Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 482–488

Weergave

Ontwikkeling en toestand van de ethische theologie1

Wanneer ik gevolg geef aan de uitnodiging van de redactie van dit tijdschrift om over 'de ethische theologie' een kort bericht te geven, dan zal ik mij daarbij natuurlijk tot een enkele hoofdlijn moeten bepalen. Reden te meer om dadelijk 'in medias res' te gaan.

Voor ons land is de opkomst van deze theologie verbonden met de namen van Beets en Chantepie de la Saussaye. De eerste vertegenwoordigt meer de praktische, homiletische zijde; de tweede het theoretische, speculatieve element. Men kan moeilijk zeggen dat beiden in dezelfde zin 'ethisch' zijn geweest. Beets is tevreden met een 'status quo' in de kerkelijke dogmatiek. Hij brengt die echter niet op een 'zware', onverteerbare wijze in zijn preken. maar 'stichtelijk', dwz. zo, dat de morele kant van het dogma naar voren komt; de troost voor de ziel en de vermaning voor het geweten.a Er zijn natuurlijk in die tijd en vroeger meer predikanten geweest die hetzelfde gedaan hebben. Maar behalve de vrome wijding en het grote talent waarmee Beets tot volkomenheid brengt wat anderen voor en naast hem gedaan hebben, is er bij hem toch ook iets nieuws. Wat bij anderen verstrooide 'toepassing' bleef, wordt bij hem tot een geheel: een systeem van gelovige zielsbeschouwingen, waarvan men de samenhang begint te ontdekken. Een christelijke levensbeschrijving waarin men de toestanden afzonderlijk kan schilderen zoals Beets doet, maar toch met het doel om tot volledigheid te komen. De prediking van de dogmatiek gaat op die wijze over in de verkondiging van een christelijke ethiek. En die ethiek lijdt niet meer aan een specifiek-kerkelijk beoefeningskarakter, maar heeft humane culturele betekenis. In het christen-zijn ligt de vervulling van het mens-zijn.

Beets heeft niet willen zeggen dat daarmee de hele inhoud van het dogma zou zijn uitgeput. Een dergelijke theologische gedachtengang is hem vreemd. Zijn denken keert niet van de praktijk naar de theorie terug. Invloed op zijn dogmatiek heeft het niet.

Deze richting is nu juist eigenaardig voor De la Saussaye. Hij heeft grote belangstelling voor het leven, maar hem gaat het er vooral om, in verband daarmee, de christelijke waarheid te bepalen. Wat hem voor de geest zweeft is een ethische theologie, niet een theologische ethiek. Het is van groot belang dit onderscheid goed in 't oog te houden. Ofschoon er verwantschap is tussen de arbeid van De la Saussaye en Gunning en wat in Duitsland Richard Rothe e.a. beproefd hebben, is het onderscheid toch heel groot. Men mag het eigen karakter van de Nederlandse ethische godgeleerdheid nooit uit 't oog verliezen. Tegenover iemand als Beets is dat nadruk-leggen op het verschil tussen ethische theologie en theologische ethiek niet nodig. Hier is geen theologische ethiek, maar christelijke ethiek aan 't woord. Daarbij wordt uit de bijbel, de geloofsleer en de levenservaring alles gebruikt, wat in de wijdste zin op de christelijke erve thuisbehoort. Het christelijk leven wordt er niet kritisch gezift om daarna van filosofische en theologische beginselen uit gereconstrueerd te worden. De geloofsleer blijft, zoals we gezien hebben, ongerept. Heel anders wordt dat bij iemand als Rothe die uit het godsbegrip de menselijke persoonlijkheid zoekt af te leiden. Hij gaat ook uit de theologie naar de ethiek. Maar bij hem heeft dat wel invloed op de geloofsleer. Ruimte voor de belijdenis van de Drieëenheid blijft daar eigenlijk niet over.

Tegenover deze theologische ethiek nu staat de ethische theologie in ons land vierkant over. De la Saussaye moge dan het geloof der gemeente in nauw verband met haar leven willen beschrijven, hij wil toch dat leven niet eerst kritisch besnoeien en construeren. Om het complete christelijk leven is het hem te doen. Om in hedendaagse taal te spreken, wil hij het fenomenologisch benaderen. Hij gelooft dat, zoals Beets fundamentalistisch het dogma intact liet, het hem zal gelukken het speculatief te handhaven. Hij meent dat een eerlijke beschouwing van het christelijk leven de kerkelijke waarheid volkomen aannemelijk maakt.

