gebod en niet van wet sprake is. Maar het hele schema van wet, begeerlijkheid, zonde, dood, zoals het hier aan dit hoofdstuk zijn structuur geeft, verplaatst ons toch veel meer in wat Kierkegaard 'de angst voor de schuld'r genoemd heeft en wat zo eigen is aan het Jodendom. Wanneer Paulus dus in de eerste persoon spreekt, van vers 7 af, dan kan hij dat doen als mens en als Jood tegelijk. Maar blijft hij zo algemeen of geeft hij hier zijn meer persoonlijke levenservaring? - We moeten hier waarschijnlijk wel aan een taalfiguur denken. De eerste (of tweede persoon, hoofdstuk 8 : 2) wordt dan gebruikt om iets algemeens uit te drukken,s een soort bescheidenheids-eerste-persoon, als er sprake is van minder fraaie dingen (Hugo de Groott). Ook in Romeinse pleidooien komt dat voor. - Dat algemene geeft verder aan onze perikoop iets van een spreuken-afdeling. Er wordt een 'regel' afgeleid (vers 21), waarin deze droevige levenswijsheid wordt vastgelegd. En dit is in overeenstemming met het karakter van de brief. De eerste persoon kan hier onmogelijk zo exclusief zijn als in Galaten 2 of Filippenzen 3.

Maar wij zijn hier niet meer in het Oude Testament. Paulus spreekt geen spreuken, ook als hij ze naar de vorm nadert. Hij doet het ook niet op de manier van zijn tijdgenoot Epictetus, de heiden6. De heilsgeschiedenis is in de spreukenwereld gevaren. Romeinen 7 en 8 vormen een beurtzang. Een elegie des doods die afgelost wordt door een hymne des eeuwigen levens. Daardoor komt het ook, dat de vraag of wij aan de mens in het algemeen of aan de jood of aan de christen moeten denken, veel minder knellend wordt. Paulus denkt hier in de gemeentevorm, die de psalmisten reeds kennen en waarin het 'ik' en het 'wij' elkaar kunnen afwisselen niet alleen, maar waarbij ook de verschillende momenten der heilsgeschiedenis in elkaar op en neder gaan. De vraag die er dan overblijft, is deze, of het gezichtspunt van de brief, het hoofdstuk, de perikoop aan deze of aan gene zijde van de verlossing ligt. Of Paulus met name in Rom. 7 : 14-25 terugziet op een staat der gemeente, die in het verleden ligt, of dat de elegie en de hymne nog tegen elkaar indruisen in haar heilig heden.

Wij hebben reeds gezien hoe de westerse kerk, de kerk die de diepste kennis heeft van het werk des Heiligen Geestes, van genade en geloof, in haar grootste vertegenwoordigers, Augustinus, Luther en Calvijn, daarop geantwoord heeft en dat deze zielkunde des Geestes door Kohlbrugge verder is ontwikkeld, terwijl de dialectische theologie begonnen is daarin een van haar steunpijlers te zetten. Wij hebben in Romeinen 7 een dieptepsychologie, die niet in de eenzaamheid en de dood voert. Het is een gemeentelijke kennis des harten, een theologische zielkunde, waarin iemand niet verlaten, maar verlost wordt. Het is geen eigenlijke psychologie, geen natuurbeschrijving van des mensen innerlijk, geen beschouwing van de mogelijkheden der zonde met die 'waarnemende taaiheid' (Kierkegaard7), waarin sommige moderne romanciers zulk een buitengewone vaardigheid hebben ontwikkeld. In Paulus' psychologie zien we God niet in een moeras wegzinken, maar hier draaft Hij als een held door het veld des Geestes.

In onze perikoop ontmoeten wij een reeks infernale machten: het vlees; in verband met vers 7-13 de begeerlijkheid; het kwade; de zonde; de dood; en achter die falanx de wet Gods, die ze opwekt en aandrijft. Nauwelijks zal men ergens in de bijbel de helse machten zo in het gelid geschaard zien staan. Ze hebben haar eigen slagorde, haar eigen tactiek, een wet waarnaar ze in 'mijn leden' (vs. 23) zich gedragen, zo correct, zo volgens de regel, in zulk een volmaakt communisme der ongerechtigheden, dat de wet Gods, die ze wakker maakt, straks haar eigen aangezicht als een slangehoofd in de spiegel tegenover zich ziet. Deze orde is de wet der zonde en des doods (8 : 2), die het leven maken tot een lijk (7 : 24), waaruit Paulus om verlossing roept.

Deze schildering is donker genoeg, vooral omdat we hier niet een stemmingsbeeld voor ons hebben, uit een bewogen gedeelte van des apostels pastorale brieven, maar een spreukmatig opgestelde afdeling van zijn meest-theologische brief, waarin de eerste persoon slechts een figuur is. En toch is er geen wanhoop in dit stuk. Wij dalen hier niet in de Tartarus af om daar een gruwelschouw te houden. Integendeel, al deze machten zijn opgeroepen uit hun onderwereld om met Jezus Christus geconfronteerd te worden. Het zijn figuren uit de heilige oorlog, die de kerk de heilsgeschiedenis noemt. Hier wordt ons de zondeval getekend, nu niet meer zo, dat men in de verzoeking kan komen de verzoeking voor een mythe te houden, en ook niet meer in de concrete historische vorm van Israëls geschiedenis, waardoor men haar voor afgelopen kon houden, maar als een gebeurtenis in de kerk onder het kruis. Daarom behoeft het ons niet te verwonderen, dat alle machten der duisternis hier op het appèl zijn. Hier is meer dan een simpele slang. En wie de kerk voor een beslissing wil stellen over de val, die moet het hier doen. Hier blijkt dan de betekenis van de kwestie, die de uitleggers van Romeinen 7 verdeeld hield en die soms voor een exegetische puzzle werd gehouden, maar bij Augustinus of Kohlbrugge veel meer is dan dat. Het komt er op aan of wij de zondeval naar Adam of Mozes mogen terugschuiven - want dat het gebeuren van onze perikoop een chronologische kwestie zou zijn in het leven van Paulus, daar willen we nu maar niet eens over denkenu - of dat we deze erfzonde met haar bezoldiging, de dood, in de kerk, in het heilig heden, in al haar demonische klaarblijkelijkheid aan het licht moeten brengen. Paulus doet dat, ook blijkens Rom. 8 : 23: "ook wij zelf, daar wij de eerstelingsgave des Geestes bezitten, ook wij zuchten in ons binnenste."v8Alleen wanneer wij het zo zien is deze psychologie te verdragen. Want dan weten wij dat wij niet met deze boze machten in een zak worden ingenaaid, zoals de Freudiaanse psychologie dat doet, maar dat zij op het forum der kerk worden getrokken, om door Jezus Christus gericht te worden. Dan zegt Hij ook van deze diepste zonde, de erfzonde, tot ons: ga heen en zondig niet meer.

