Liturgie in de crisis1
Dr. G. van der Leeuw dr.o.Noordmans dr. W. H. van de Pol
A
LITURGIE IN DE CRISiSa2 door dr. G. van der Leeuw hoogleraar te Groningen
Het boek
Wanneer de liturgische beweging, die thans in ongeveer alle christelijke kerken haar weg zoekt en ook in ons land sedert enkele tientallen jaren van zich doet spreken, met de maatstaf van het succes moest worden gemeten, dan zou ik het boek van dr. Noordmans over Liturgie haar eerste grote overwinning in onze kerk willen noemen. Immers in dit boek is noch de halfslachtige instemming, die wel ja zegt, maar het daarbij laat, noch de kleingeestige oppositie, die altijd weer over de gevaren van 'sleur' of - nog erger! van Rome spreekt, aan het woord, maar wordt de liturgische beweging beschouwd - en bestreden - in haar volle betekenis. Noordmans zegt niet, dat wat liturgie wel mooi is en evenmin, dat men er toch mee op moet passen, zoals wij liturgen dat jarenlang in de meest verschillende toonaarden hebben vernomen. Hij zegt, zoals wij dat van hem gewoon zijn, diepe, rake, soms harde dingen; hij bestrijdt fel, niet altijd billijk, niet altijd zelfs kundig; maar het gehele boek door neemt hij de liturgische beweging ten volle au sérieux. Indien wij in de afgelopen jaren iemand hebben overtuigd, dat liturgie 'geen spelletje' is, dat met de eredienst de gehele dogmatiek en de gehele ethiek gemoeid zijn, dan wel Noordmans. Wij hebben hem daarvan zo zeer overtuigd, dat hij geschrokken is en aan het schrijven is gegaan. De liturgische beweging, in hoevele en verschillende vormen zij ook moge optreden, laat zich altijd vatten in de overtuiging: zoals gij bidt, gelooft en gehoorzaamt gij. Dat heeft Noordmans begrepen. De principiële betekenis van de liturgische beweging erkent hij zo volledig, dat hij haar geen groter eer kon bewijzen dan met deze bestrijding, die oneindig meer waard is dan heel wat onprincipiële en ondoordachte instemming. Hij ziet zelfs de mogelijkheid, dat zij een nieuwe kerkhervorming zou uitlokken!
Ons, liturgen, past dus grote dankbaarheid. Een dankbaarheid, die nog wordt geaccentueerd doordat althans één populaire legende in dit boek volkomen aan kant wordt gezet: dat de liturgische beweging in de richting van Rome zou leiden. Noordmans roept Rome niet zelden te hulp tegen de liturgische beweging, zoals die zich ten onzent heeft ontwikkeld. Aan het einde van zijn boek vinden wij zelfs de eigenaardige figuur, dat Noordmans in bondgenootschap met Rome optrekt tegen de liturgische beweging en ... Karl Barth. Onze schrijver heeft een vorstelijke allure; hij heeft de kleine argumenten niet nodig en de gewone angstjes en nijdigheidjes ziet hij niet eenmaal, gelijk hij het kleinzielige gegniffel niet eenmaal hoort, zelfs niet als het uit een hoek komt, die dicht bij hem is.
Eén ding heeft hij op ons voor: hij is klaar en wij niet. Wij staan midden in een zich ontwikkelende, jonge beweging, die elke dag een ander aanzien vertoont. Hij is gereed. Want hij heeft genoeg aan wat hij voor het goede type van gereformeerde liturgie houdt. Dat bestaat. Hij verheugt er zich elke zondag in. - Toch kan dit voordeel ook een nadeel blijken.