De ethiek dan, die Beets aan de hand van bijbel, leerboek en ervaring ontwikkelt en van waaruit De la Saussaye terug wil gaan naar het leerboek zonder bijbel en ervaring uit te schakelen, is niet de filosofische maar de christelijke zedeleer. Ik ben het eens met degenen die Vinet hier tegenover Schleiermacher naar voren brengen.b Schleiermachers volle kracht ligt in zijn ethische filosofie, zijn zedelijke bezinning. Hoeveel waarde ook moet worden toegekend aan zijn leerstellige arbeid en de invloed daarvan, ik geloof toch dat zijn Geloofsleer een proeve moet heten van wat er van de christelijke waarheid overblijft als men met zijn wijsgerige zedeleer gereed is gekomen. Deze hoofdgedachte van Brunners Die Mystik und das Wort cstaat mijns inziens wel onaangevochten.

Met Vinet is het een heel ander geval. Deze begenadigde 'gallische' geest doorvorste het wedergeboren hart. Hij vindt het doortrokken van een droefheid naar God, een 'tristesse évangélique', waardoor het een hoger en heiliger cultuur wint dan ergens elders valt aan te wijzen. Deze cultuur is dooraderd van lijnen die zich verliezen buiten het aardse leven. Gunning zou zeggen: ze is een torso, dat zijn lijnen in de lucht werpt.d In wijsgerige terminologie kan men spreken van apriori's en categorische imperatieven, die in het zondige leven hun inhoud niet kunnen krijgen en daarom de waarheid der goddelijke beloften postuleren.

Deze zedeleer is het, die de ethische theologie ten onzent steeds in verband met de geloofsleer heeft willen stellen.

Daarom kan ik niet toegeven dat voor de ethischen ten onzent de volgende stellingen kenmerkend zijn: "De dogmatiek rust op de ethiek; de ethiek moet vooropgaan en de dogmatiek volgen; ... het accent moet niet vallen op de leer maar op het leven."e Ik wil niet ontkennen dat tot die bewering vaak aanleiding is gegeven. 'Het' staat misschien wel hier of daar letterlijk zo. Maar dan moet ik nog ontkennen dat in de theologie van De la Saussaye en Gunning 'de zaak' zo staat. De ethiek in de zin van Vinet kan niet voorafgaan aan de dogmatiek. Ze is meer geloof dan leven; meer hoop dan ervaring; meer verlangende dan gevende liefde. Daarom juist is haar kenmerk: de 'tristesse évangélique'. Al haar hogere goederen liggen buiten eigen levensbereik.

Hiertegen zou men kunnen inbrengen dat de weg van het kennen toch wel uit het leven naar het geloof kan lopen. Maar ook dit gaat niet op als het eigenaardige van het christelijk leven als geloven gedacht wordt. En dit is vooral bij Gunning zo sterk het geval. Hij weet dat van schepsel tot Schepper geen overgang is; geen denken buiten het geloof. Een negatieve uitkomst van het onderzoek is uitgesloten. De werkelijkheid van het geloof is geen idee maar een feit. Al wat tegen het geloof wordt aangevoerd, zo zegt Gunning met Thomas Aquinas, moeten 'solubilia argumenta' zijn,f omdat het geloof op onfeilbare waarheid steunt.

We moeten nu de vraag onder de ogen zien of er dan in de ethische theologie in 't geheel geen innovatie schuilt. Of de hele strijd tussen bijv. 'gereformeerden' en ethischen op een misverstand berust. Dat er veel misverstand bestaat, vooral in verband met het boven opgemerkte over 'leer en leven', meen ik wel. Maar niet alles mag zo heten.