Wij moeten nu verder zien hoe de gestalte is van die machten, wanneer ze, zoals Paulus in Romeinen 7 doet, in het licht van het Evangelie getrokken worden.

Daarbij kan dan tevens blijken, dat het gevaarlijk is om er mee van de gemeente tot de enkele ziel in te keren. De tegenstelling van vlees en geest, zonde en genade wordt dan te psychologisch in de gewone zin van het woord. We lopen dan gevaar toch weer terug te vallen in een zielkunde der angsten en der duisternis. - In zoverre heeft die exegese van onze perikoop toch wel enig recht, die weigert in Rom. 7 : 14-25 de apostel Paulus terug te vinden en daarin liever de Farizeeër of het kind Saulus ontdekt. Maar dat recht erken ik toch alleen maar voor zover men daarmee weigert de apostel van de gemeente te isoleren. Het is waar dat er angsten en noden en zonden zijn, vóór de kennis der wet en onder de wet, die de gelovige zo niet meer kent. Het is een weldaad voor het kind als het de Tien geboden leert. Niet omdat het daarmee van de zonde bevrijd is. Paulus leert juist andersom. Maar omdat het daardoor uit zijn eenzaamheid getrokken wordt, zodat de angst tot ongehoorzaamheid wordt gesocialiseerd. - Zo gaat het weer bij de overgang van de wet naar het Evangelie. De farizeeër is de eenzame. Hij is niet 'gelijk de andere mensen'. Hij zegt: "ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles wat ik bezit." Als men uit dit isolement verlost wordt is het resultaat weer geen zondeloosheid. Integendeel, de tollenaar bidt: "O God, wees mij zondaar genadig." Maar deze laatste heeft in de tempel iets van de gemeenschap der heiligen leren kennen. - Daarom is het wel waar, dat er onderscheid is tussen de Paulus van voor en van na zijn bekering. Maar met dat verschil mag men zich niet omkeren om het hem al te persoonlijk op te dringen. Dan zou hij ontkennen, dat de angst en de begeerlijkheid achtergebleven zijn, toen hij christen werd. Hij kent ze nu zelfs beter dan te voren. Maar dit is de heerlijkheid van zijn apostolaat, dat hij er in de kerk over spreken mag. Dat hij ze met het kruis van Christus mag bannen. En dan zijn het toch niet anders dan ... spoken.

Deze spoken, gesteld onder. het licht van het Evangelie, zien er overigens huiveringwekkend genoeg uit. Het klassieke boek, waarin ze worden uitgebeeld, is Bunyans Christenreize. En dat het zulk een grote plaats in de kerk kon krijgen naast de bijbel, is het beste bewijs, dat de uitlegging, die Augustinus en Luther van ons hoofdstuk gaven, de juiste is.

Hier wil ik nu, aan de hand van onze perikoop, nog enkele portretten geven uit andere schrijvers. Ik wil laten zien welk een verschil het maakt of wij dezelfde machten tegenkomen in de eenzaamheid van het dodenrijk, waar de waarnemende psychologie haar analytische en letterkundige geestfotografie beoefent, of dat wij ze ontmoeten onder het daglicht van het Evangelie.

Kierkegaard heeft een boek over Angstw geschreven, dat door de psycholoog Höffding een geniaal werk werd genoemd.x Hij wil in dat boek aantonen, dat de zonde niet in de psychologie of enige andere wetenschap, maar in de preek thuis hoort, precies hetzelfde wat ik hier wilde laten zien. Hij wraakt het, dat "de wetenschappelijke gewichtigdoenerij de predikanten te pakken gekregen" heeft.y Wat de zielkunde ons laat zien zijn toestanden, waaruit men de mogelijkheid der zonde kan aflezen, maar die de werkelijkheid der zonde nooit kunnen verklaren. Daarmee brengt alleen de dogmatiek ons in aanraking.

Wat Kierkegaard ons dan van die psychologische vooronderstellingen der zonde laat zien, vat hij samen onder de naam 'angst'. Het is werkelijk een onderwereld waarin hij ons leidt.

Steeds demonischer worden die toestanden waaruit de zonde ontspringt. Ik denk hier aan een toestand, waarin de angst een werkelijke zonde weer wil negeren.z Dat wil dus zeggen, dat iemand met zijn zonde, waarmee hij tot Jezus zou kunnen komen, weer in zijn eigen ziel onderduikt. En de dominee, die zulk een ziel volgt, gaat er mee uit de prediking in de psychologie terug. Dat is iets vreselijks. De zonde wordt genegeerd. In plaats van haar als een vrije daad te laten gelden, waarop berouw en geloof kunnen volgen, maakt men er weer een mogelijkheid van en men stoot de ziel in haar eigen angsten terug. - Maar ook hierin is nog weer een oneindige verfijning mogelijk, Er kan bijv. berouw zijn, waarmee dus de werkelijkheid der zonde erkend wordt. Maar dat berouw wordt nu in de ziel teruggeduwd en tot mogelijkheid verlaagd. Het kan de zonde niet in geloof opheffen, maar slechts om haar lijden. Dat is een aangrijpende vorm van angst, die Kierkegaard op de volgende wijze beschrijft: "Hier is de angst op zijn hoogst. Het berouw heeft zijn verstand verloren en de angst tot berouw gepotentieerd. De consequentie van de zonde gaat haar gang en sleept de individu als een vrouw met zich, die door een beul aan heur haren wordt voortgetrokken, waarbij zij het in wanhoop uitschreeuwt. De angst gaat vooraf, hij ontdekt de consequentie, voor zij komt; zodat men aan zichzelf kan merken, dat er een onweer dreigt; hij komt nader, de individu trilt als een paard, dat hinnikend op dezelfde plaats begint te steigeren, waar het eens geschrokken is. De zonde overwint. De angst werpt zich wanhopig in de armen van het berouw. Dit waagt het laatste. Het vat de consequentie van de zonde als een lijden ter wille van de straf, het verderf als de consequentie van de zonde op. Het is verloren, zijn vonnis is geveld, de verdoeming is zeker, en de verscherping van het vonnis ligt daarin, dat de individu gedurende zijn hele leven naar de gerechtsplaats moet worden gesleept. Met andere woorden: het berouw is waanzinnig geworden."a