De historicus
Noordmans is namelijk niet altijd een goed historicus. Voor hem is er een brede afgrond tussen wat hij 'algemene wetenschappen' noemt en de theologie. Dat wreekt zich in de behandeling van beide. Het is niet mogelijk theologie te bedrijven in splendid isolation. Het is niet mogelijk het christelijke te benaderen buiten het algemeen religieuze om. En het is zeker niet mogelijk te komen tot een theologische exegese van de Heilige Schrift, wanneer men niet eerst geleerd heeft schriften te exegetiscren. De letter doodt en de Geest maakt levend. Maar de Geest maakt dan toch de letter levend. En die wil eerst gelezen zijn.b Zo doet het eigenaardig aan telkens te horen over de liturgische 'soberheid' van Paulus en de bekentenis, dat de schrijver zich die apostel moeilijk als de 'vader der moderne liturgische beweging' kan voorstellen.c Het 'moderne' daargelaten (daarover moet zo dadelijk nog een hartig appeltje worden geschild, het woordje bedekt vele onnauwkeurigheden), - de beste kenner der oude kerkgeschiedenis en der oudste liturgiegeschiedenis, Hans Lietzmann,4 schildert in zijn Geschichte der alten Kirche, dl. 1, Paulus' ethiek als 'sakramental'.5 "Wie der alte Mensch sich aus der Welt der Sarx verstand und aus ihr lebte, so der neue aus der ihn in eine neue Wunderwelt stellenden Taufe." Het paulinische pneuma is essentieel sacramenteel. En alle protestantse spiritualisering van het sacrament is uit den boze, waar het Paulus betreft. Bovendien is Paulus de eigenlijke grondlegger van alle liturgie doordat hij het oudchristelijk liefdemaal, de agapè, losmaakte van de sacramentsviering en aan deze haar centraal karakter gaf. Waar een man als Lietzmann zo oordeelt, moeten wij met de 'soberheid' van Paulus toch ietwat voorzichtig zijn en hem als inspirator van de liturgische beweging niet bij voorbaat diskwalificeren.
Op de noodlottigste historische vergissing heeft Van de Pol reeds de aandacht gevestigd: de Reformatie wordt vrijwel gelijk gesteld met het puritanisme.6 Dat is niet alleen historisch geheel onjuist, het is ook onbillijk tegenover hen, die zich met trots kinderen der Hervorming noemen, doch de Puriteinen alleen als verre familieleden willen erkennen. Puritanisme is nu eenmaal geen reformatorisch christendom zonder meer, het is niet eenmaal klassiek reformatorisch. Er schuilt hier veel meer dan een historische dwaling, waarvoor Noordmans bij alle felheid heus niet naïef genoeg is. Achter de historische onjuistheid ligt een onjuistheid van methode.
De fenomenoloog
Ik zeg sedert jaren bij gelegenheid tot mijn vriend Noordmans, dat hij zulk een voortreffelijk godsdienstfenomenoloog is. Wij glimlachen dan. Maar het is toch eigenlijk heel ernstig bedoeld. Daar ligt zijn eerbiedwekkende kracht, daar zijn even eerbiedwekkende zwakheid. Want hij is niet bewust fenomenoloog, hij is niet mijn concurrent, - hij zou er feestelijk voor bedanken! Hij kan het eenvoudig niet laten. En de onbewuste fenomenologen zijn de gevaarlijkste.
In elke goede fenomenoloog schuilt een estheet en visionair. En Noordmans is in beide kwaliteiten van groot formaat. Hij vertrouwde mij toe, dat hij dit boek schreef omdat hij in het huidig liturgisch streven gevaar zag voor de kerk, die hij liefheeft en waarin hij als kleine jongen voor het eerst boven de bank kwam uitkijken. Die wilde hij liefst ongerept bewaren. - Ik kan dat begrijpen. De beschrijving, die Noordmans geeft van de kerk zijner kinderjaren, kan ik hogelijk bewonderen. Maar ik kan als theoloog deze manier van doen niet billijken. Alle waarden zijn omgekeerd in dit boek, en dat is er de verkwikking van: de liturgen komen bij de barthianen terecht, de gereformeerden bij de roomsen en ik moet tegen de fenomenologie van Noordmans de theologie verdedigen. Ik kan er niets aan doen.