In de eerste plaats, omdat het beginsel van de ethische theologie, haar eigenlijke 'Einstellung', vaak zeer onzuiver en onklaar tot uitdrukking is gebracht. Bij De la Saussaye en Gunning beide is ook filosofische ethiek ingedrongen naast de evangelische. Vele motieven uit het Duitse idealisme worden voor een goed hoorder merkbaar. Ook wanneer ze geen 'Vermitttungstheologen' behoeven te heten, dan hebben ze toch veel materiaal uit die theologie gebruikt. Dat is de reden waarom Kuyper van hun eigen standpunt, de theologie der wedergeboorte, uit hen vaak met recht kon bestrijden. En toch was Kuyper juist hier de leerling van De la Saussaye. Dit misverstand mocht met recht 'afschuwelijk'g heten en maakte het kruis uit van de ethische leiders, omdat goed verstaan en niet begrijpen, beurtelings van hun fundamentele en hun toevallige positie, recht en onrecht in het verwijt bijna onontwarbaar maakten.

Maar dat hier een nieuw geluid hoorbaar werd, dat was geen misverstand. Het komt er op aan dit principieel, afgescheiden van alle bijkomstigheden, in het licht te stellen. Ik laat hier terzijde dat tegenover het sceptisch empirisme van een Pierson de hele mens op de voorgrond werd gesteld of tegenover de burgerlijke christelijkheid der oudliberalen het christendom van het hart. Hierin onderscheidt de ethische theologie zich niet van het Réveil en het neocalvinisme.

Niet dat de hele mens tegenover de halve gesteld wordt is hier de hoofdzaak, maar dat in de theologie het menselijke 'überhaupt' tegenover het onmenselijke wordt gesteld. Want dit onderscheid gaat ook door in de theologie der wedergeboorte, waarin ze samen met het Réveil en Kuyper staan. De la Saussaye zegt ergens dat de mens een ontdekking is in de theologie.h

Wat is dan het onmenselijke, dat ik hier bedoel? Het zijn de abstract logische en metafysische redeneringen in de theologie. Het zijn die lijnen, die men van Genesis tot Openbaring kan doortrekken, zonder zich van de mens die intussen verschenen is of, wat erger is, van Christus die in het vlees gekomen is iets aan te trekken. Het zijn de zedelijke natuurwetten van de roomse theologie en de scheppingsordinantiën van Kuyper, die het God en mensen onmogelijk maken zich in de geschiedenis te bewegen of verroeren. Daartegenover krijgt het ethische pas zijn ware betekenis.

Men kan die onmenselijke redeneringen vergelijken met evenwijdige lijnen. Ze lopen op gelijke afstanden, zeldzaam correct, tot in het oneindige door zonder zich door iets te laten storen. Men kan dan met Leibniz optimist zijn zonder zich van de inhoud van zijn ochtend- of avondblad iets aan te trekken. Of predestinatie 'drijven', zonder de hel van Dante ongelezen te laten. Ik ben niet bijzonder ingenomen met het pragmatisme en zijn relativering van waarheid. Maar James heeft indertijd in zijn Humanismi over dat onmenselijke in rationalistisch redeneren toch wel dingen gezegd, die 'ethisch' denken verraden.

Dit denken wil gestoord worden. Het wil dat de gedachten zullen afwijken van haar banen, als ze in de buurt van een hart komen. Ze schrijven aan de geest de kracht toe om ze om te buigen rondom een zedelijk centrum.

Voorlopig, maar ook slechts zeer voorlopig, kan men dit 'humanisme' noemen.j Luther is in zijn geloofsopvatting humanist vergeleken bij Thomas Aquinas. Het geloof is hier veel minder onpersoonlijk, menselijker. Maar deze titel moeten we toch dadelijk weer loslaten, omdat hij verwarrend werkt. Want de mens wordt hier niet tegenover God gesteld. God is niet onmenselijk in bovenbedoelde zin. God is een Geest veel meer dan de mens. En denken met het hart verstaat Hij nog veel beter: God is Liefde.

De ethische theologie, de theologie van het gestoorde denken, doet zichzelf daarom onrecht als ze zich een antropologisch uitgangspunt toeschrijft. De la Saussaye had beter gedaan te spreken van de ontdekking van God in de theologie in plaats van die van de mens. Datzelfde geldt van het artikel van Gogarten waarnaar ik in een noot verwees. De woorden antropologie en humanisme werken hier verwarrend.