Kierkegaard maakt de opmerking, dat zulk een berouw "in de dialectiek van de hartstocht veel machtiger is, dan het echte berouw." "Deze ontzetting met woorden en zinswendingen tot staan te brengen, ware verloren moeite; hij die zoiets onderneemt, kan er altijd zeker van zijn, dat zijn predikatie slechts kindergestamel is in vergelijking met de oerkrachtige welsprekendheid welke zo een ten dienste staat."b

Deze schilderij is vreselijk. Men moet, zoals Kierkegaard, in de angsten van een geconcentreerde eenzaamheid geschoold zijn en tot het leven geoefend te midden van de ongevormde mogelijkheden, die huiveren boven een kale vlakte, om ze zo te kunnen geven. Hier wordt het berouw met het hoofd onder water geduwd, van een werkelijkheid tot een mogelijkheid teruggezet, tot een aanhangsel van - de volgende zonde.

Dat is het niet, wat Paulus in onze perikoop tekent, als hij met een neerdrukkende eentonigheid herhaalt: niet hetgeen ik wil, werk ik; maar wat ik haat, dat doe ik. En: niet het goede dat ik wil doe ik; maar het kwade, dat ik niet wil, dat werk ik. En: als ik het goede wil doen, is het kwade bij mij aanwezig. Wel steekt dit proza, dat zich nog ver uitstrekt tot in Romeinen 8, sterk af tegen de poëzie van Romeinen 8 : 28 vv.c Ginds wordt het gevangen-zijn beschreven, terwijl hier de verlossing bezongen wordt, maar we zijn er toch niet in de psychologie, maar in de dogmatiek. De machten zijn hier 'openlijk aan de kaak gesteld' (Kol. 2 : 15) en dat heeft Christus gedaan 'door aan het kruis over hen te triumferen.' Hier is niet de 'taaie waarneming'9 van de zielkundige aan het woord, die de peilschaal der ziel afleest met het oog op de mogelijkheid der volgende zonde, maar hier is de spreukenwijsheid van een Prediker; en dan niet die van de oudtestamentische, die zo moede wordt van de eentonigheid der herhaling, doch een andere, apostolische, die weet hoe men de zonde, de begeerlijkheid, de wet en de dood in de preek moet zetten, met het gezicht naar Jezus toe, om hun dan de knopen af te tellen, zoals een korporaal het doet met een slordige recruut. Wanneer dat midden in de gemeente gebeurt, dan is er onder alle beschaming toch een heilige humor in de zaak, zoals alle psychologen en moralisten bij elkaar er geen korreltje kunnen produceren. En dan breekt men onder het neerslachtige werk soms even af met een ongeduldig: "Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen van dit lichaam dat in de macht is van de dood? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Heer!" Om dan weer verder te gaan, ofschoon het niet meer zo van harte gaat, tot men het niet meer vol kan houden en zich omkeert naar Jezus. En dan begint de hymne

Wij nu weten, dat God dengenen die hem liefhebben, in alle dingen mede werkt ten goede, namelijk die naar Zijn voornemen geroepen zijn.

Nu keer ik de vergelijking van psychologie en preek om en wil laten zien, dat de evangelieverkondiging ook niet zonder zielkunde is, ook al is die van een heel ander soort. Ik beroep mij daartoe op Hermann Friedrich Kohlbrugge, die zeker een begenadigd prediker was. Bij hem kan men zien, dat de begeerlijkheid en de zonde, de wet en de dood niet voor de drempel der kerk blijven staan, maar dat ze mee binnen komen. De duivel, die Heine en Corelli ons als de 'charmante' hebben getekend,10 is hier op zijn best en er is een zekere laatste ernst voor nodig om hem hier ten toon te stellen.

Kohlbrugge is geen methodist van het slechte soort - van de goede wil ik geen kwaad zeggen - die, zoals Tolstoj dat ergens, ik meen in Anna Karenina,11 tekent, de zondaar eerst in het vuur der zonde zetten, alsof ze al in de hel waren, en dan de brandspuit van het Evangelie laten aanrukken. Het trekken van zulk een scherpe grens is ook het kenmerk van alle slechte psychologie en het neemt de troost uit de prediking weg. De fout van de Freudiaanse zielkunde is niet, dat ze de machten der duisternis over een zekere drempel probeert te trekken om ze zo onschadelijk te maken. Dat heeft ze van de evangelie-prediking goed afgekeken. Maar wel, dat ze meent, dat het daarmee al zo ongeveer gedaan is. Dat is een wetenschappelijk methodisme van de slechtste soort. Deze zielkunde vestigt onze aandacht bijna uitsluitend op wat beneden de drempel is. Het wordt een soort duivelbannerij, de nachtzijde van de Christusprediking. - Maar de strijd, die onze volle aandacht moet trekken, heeft plaats aan deze zijde van de grens. Daar wordt het pas ernst, als onder het licht van het Evangelie, midden in de gemeente, binnen de muren van de kerk, de boze machten, tot historische figuren uitgewassen, door Christus worden ontwapend en aan de kaak gesteld (Kol. 2 : 15). En daarmee kom ik terug op wat ik vroeger reeds opmerkte. Deze gestalten komen niet, zoals dat in de psychoanalyse gebeurt, onder de vloer van het toneel vandaan. Daar zit de souffleur. Maar de werkelijke spelers komen van terzijde op. Ze komen volgens de regel van het spel, in goede orde, en zijn niet maar zo als baarlijke duivels te bannen. Men moet ze ontzien en ze een zeker recht toekennen. Ze spelen mee tot het laatst toe. - Dat is het grote van Paulus' brief, dat bij hem de psychologie tevens een theodicee is, zoals dat bij Augustinus ook het geval is. Romeinen 9-11 is de keerzijde van Rom. 6 en 7. De machten, waarmee de Brief aan de Romeinen gereed moet komen, heten wet en Israël, begeerlijkheid en godsdienst. En alleen Christus is de machthebbende, die het recht heeft daarover vonnis te strijken. Op dezelfde wijze doet nu ook Kohlbrugge in zijn preken. De zonde wordt in haar respectabelste vormen voor Christus getrokken. Niet als een middeleeuws kerkduiveltje of als een moderne libido-vermomming, maar als een stuk christelijke heiligmaking, een openbaring van wat cultuurleven uitmaakt; ons rechtsbesef, onze zedelijkheid, onze godsdienstigheid. Deze zonde komt niet regelrecht uit Adams angst. Ze is niet primitief. Geen vorm van 'verdringing'. Kierkegaard heeft wel een onderscheid gesteld tussen Adams zonde en die van zijn nageslacht, maar noemt het verschil kwantitatief niet kwalitatief.d Dit acht ik onjuist. Het is waar wat hij zegt, dat de zonde geen geschiedenis krijgt. Maar het geslacht heeft wel een geschiedenis. En in verband daarmee krijgt het verschil tussen een zonde, die onder de drempel vandaan komt, en een andere, die uit de historie komt, een veel grotere betekenis dan Kierkegaard wil toegeven. De psychoanalyse houdt zich bezig met de subliminale zonde. Paulus en Kohlbrugge met die, welke uit de geschiedenis ontstaat. Deze laatste visie beantwoordt alleen aan de werkelijkheid en brengt ons de troost van het Evangelie.