In de loop van dit boek kunnen wij Noordmans horen zeggen, dat het woord 'hoogdienst' hem "niet prettig aandoet";d ik zou hem met gelijke munt kunnen betalen en zeggen, dat het mij "niet prettig aandoet" hem te horen spreken van 'de zgn. Prefatie in de mis' (klinkt ongeveer als: het zgn. Wilhelmus, een lied uit de rebellentijd). Maar het zou wellicht beter zijn wanneer wij niet enkel maar vroegen wat ons prettig aandoet. De voortreffelijke fenomenoloog Noordmans maakt zich een structuur, een ideaaltypus van dingen en mensen. Sommige daarvan heeft hij hartelijk lief, andere doen hem niet prettig aan. Maar wanneer een trek in dingen of mensen niet overeenkomt met zijn ideaaltypus, dan is dat ongeoorloofd. Het moet worden gecorrigeerd. Zo zijn er 'dingen, die bij onze geloofsbelijdenis niet passen', zoals een boer niet op een salet en een dominee niet in een draaimolen passen. En er zijn mensen, die niet helemaal passen in de rol, die de schrijver voor hen heeft uitgedacht.
Vooral met de mensen is dat soms lichtelijk irriterend. Noordmans is als de man uit het Evangelie: hij "ziet de mensen als bomen wandelen".7 Maar hij ziet ze niet steeds "ver en klaar". Zo heeft hij een eigenaardig begrip: 'moderne liturgie', waaronder alles gevat wordt wat hem niet bevalt. De voortreffelijke fenomenoloog Robert Will8 wordt daarbij tot een hoofdman van de liturgische beweging (hetgeen hij nimmer is geweest), maar Gerretsen9 (die het wèl is geweest) wordt vergeten. Luther wordt tot een soort liturgenvreter; bij Stählin (Vom göttlichen Geheimnis)10 is hij de man op wie de liturgische beweging zich bij voorkeur beroept. Natuurlijk weet Noordmans ook wel, dat er in Luther trekken zijn, die met zijn structuur van de hervormer niet kloppen; maar die zijn dan ook "niet geheel reformatorisch",e - Zo wordt alles geconstrueerd. Natuurlijk doet elk fenomenoloog en elk historicus dat tot op zekere hoogte. Maar men verwacht van hem, dat hij weet wat hij doet. En Noordmans geeft niet altijd blijk dit te weten. Zeker niet wanneer hij de Nederlandse liturgen tegen elkaar uitspeelt en hen elk netjes op zijn plaats zet (in de regel in dubbele zin).f
Ik wil daarom uitdrukkelijk constateren, dat ik in dit artikel voor mijzelf spreek. Wij liturgen zijn niet klaar en kunnen ons niet bepalen tot beschrijving van typen. Wij zoeken iets en wij zoeken het niet allen op dezelfde wijze. Met veel van wat ik zeggen ga, zullen andere liturgen het eens zijn, maar zeker niet met alles. Mijn onbezonnenheid mag niet tegen hen worden uitgespeeld, evenmin als hun inconsequenties tegen mij. Ik spreek dus alleen, met mijn 'gereformeerde mond',g such as it is.h
Orde
Over één ding zijn wij het volkomen eens: in de eredienst behoort orde te Zijn. Van de schrijver der Beginselen van kerkorde11 konden wij ook niet anders verwachten dan dat hij de liturgie als de noodzakelijke orde van eredienst zou erkennen. Ik moet er bij zeggen, dat ik van hem meer verwacht had. Het bovengenoemde boekje bevat één antiliturgisch vinnigheidje, maar een warm pleidooi voor het episcopaat besef, dat wij van de Anglicaanse Kerk kunnen leren. Het spreekt over Gunning als een man, die "de komende nood zag en riep om zijn moeder de kerk".12 In Noordmans' nieuwe boek wordt die moeder aan een fenomenologisch onderzoek onderworpen. Er wordt haar precies gezegd, hoe zij zijn moet; een weinig orde mag zij op haar gezin wel stellen, maar niet te veel, anders is zij geen gereformeerde of liever puriteinse moeder. Ik dacht echter, dat men een moeder moest nemen zoals ze is, zonder haar eisen te stellen en dat het leven er is om ons de dingen te leren liefhebben, die moeder al had voordat wij er waren en die wij in onze dolle libertijnse of puriteinse jeugd (de jeugd is altijd een van beide en Noordmans wordt sedert vele jaren jonger!) overbodig achtten.