Daarmee is het 'ethische' veilig gesteld tegen humanistische vervlakking. Dat dit de bedoeling van De la Saussaye en Gunning was, blijkt ook wel uit de uitdrukking God-menselijk die ze zo vaak gebruiken en waarmee ze het eenzijdig menselijke uit de godgeleerdheid zoeken te weren. Maar deze term is weer zo vol van 'Vermittlung', zo blootliggend voor pantheïstische gedachtengangen, dat hij absoluut niet 'bene meritus est' voor de ethische theologie. In menig opzicht was dan het humanisme van de Groninger school, waarin wat de Duitsers noemen: een 'gesellige' verhouding tussen God en mens werd aangenomen, veiliger. De afstand bleef daar in elk geval bewaard. In de 'opvoeding' is het gevaar van vermenging minder dreigend dan in de 'unio mystica'.

Wanneer men daarom zuiver de diepste motieven van de 'ethischen' naar voren wil brengen, doet men beter niet te veel van leven te spreken, niet van menselijk leven, nog minder van god-menselijk leven. Het gaat bij het 'ethische' om een geestelijke verhouding tussen God en mens. En daarin staat uit de aard der zaak God zo zeer voorop dat van onze kant het geestelijke veel beter geloof kan heten dan leven. In het gestoorde denken, dat zich beweegt om de beide middenpunten: God en mens, is de Eerste alles bepalend. Mensengedachte stoort de theologie niet. Het zijn 'solubilia argumenta', die van daaruit opkomen. De grote storingen gaan van God uit. Deze hoofdgedachte van Barth is zuiver ethisch.

Men kan zeggen dat er in de tweede periode van ethisch theologisch denken ernstige pogingen zijn gedaan om in deze richting verder te komen. Juist toen heeft men, in kantiaanse lijn, recht willen doen aan het bovenmenselijke en het supra-historische. De normen die in het rijk der waarheid en der zedelijkheid gelden hebben boven-menselijk karakter. Ze openbaren zich wel in onze geest, maar niet van ons zelf. Ze wekken de categorie van het heilige niet slechts in ons, maar hebben ook een heiligheid op zichzelf. Zo ontstaat er een ethische theologie, waarin niet de mens of het leven, maar de geest het grote gegeven is, dat van alle kanten doorlicht moet worden. En geest is hier meer dan mensengeest alleen. Wat meer is, onze geest staat hier in een verhouding van ondergeschiktheid en gehoorzaamheid. Voor een ineenvloeiing van het menselijke en goddelijke is minder gevaar. Het gevaarlijke, dat in het woord 'leven' schuilt, is hier gedeeltelijk overwonnen.

Gunning is in zijn Leidse periode reeds begonnen min of meer in deze richting te gaan, maar pas later zijn deze gedachten in aansluiting aan de Duitse cultuurfilosofie van een Troeltsch en de geschriften van Herrmann meer op de voorgrond gekomen.

Van hoeveel ernst deze pogingen ook getuigen, toch meen ik dat ze het 'ethische' niet zuiver hebben vertolkt. Deze leer van de geest is te wijsgerig, te formeel, te inhoudsloos om de theologie te kunnen dienen. Ze werkt te kritisch, te constructief en loopt gevaar theologische ethiek te geven in plaats van ethische theologie. Dat gevaar is hier veel groter dan bij De la Saussaye en Gunning waar het christelijke leven veel naïever als een gegeven grootheid, met rijke inhoud, wordt opgenomen, zodat de speculatieve aandacht vrij blijft voor de theologie zelve.

In de ethische theologie behoort 'ethisch' een theologisch begrip te zijn. Het heilige moet er niet als eigenschap maar als wezen toe behoren. De Geest, die als ethisch gegeven in de theologie doorzocht wordt, is de Heilige Geest. Ik geloof dat ik daarmee de grondgedachten van Vinet, De la Saussaye en Gunning inderdaad weergeef. De la Saussaye klaagt er al over dat men de heilige geest met een kleine letter schrijft.k In de filosofische ethiek en cultuurfilosofie moet dat ook. Geest is dan produkt van de ethische ontwikkeling en heiligheid is de eigenschap van dat produkt.