Op aangrijpende wijze heeft Kohlbrugge het roverspel van wet en begeerlijkheid getekend in zijn parafrase van Romeinen 7.e "Heilig en rein voor het gebod te verschijnen, dat althans enigermate tot stand te brengen daarheen ging mijn streven; en daarom weigerde ik hardnekkig, de verlorenheid te erkennen, hoezeer ik ze ook aan mijzelf ervoer. Ik zocht de oorzaak nu eens in de wil, dan in het doen; nu in de kracht, dan weer in de hulpmiddelen; maar niet, zoals ik had moeten doen, in mijn zijn. Alles, wat der wet was, greep ik aan om er mij met alle macht op toe te leggen, het gebod gelijkvormig te zijn. En had ik mij alzo met hetgeen der wet was als met een roof versierd, dan was ik tevreden en vrolijk, dat ik mij nog staande gehouden zag. - Gelijk ik nu roofde wat Godes was, werd ik door een ander beroofd; intussen uitgeschud als ik was, ving ik opnieuw en herhaaldelijk aan, mij met Gods gaven te sieren. Doch ziet daar overviel mij een andere rover en kleedde mij uit tot op het gebeente. De wet echter weigerde mij met de meeste beslistheid haar gaven en haar reinheid, om mij daarmede te sieren; en dat deed zij niet uit haat; want om de wille van haar heilige natuur kon zij haar koninklijke klederen niet laten bevlekt en bespot zijn door mijn natuur. Om harer gerechtigheid wil, moest zij mij haar sneeuwwitte, alles weerspiegelende sluier onthouden... Toen ik nu deze schijn van sneeuwwitheid leugenachtig vertoonde... gebeurde het mij ten laatste, toen ik eens, alle waarschuwing niet achtend, om mijn lust te hebben, die klederen aflegde, zoals ik meermalen gedaan had, en nu terugkeren wilde om ze weer aan te trekken, - dat ik toen zelf het goede woord mij voorhield: 'Gij zult niet begeren', dus ook die klederen zult gij niet begeren!"

In de eigenaardige preektaal van Kohlbrugge, waaraan men moet wennen, is hier een stuk geloofspsychologie gegeven, die aan Augustinus, Pascal, Bunyan doet denken. Vooral aan de eerste moet men denken, om de manier waarop hier het aardse leven als een roversleven wordt voorgesteld. Maar alles culmineert in de paulinische tekst, als aan het slot het gebod de begeerlijkheid betrapt op diefstal van het heilige. Hier wordt de vrome zelf als een tempelschender aan de kaak gesteld.

Men zou deze beschrijving onder de titel van de krankzinnig geworden begeerte kunnen plaatsen naast die van het krankzinnig geworden berouw bij Kierkegaard. Maar des te scherper komt het verschil uit. De schildering van Kohlbrugge is niet door de 'waarnemende taaiheid' verkregen, die Kierkegaard gediend heeft. Het is geen beschrijving van mogelijkheden, die men, als men er maar op geoefend is, rondom zich in tal van gevallen kan waarnemen. Het is geen eigenlijke psychologie, laat staan subliminale psychologie. Wat Kohlbrugge tekent is zeer bovengronds; het is uit de historie afgelezen theologie. Deze tempelschender is Paulus zelf, desnoods Luther, desnoods Kohlbrugge zelf. Maar altijd een representatieve figuur, in wie het beschreven gebeuren zich exemplaar heeft voltrokken, zodat het als theorie voor het leven van anderen kan dienen. De rol die deze figuren daarbij spelen is een plaatsbekledende, zodat, naarmate in hun leven dit alles zich scherper heeft afgetekend, anderen in dezelfde mate er van ontheven zijn om het precies nog eens zo door te maken. De ware theologie is niet methodistisch, maar werkt in tegenovergestelde richting. Wat Kohlbrugge hier geeft is de zonde in de preek, waar ze volgens Kierkegaard ook thuis hoort en niet in de wetenschap, de psychologie. En hij preekt hier over Paulus, die de gerechtigheid uit de tempel wilde stelen, zoals de Farizeeër in de gelijkenis, maar tot wie Jezus toen zei: gij zult niet begeren.