Ik herken in dit boek de enige jaren oudere (of jongere) Noordmans niet, die in de Engelse kerk de historische achtergrond zocht, die het calvinisme mist en die zoveel oog had voor de gevaren, die onze kerk door dit gemis aan traditie bedreigen: verwording tot democratisch gemenebest, tot christelijke vereniging. Tegen die gevaren riep hij toen, met Gunning, om zijn moeder, de kerk. Maar hij heeft niet gehoord, dat er ook anderen om diezelfde moeder riepen: want die anderen waren hem niet puriteins genoeg en hij wenste zijn moeder nu eenmaal puriteins.
Natuurlijk ontkomt Noordmans niet aan de noodzaak de eis van orde uit te werken. Maar hij weigert de orde tot een vaste orde te maken. De verschillende delen van de eredienst mogen niet worden ingepast in een sluitend systeem. 'Liturgie' is zulk een sluitend systeem en uit den boze. "Elk der delen rust op een afzonderlijke wilsuiting van God".13 Wij mogen de ruimten daartussen niet opvullen. De liturgie mag geen organisme met eigen aard zijn, zal zij haar karakter van eredienst, waarin God aan het woord is en alle orde het onderstboven moet kunnen werpen, niet verliezen. - Ik kan hier twee dingen van zeggen. Vooreerst, dat het gevaar groot is, dat hier een slechte zaak van een nobel argument wordt voorzien. In de loop van Noordmans' betoog wordt dit gevaar nog groter, wanneer hij met een soort veneratie spreekt van het 'fragmentarisch' karakter van de eredienst. Ieder, die nu voortaan wil voortgaan op de weg van de slordige improvisatie en de ongoddelijke sleur, kan zich met dit diep theologisch argument sieren. Alle eigengereidheid van predikanten, die het toch liever op hun eigen manier doen, alle ongegeneerdheid en onbehoorlijkheid, alle luiheid en gemakzucht kunnen voortaan het 'fragmentarisch' karakter van de eredienst ter verontschuldiging nemen. Ik vind het jammer, dat Noordmans dit zo heeft gezegd,i dubbel jammer, omdat hij in de grond gelijk heeft. Hij trekt ook deze waarheid naar zich toe en belandt dan bij dat fatale 'fragmentarische', maar dat "elk der delen rust op een afzonderlijke wilsuiting van God", dat is een waarheid, die men tot motto van de liturgische beweging zou kunnen maken. Inderdaad: elk der delen rustend in een daad Gods. Wij mogen niet eigenmachtig opvullen. Maar wij mogen ook niet alle delen doen opgaan in één deel. Wij mogen bij voorbeeld het gebed en de belijdenis en de sacramenten niet doen opgaan in de prediking, zoals Noordmans wil. Alles wat wij in de eredienst doen, doen wij alleen omdat God het ons heeft bevolen. Hij zorgt zelf voor het verband.