Aan zulk een produkt hebben we in de theologie en in de prediking en voor ons geloof niets. Wij hebben nodig: geen geperfectioneerde mensengeest. Die kan het onmenselijke van het mensenlot, de wrede logica van ons bestaan slechts op de spits drijven. De theologie bedoelt de kennis van een Geest, die menselijker is dan de mens, die hem troost over zijn lot. Een Heilig Hart, dat de onbarmhartige dodenrit van onze gedachten doet afbuigen van hun weg. Een God, die de noodlottige redelijkheid van ons leven stoort, ook 'de redelijkheid der religie',l en ze bekeert tot de zedelijkheid van het geloof.

Zo houdt het 'ethische' uitgangspunt een eigen betekenis ook op het gemeenschappelijke erf der orthodoxie. Ook binnen de theologie der wedergeboorte. De leer der wedergeboorte bij Kuyper behoudt een min of meer fysisch-metafysisch karakter: het is een onderstelling, geen geloofsinhoud. De wedergeboorte is een correctie of herstel in de schepping en geen eigen primair geloofsartikel. Ethische theologie stelt juist de storing in de schepping voorop. De storing door de mens in negatieve zin, door de zonde. Maar bovenal de storing in positieve zin door Gods genade.

De lijnen van wereld en leven en denken lopen niet recht en ongestoord van het begin naar het einde. Daar is geen gedachte zo abstract in de theologie of zelfs in de hele wetenschap, geen wet in het karma of het menselijk leven, geen kracht in de natuur of de ziel, die niet de attractie ondervindt van het Kruis. Wat de Schepping is, weten we pas uit het Evangelie. Alles is gelukkig 'ethisch' gestoord.

Dat dit ethische niet meer het menselijk zedelijke is, behoeft hier niet meer herhaald. De valse tegenstelling van theologie van het Woord en van het Geweten valt hier helemaal weg. Deze dingen komen tot ons door Woord en Geest. En als ze ons raken is het logisch gehalte en de Woord-zin veel groter dan de zedelijke assimilatie daarvan in ons binnenste. Christelijk leven is geloven en dat alles is veel meer waar dan wij het in ons hart gevoelen.

Voetnoten

  1. a

    Vgl. D. Chantepie de la Saussaye, La crise religieuse en Hollande. Souvenirs et impressions, Leiden 1860, p. 90 v.↩

  2. b

    *Vgl. A. G. Honig.2 Dogmatiek en ethiek, Kampen 1930, p. 20 vv.*↩

  3. c

    E. Brunner, Die Mystik und das Wort. Der Gegensatz zwischen moderner Religionsauffassung und christlichem Glauben dargestellt an der Theologie Schleiermachers, Tübingen 19282↩

  4. d

    J. H. Gunning Jr., Spinoza en de idee der persoonlijkheid, Utrecht 1876, p. 4; Baarn 19192, p. 3.↩

  5. e

    *Honig, Dogmatiek en ethiek, p. 44.*↩

  6. f

    J.H. Gunning, De wijsbegeerte van den godsdienst uit het beginsel van het geloof der gemeente, Utrecht 1889, p. 21. Thomas van Aquino, STh. I, qu. 1, 8.↩

  7. g

    Vindplaats onbekend.↩

  8. h

    Vindplaats onbekend.↩

  9. i

    Waarschijnlijk doelt N. op het 7e hfdst. in W. James, Pragmatism, New York 1907, getiteld Pragmatism and humanism.↩

  10. j

    *Vgl. F. Gogarten, Das Problem der theologischen Anthropologie, in Zwischen den Zeiten 7 (1929) nr. 6.*↩

  11. k

    D. Chantepie de la Saussaye, EV. 1 (1853), p. 320 v.↩

  12. l

    Zinspeling op A. H. de Hartog, De redelijkheid der religie. Amersfoort 19192.↩

Eindnoten

  1. 1

    N. publiceerde Ontwikkeling en toestand van de ethische theologie in VoxTh. 1 (1930), p. 23-28.↩

  2. 2

    A. G. Honig (1864-1940), gereformeerd theoloog, vanaf 1902 hoogleraar te Kampen als opvolger van H. Bavinck. Als dogmaticus beijverde hij zich voor een synthese tussen Bavinck en Kuyper. Ten aanzien van de ethische theologie verdedigde hij de stelling dat haar oorsprong bij Vinet is gelegen en niet bij Schleiermacher.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Ontwikkeling en toekomst van de ethische theologieInhoudDe betekenis van het ethisch beginsel voor leer en leven →