En nu moet men niet zeggen, dat Paulus dit na zijn bekering toch niet meer gedaan heeft, want dan toont men er nog niets van verstaan te hebben. Het gaat hier niet om Paulus' persoonlijk leven, maar om theologie en voor die theologie heeft het hele apostolaat van Paulus juist betekenis. Paulus staat hier tussen Jood en heiden, wet en Evangelie. Hij is historisch in de volle zin van het woord. Hij wordt tot geschiedenis gemaakt en maakt geschiedenis. En met hem staan op het toneel de grote historische machten, de wet en Israël, die niet met Adam uit de aarde opduiken en altijd kunnen terugkomen, zoals de dingen waarmee de psychologie zich bezighoudt. Zij zijn, zoals Paulus het noemt, 'bovendien ingekomen' (Rom. 5 : 20), wat ik zo uitdrukte: van terzijde op het toneel gekomen. Met dat soort figuren heeft de theologie het te doen. Israël laat ons de zondeval zien - ik zei het reeds veel reëler dan Genesis 3. Met Adam kan de psychologie nog een spelletje drijven, met Israël niet. In dat volk toont de bijbel ons de val voluit, tot de kruisiging van de Zoon toe, en dan weten wij wat we onder zondeval te verstaan hebben. Dan heeft de zonde ook nooit dat vergeeflijke, dat ze in de psychologie, als ze met het oog op haar ontstaan beschouwd wordt, altijd houdt. Ze wordt ook niet als herhaalbaar gezien, zodat het berouw in verzoeking kan komen met de volgende zonde te koketteren. Zonde in de geschiedenis, waar de dingen van de kant inkomen, is zonde-ééns-en-voorgoed, die nooit terugkomt en het is daarmee dat de preek zich bezighoudt. Het diepste komt men daarvan onder de indruk als men leest, dat Jezus tot zonde gemaakt is (2 Kor. 5 : 21). Hier is nu van een ontstaan der zonde helemaal geen sprake meer. Jezus is volledig 'bovendien ingekomen.' Psychologie houdt hier absoluut op. Dit is volle historie. Het hoort helemaal in de preek en geen enkele wetenschap kan er iets mee aanvangen.

Op dat zelfde vlak is Paulus nu ook gesteld en daarom is het zo verkeerd van Romeinen 7 een kwestietje uit het leven van de apostel te maken. Hij is het helemaal, voorbeeldig voor de kerk en onherhaalbaar. Paulus is in Romeinen 7 zelf tot theologie geworden en wat hij was en wat hij is, dat kan men hier niet meer scheiden, omdat het samen is opgenomen in het systeem na zonde genade. Aan Paulus kan men zien wat scheppen is, beter dan aan Adam, wiens schepping toch altijd iets van een mythe heeft. Paulus is door Jezus Christus geschapen in het volle licht van het Evangelie. Jezus heeft hem niet door waarneming ontdekt, maar hij heeft hem geformeerd, zoals God het Adam deed uit het stof der aarde. Paulus is een schepping van het Evangelie. Jakob Wassermann heeft eens gezegd, dat de grote schrijvers hun figuren niet vinden maar vormen.12 Achterna ontstaan dan zulke mensen als zij in hun boeken tekenen. Als voorbeeld noemde hij Madame Bovary van Flaubert. Dit is een schaduw van de scheppende macht van het Evangelie. Jezus heeft de Farizeeër en de tollenaar zeker niet zo gezien in de tempel. Maar Paulus is later de Farizeeër-tollenaar, beide in een - 'onvermengd en onveranderd, ongedeeld en ongescheiden'f.

Wij raken hier een belangrijk punt voor de verhouding van wetenschap en geloof, psychologie en christendom. In de eerste moet men op éénheid staan. De ziel is dan een samenstel van toestanden, waarvan de onderlinge samenhang moet worden gepostuleerd. Althans voor de moderne zielkunde geldt dat. Bij de ouden, zoals bijv. de neoplatonici, is ziel veel meer een speculatief begrip en daarom kon Augustinus er ook een theologisch gebruik van maken. Thans gaat dat heel moeilijk. Wanneer nieuwere schrijvers als Maeder13 die kant toch uit willen, dan is daarmee het terrein van de moderne psychologie eigenlijk verlaten. - Bij Kierkegaard wordt de grens tussen psychologie en theologie streng bewaakt. Hij is tegen iedere smokkelaar op zijn hoede. Wel kent hij ook in de zielkunde iets dubbels. Dat is voor hem juist een kenmerk van dit gebied.g Maar het is een slapende dubbelheid; het is dubbelzinnigheid. Het zijn twee kanten van één zin, bijv. een zoete angst enz.

In de theologie staat alles juist anders. Daar is volle dubbelheid, maar zonder een greintje dubbelzinnigheid. Daar heeft het woord zin een heel andere betekenis. De zin heeft geen dubbelheid, maar de dubbelheid heeft zin. En nu kom ik terug op Paulus en Jezus. Dat Jezus God en mens is, is niet dubbelzinnig; integendeel in die dubbelheid ligt de zin van het Evangelie. Daarom mag men Jezus niet psychologisch benaderen, maar alleen theologisch. Hij hoort niet in de zielkunde, maar in de preek. En wie hier een valse eenheid zoekt te maken kan niet meer preken. In de preek staan beide onvermengd en onveranderd, ongedeeld en ongescheiden.

Deze woorden van het concilie van Chalcedon vormen echter niet alleen een dogmatische bepaling uit de christologie, ze leveren ook een algemene theologische regel. In de christelijke geloofsleer staan de dingen zo ondubbelzinnig, onpsychologisch, zo voor de zinnen naar twee kanten onbenaderbaar, dat iedere zielkundige overweging er mee vastraakt. Maar dit dubbele heeft zin voor het geloof. Het is één, niet voor de zinnen, maar voor de persoon, zoals Jezus ook God en mens is in enigheid des persoons. Daar is het ongedeeld en ongescheiden.

Zo staat het nu ook met Paulus, de Farizeeër-tollenaar, die in Romeinen 7 voor ons staat, niet als dubbelzinnig individu, maar als dubbel-persoon, die gepredikt kan worden:

Het goede dat ik wil: Ik geef tienden van alles wat ik bezit.

Het kwade, dat ik niet wil: O God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen.

Wat ik haat, dat doe ik; het kwade dat ik niet wil, dat werk ik: O God, wees mij zondaar genadig! ⚑In enigheid des persoons.

Deze dubbelheid heeft zin voor het geloof en zij alleen maakt een einde aan de dubbelzinnigheid, die zo hardnekkig de christelijke prediking op de hielen volgt. Want wie weet niet hoe moeilijk het is om ondubbelzinnig over de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar te preken? Bekend is het gezegde, dat iedere Farizeeër thans met de woorden van de tollenaar bidt. En de tollenaarsbede wordt in de gemeente onwillekeurig een goed werk, zoals het vasten tweemaal per week. Hier is werk voor de psychologie, zolang men ze gedeeld en gescheiden laat. Maar hoe langer men zich daarmee bezighoudt, hoe dubbelzinniger alles wordt. Altijd duikt achter de tollenaar de Farizeeër op en achter de Farizeeër de tollenaar. - Er is maar één middel om hieraan een eind te maken en dat is, beide onvermengd en onveranderd tot een éénheid te maken, zoals dat in Romeinen 7 gebeurt. Psychologisch is dat onmogelijk. Het is preek en theologie.

Dat heeft Luther duidelijk gezien en daarom wil ik nog iets van hem aanhalen.h14 Luther legt sterke nadruk op de 'enigheid des persoons'. Hij spreekt over Rom. 7 : 25: "Zo dan, ik voor mijzelf dien met mijn zedelijk inzicht de wet Gods, maar met mijn vlees de wet der zonde." Luther zegt dan: "Dat is de allerduidelijkste plaats. Kijk, een en dezelfde mens dient tegelijk de wet Gods en de wet der zonde; hij is tegelijk rechtvaardig en een zondaar. Hij zegt namelijk niet: mijn zedelijk inzicht dient de wet Gods, en evenmin: mijn vlees dient de wet der zonde, maar: ik, zegt hij, ik, de hele mens, een en dezelfde persoon, ik sta in deze dubbele dienstbaarheid." Hij wijst er op dat de heiligen, tegelijk met hun rechtvaardigheid, de kwaliteit van zondaren bezitten. Als ze geloven in Christus' wetsvervulling betekent dat, dat ze 't zelf niet doen. Zo moet men, zegt Luther, ook Romeinen 2 begrijpen, waar Paulus dit tegen de Joden heeft, dat zij de heidenen verwijten doen, ofschoon ze zelf dezelfde dingen doen. Hij wil niet in die fout vervallen.

Men wordt door die plaats bij Luther levendig herinnerd aan wat Augustinus ergens in zijn Belijdenissen schrijft.i15 Hij houdt zich daar ook bezig met de vraag van Paulus. Ook hij vraagt hoe het kwam, dat hij wilde en niet deed. Als de ziel het lichaam bevel geeft, dan gehoorzaamt het dadelijk. Maar als ze zichzelf commandeert, dan ontmoet zij tegenstand. Zijn er dan twee zielen in de mens, van tweeërlei natuur? Van deze psychologische dubbelzinnigheid keert de kerkvader dan in tot de eenheid van het persoonlijke. Hij schrijft: "Ik was het die wilde; ik was het ook die niet wilde; ik was het."

Dat is de weg der kerk. Beiden, de kerkvader en de kerkhervormer roepen ons uit de dubbelzinnigheid van het psychologische tot de dubbele zin van het persoonlijke. Hier wordt ten slotte ook eenheid gevergd, maar van een ander soort. Deze eenheid is niet meer kwantitatief en de wet der causaliteit regeert er niet meer. De persoon is niet een agglomeraat van toestanden zoals de ziel en de overgangen zijn niet geleidelijk. Willen en niet-doen kunnen samengaan, maar sluiten elkaar toch uit. Hier dringt alles naar een oplossing en wordt de kreet wakker: ik ellendig mens! De eenheid is een zedelijke en ten slotte een theologische kwestie. Want de persoonlijkheid als zedelijke figuur is maar een schaduw. Pas in de theologie komt zij tot haar recht. De conflicten van Romeinen 7 komen niet eerder tot rust, voor de zang der bevrijding van Romeinen 8 : 28 vv. gezongen kan worden.

Luther heeft dat in zijn verklaring zo treffend gezegd, als hij opmerkt, dat Paulus precies andersom praat als men in de scholastiek deed. Daar stelde men het voor alsof de zonde moet worden weggenomen, zoals men het wit van de muur kan vegen, of krijt van een bord."16⚑ Dat noemt hij de metafysische of morele uitdrukkingswijze. - En nu stelt Luther zijn theologische daartegenover, die ons aandoet als een van die copernicaanse wendingen, zoals ze een enkele maal in de geschiedenis voorkomen. "De wijze waarop de apostel spreekt" - zo schrijft hij - "heeft de zin en de betekenis, dat veeleer de mens het is, die weggenomen wordt, terwijl de zonde blijft als een overblijfsel."j17

Dat is de Divina Commedia van Romeinen 8: 28-39. Dat is waar ook. Zo kan de zaak ook tot een oplossing komen en de eenheid worden bereikt. Zo zou het dubbele ook een ondubbelzinnige zin krijgen. Maar waar blijft de zonde dan? Waar blijft het overblijfsel? Nergens, zegt Luther. - Bij dit grandioze antwoord denk ik aan Genesis 2, waar Adam uit het stof der aarde geformeerd wordt. Men vergelijke daarbij Ezechiël 28 : 13 v., waar hij in zijn heerlijkheid als een 'gezalfde cherub' beschreven wordt. Waar is het stof der aarde gebleven, als hij zo in 'Edens hof' staat? Er is maar één antwoord, dat ieder vindt, die iets van aardse liefde verstaat. Nergens. - Wanneer er dan straks gezegd wordt: stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren, dan betekent dat de dood. Men kan het niet omkeren. Men kan de stof niet van Adam afdoen, zo, dat Adam zelf overblijft. De metafysische verklaring is niet mogelijk. Wel kan Adam uit het stof genomen worden. De zin der dubbelheid heeft zich dan getoond en de eenheid heet liefde.

Luther heeft diezelfde antwoorden gevonden voor de goddelijke liefde van Christus en hij heeft de oplossing van Romeinen 7 gegeven. Als de laatste verzen van Romeinen 8 waarheid worden, dan zijn de machten uit Romeinen 7 nergens. Men kan het niet omkeren. Men kan geen psychologische aftrekmethode op Paulus of enig mens toepassen om zo de christen over te houden. Men kan Saulus niet van Paulus aftrekken. De jonge Paulus niet van de oude. De Farizeeër niet van de apostel. Het kwade niet van het goede. Men kan zoveel duivelen over de drempel trachten te drijven als men wil, het met bezemen gekeerde huis blijkt straks voller dan ooit. De naam is legio. - De psychologische methode doet het niet. "De wijze, waarop de apostel spreekt heeft de zin en de betekenis, dat veeleer de mens het is, die weggenomen wordt, terwijl de zonde blijft als een overblijfsel." "Nergens." - Dat is theologie, Evangelie.

Wie de omgekeerde weg wil bewandelen, ziet ten slotte alles in de stof-zonde, de sexualiteit, verzinken. De nieuwere psychologie heeft ons dat geleerd. Iedere geste, ieder woord wordt een dubbelzinnigheid, tot het eerste en het vijfde gebod toe. Aardse en hemelse liefde zinkt weg in het moeras. Wij kunnen niet leven zonder theologie. De theologie van Paulus, Augustinus en Luther, waarin onze dubbelheid niet in dubbelzinnigheid ondergaat, maar wordt uitgedreven tot de eenheid in Christus, waarbij God alles in allen wordt.

Voetnoten

  1. a

    S. Kierkegaard, Angst, vert. S. van Praag, Amsterdam zj., p. 17; of der Begriff Angst, uitg.E.Hirsch, Düsseldorf 1952, p. 13.↩

  2. b

    Vorrede auf die Epistel sankt Pauli zu den Römern, 1522, WA. Bibel, 7, 3.↩

  3. c

    Retractationes, 1, 23 (MPL. 32, 620).↩

  4. d

    Voor Luther: Vorlesung über denRömerbrief 1515/1516, WA. 56, p. 340; voor Melanchton, vgl. Melanchthons Werke, uitg. Stupperich, 1965, Römerbrief-Kommentar 1532, p. 224; voor Calvijn, vgl. Commentarius in ep. Pauli ad Romanos, CR. 49, k. 130.↩

  5. e

    Desiderius Erasmus, Opera Omnia, uitg. Van der Aa, Leiden 1705 (heruitg. Gregg, Londen zj.), di. 6, k. 599, annot. 27.↩

  6. f

    Hugo Grotius, A nnotationes in Novum Testamentum, Groningen 1826 vv., dl. 6, p. 135.↩

  7. g

    * Een mooi voorbeeld vindt men in Kommentaar op den Brief aan de Romeinen van F. Godet, bewerkt door G. J. A. Jonker, Utrecht 1900, p. XXXIV-LII.*↩

  8. h

    *Vgl.Godet/jonker, a.w.,p.50en279.*↩

  9. i

    *Vgl. A. van Veldhuizen, Paulus en zijn Briefaan de Romeinen (in Tekst en Uitleg. Practische verklaring van het Nieuwe Testament, red. A. van Veldhuizen), Groningen 1916, p. l0l.*↩

  10. j

    Vgl. B. Weiss, Der Brief an die Römer (in Meyers Kritisch exegetischer Kommentar über das N.T. 8ste dr.), Göttingen 1891, p. 258 v. (noot); vgl. ook p. 28.↩

  11. k

    *Naar deze vertaling citeer ik ook verder.*↩

  12. l

    Vgl. Meyer-Weiss, a.w., p. 258 v. (noot); vgl. ook p. 28.↩

  13. m

    Meyer-Weiss, a.w., p. 262.↩

  14. n

    *H. Bavinck, GD., dl. 3, p. 57.*↩

  15. o

    *Bavinck, a.w., p. 57 v.*↩

  16. p

    Godet/Jonker, a.w., p. 319.↩

  17. q

    Godet/Jonker, a.w., p. 330.↩

  18. r

    Vgl. Kierkegaard, Angst, hoofdstuk 1 en 2, 2.↩

  19. s

    *F. Blass, Grammatik des neutestamentlichen Griechisch, bew. A. Debrunner, 12de dr., Göttingen 1965, p. 176 (§ 281).*↩

  20. t

    Annotationes, dl. 6, p. 127 (vgl. ook p. 138).↩

  21. u

    *Romeinen 7 : 25b is blijkbaar een 'noot', waarin P. met een autos ego - ik zelf- zich even insluit.*↩

  22. v

    *P.Feine, Theologie des neuen Testaments,2dedr.,Leipzig1912,p.249v.*↩

  23. w

    Zie boven, p. 98, noot a.↩

  24. x

    H. Höffding, Sören Kierkegaard als Philosoph, 2de dr., Stuttgart 1902, p. 81.↩

  25. y

    Kierkegaard, a.w., p. 17.↩

  26. z

    Kierkegaard, a. w., p. 147 (Hirsch, p. 1 16 v.).↩

  27. a

    A. w., p. 150 (Hirsch, p. 1 1 9).↩

  28. b

    A.w., p. 151 (Hirsch, p. 119 v.).↩

  29. c

    *Vgl. de stichometrische vertaling van Brouwer.*↩

  30. d

    *Kierkegaard, a.w., p. 35 (Hirsch, p. 27).*↩

  31. e

    *Uitg. van 1932: p. 28; uitg. de Quervain: p. 29 (zie ook noot 3).*↩

  32. f

    *Dogmatische formule van het concilie van Chalcedon.*↩

  33. g

    *Vgl. Kierkegaard, a.w., p. 51 (Hirsch, p. 40).*↩

  34. h

    *M. Luther, Epistel-Auslegung, dl. 1, Der Römerbrief, uitg. Ellwein, Göttingen 1963, P. 101.*↩

  35. i

    * Conf VIII, 10 v.; 22.*↩

  36. j

    M. Luther, Die Vorlesung über den Römerbrief WA. 56, 334.↩

Eindnoten

  1. 1

    Verschenen in P. J. Molenaar, Psychologie en Evangelie, Amsterdam 1934, p. 38-66, onder de titel De dubbelzinnigheid van het leven, Romeinen 7: 14-25. Andere opstellen in deze bundel waren o.a.: W. J. Aalders, Het geweten en P. J. Molenaar, SchaamtegevoeL Daarna gepubliceerd in Zl., p. 59-82 (pag. ). Voor Noordmans' 'Ter inleiding' zie boven p. 26 v., noot 1.↩

  2. 2

    Grotius, 6, 135: "Deo laus sit quod optimi, id est, trium primorum saeculorum Christiani hunc locum sic ut opertet intellexerint . . ."↩

  3. 3

    De preek was die welke Kohlbrugge op uitnodiging van G. D. Krummacher hield. De parafrase van 1839 is opnieuw uitgegeven vanwege de "Vereeniging tot uitgave van gereformeerde geschriften", Amsterdam 1932, alsmede in Biblische Studien, no. 28, Neukirchen 1960, door A. de Quervain: Das siebte Kapittel des Römerbriefes.↩

  4. 4

    Vgl. hiervoor E. Böhl, Von der Rechtfertigting durch den Glauben. Ein Beitrag zur Rettung des proiestantischen Cardinaldogmas, 1890; en A. Kuyper, Vleeschwording des Woords, vgl. hierover ook: G, C. Berkouwer, Geloo en heiliging, Kampen 1949, p. 76, en dez., Geloof en rechtvaardiging, p. 10.↩

  5. 5

    in de Apellatio, die Luther in oktober 1518 bij een notaris liet deponeren; vgl. WA. 2, 27.↩

  6. 6

    Epictetus leefde van ± 50 -+138 na Chr. In wijsgerig opzicht keerde hij terug tot de beginselen der oudere Stoa en in zijn praktische levensleer richtte hij zich tot de leken. Zijn Enchiridion (van de hand van Arrianos) heeft als meest volledige stoïsche tekst het beeld van de Stoa tot in de nieuwere tijd beslissend bepaald.↩

  7. 7

    Noordmans heeft hier waarschijnlijk het oog op de beschrijving van de waarneming van de psycholoog in het tweede hoofdstuk, vgl. Angst, p. 68 vv. (uitg. Hirsch, p. 53 vv.): "Degene, die zich op een behoorlijke wijze met psychologie en met psychologische waarneming heeft beziggehouden, heeft een algemeen menselijke buigzaamheid (Hirsch: Geschmeidigkeil) verworven ... Evenals de psychologische waarnemer nog leniger dan de koorddanser moet zijn, om zich in de mensen te verplaatsen . . ., evenals zijn zwijgzaamheid in vertrouwelijke ogenblikken iets verleidelijks en wellustigs moet hebben, zodat de geslotenheid haar welbehagen daarin vindt onder deze kunstmatig teweeggebrachte ongemerktheid in stilte binnen te sluipen . . ." (curs. van uitg.).↩

  8. 8

    Feine: Noordmans citeert de tweede druk, waarin Feine verdedigt, dat Paulus zijn ervaringen uit het heden beschrijft. In later tijd (vgl. bijv. de zevende druk, 1936, p. 172) nuanceert hij zijn standpunt in deze zin, dat deze (huidige?) ervaringen van de apostel terugreiken tot in Paulus' voor-christelijke tijd. Over de geloofsstrijd spreekt Feine hier ook veel korter.↩

  9. 9

    Vgl. boven noot 7.↩

  10. 10

    Vgl. Heinrich Heine, Die Heimkehr, in Das Buch der Lieder, 35 (Sämtliche Schriften, uitg. Briegleb, dl. 1, München 1968 vv., p. 125):

    "Ich rief den Teufel und er kam, Und ich sah ihn mit Verwundrung an.

    Er ist nicht hässlich und er ist nicht lahm, Er ist ein lieber, scharmanter Mann, Ein Mann in seinen besten Jahren, verbindlich und höflich und welterfahren . .

    Voor Marie Coreili, zie di. 1, p. 253, noot 5.

    Een zinspeling op deze gedachte vindt men ook bij het aan Noordmans goed bekende: William James, Pragmatism, Londen 1913, p. 72: "The prince of darkness may be a gentleman, as we are told he is. . ."↩

  11. 11

    (?) Het motief doet eerder denken aan Opstanding.↩

  12. 12

    Vindplaats en gelegenheid onbekend.↩

  13. 13

    A. Maeder (geb. 1882) verdedigde, het eerst op het Internationaal Psychoanalytisch Congres van 1913, een finalistische psychologie, zonder daarbij overigens het genetisch postulaat overboord te werpen. Op deze wijze kon hij zich distantiëren van biologisme en determinisme en liet hij ruimte voo.- een meer evangelische benadering van de zieke (vgl. J.H. van den Berg, Kroniek der psychologie, Nijkerk 1973, p. 75 v.).↩

  14. 14

    Römerbrief, 101: "Das ist die allerdeutlichste Stelle. Siehe da, ein und derselbe Mensch dient zugleich dem Gesetze Gottes und dem Gesetz der Sünde, er ist zugleich gerecht und ein Sünder. Er sagt nämlich nicht: Meine Vernunft dient dem Gesetz Gottes, ebensowenig wie: mein Fleisch dient dem Gesetz der Sünde, sondern: lch, sagt er, ich, der ganze Mensch, ein und dieselbe Person, ich stehe in dieser zwiefachen Dienstbarkeit ... Die Heiligen sind zugleich, indem sie gerecht sind, Sünder; gerecht, weil sie an Christus glauben, dessen Gerechtigkeit sie deckt und ihnen zugerechnet wird; aber Sünder, weil sie das Gesetz nicht erf'üilen, nicht ohne sündliche Begier sind, sondern wie Kranke, die in der Pfiege des Arztes stehen ... Aus dieser zuverlässig gewissen Erkenntnis heraus redet der Apostel oben im zweiten Kapittel so furchtlos wieder die, die in ihren eigenen Augen gerecht waren und die anderen richteren, die Böses taten, obgleich sie doch selber eben das gleiche taten . .↩

  15. 15

    Confl. VIII, 22: " .. . ego eram, qui volebam, ego, qui nolebam; ego eram."↩

  16. 16

    Vgl. Luther, WA 56, 335, 9vv.: "Quare patet, Quod spiritualiter peccatum auferri (i.e. voluntatem peccandi mortificari) intelligit Paulus, illi autem methaphysice opera peccati et concupiscentias volunt auferri, Sicut a pariete albedinem et ab aqua caliditatem." In de oorspronkelijke versie van deze studie (zie noot 1) had Noordmans nog beide beelden uit de Luthertekst: het wit van de muur en de warmte van het water. ".... zoals men de witte kleur van een muur kan wegdenken of wegdoen, of de warmte van het water,........ Psychologie en Evangelie, p. 64. In ZL. laat Noordmans het beeld van de warmte en het water weg, om dat van het krijt en het bord ervoor in de plaats te stellen.↩

  17. 17

    WA. 56, 334: "quia Apostolus loquitur, ut significet (sonet) hominum potius aufferri↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De opstandingInhoudRepos ailleurs →