Maar als wij het zo zien, krijgt het woord 'orde' toch nog een gans andere klank. Wij leren toezien, dat alles dan ook wezenlijk berust op een 'wilsuiting van God'. Wij kunnen niets meer dulden, dat niet verantwoord is, geen parafernalia, geen meditaties en geen lyriek, geen dingen, die ons niet direct van God toekomen. Er is in de eredienst geen plaats voor dingen, die 'buiten de orde' zijn, niet voor versiering, die alleen maar versiering, niet voor vroomheid, die alleen maar vroomheid is. Wat er is, zij waarachtige dienst van God, of het zij niet. De waarachtige dienst van God echter komt ons alleen toe van Hem, die ons diende. Wij kunnen slechts dienen in de kracht van zijn Dienst. En dit is het - en niets anders - wat wij bedoelen, wanneer wij spreken van het sacramenteel karakter van de eredienst. Orde is geen sluitend stelsel, maar orde houdt in de kerk verband met de scheppings- en genade-orde. Noordmans zelf heeft dit wat betreft de kerkorde in de ruimere zin meesterlijk in vele geschriften betoogd. Er is een verband tussen Gods orde en de orde, die wij in zijn dienst behoeven, een verband, dat wij het best met het woord analogie aanduiden. Die orde is inderdaad géén systeem; zij is open, de kerk is slechts kerk, wanneer zij open deuren heeft, waardoor het geloof, maar ook de zonde binnen kunnen komen.j Dit alles, dat Noordmans zo na aan het hart ligt, is ons, liturgen, uit het hart gegrepen. Wij willen geen hemel op aarde. Wij willen God niet verplichten om naar de kerk te gaan, wanneer wij ons daarheen begeven. Maar wij willen evenmin een orde, die niet anders is dan een willekeurige volgorde, evenmin een liturgie, die niet anders is dan een bundeltje bijeen gebonden formulieren, zoals Noordmans het zo bewondert. Wij willen in de kerk niet anders dan wat God ons geeft, niet anders dan zijn orde. We bezitten die schat in aarden vaten, wij volbrengen de dienst in zonde, maar wij moeten weten, dat het de dienst Gods is. Anders behoeven wij er niet aan te beginnen. De orde is geen 'fragmentarische', toevallige volgorde, de orde heeft een middelpunt, een brandpunt. En over dit brandpunt zijn wij het niet eens.
Aanbidding en belijdenis
Dit middelpunt zoekt Noordmans niet in aanbidding en belijdenis. Het is wel heel jammer, dat hij het prachtige boekje van Gerretsen over Liturgie (van 1911) niet heeft gelezen, waarvan de liturgische beweging ten onzent voor een goed deel is uitgegaan en waar juist over deze beide zulke diepe en schone dingen worden gezegd. Daar had hij kunnen lezen dat de goede liturg een 'episch temperament' moet hebben om de stem der kerk te kunnen doen klinken, om de eigen persoonlijkheid te doen terugtreden achter de figuur van de heraut van Gods heil.14 Daar had hij geweldige bladzijden kunnen lezen over de majesteit van de liturgische monotonie. En ook, dat de liturgie het dak van het huis is, waaronder wij ons allen scharen. - Van dit alles vind ik in Noordmans' boek weinig. Er staat trouwens opvallend weinig in over de gemeente, als draagster van de liturgie. En bijna niets over aanbidding en belijdenis.k
'Sobere' eredienst
Niet, dat ik zou menen, dat in aanbidding en belijdenis op zichzelve het middelpunt van de orde zou zijn te vinden. Zij zijn de delen die afzonderlijk, naar Noordmans' mooie woorden, op een wilsuiting van God berusten. Het verband van uit het middelpunt moet Hij leggen. Maar ik herinner aan aanbidding en belijdenis omdat die het woord 'sober', dat in dit boek vele en vele malen voorkomt, zo raadselachtig maken. Soms denkt men, dat Noordmans' ideaal van 'soberheid' een 'godsdienstoefening' is, zoals wij die tegenwoordig nog in de meeste gevallen in onze kerk kennen; een ander maal wordt Paulus' sacramentsviering als ideaal van soberheid gesteld; weer een ander maal schijnt het, dat wij terug moeten naar de liturgie van Calvijn of Lasco.15 Dat zijn reeds drie geheel verschillende en ten dele niet verenigbare 'soberheden'. Maar nergens wordt ons met zovele woorden gezegd, wat in de eredienst wezenlijk en, bij alle soberheid, volstrekt onmisbaar is. Noordmans holt naar zijn middelpunt, maar zo hard, dat hij, hijgende om bij het 'vocale woord der prediking' aan te landen, van aanbidding en belijdenis niets bespeurt. De eerste wordt afgedaan met een terechtzetting van de muziek; de tweede komt helemaal niet ter sprake. Hij doet denken aan die soort predikanten, die, zoals mijn hoogleraar in de praktische theologie16 het placht te tekenen, de preekstoel op hollen, het 'voorwerk' vlug afmaken, onder het zingen der gemeente zenuwachtig zitten te draaien en eigenlijk alleen leven zolang zij preken.
Daarbij vergeet onze auteur bovendien, dat onze eredienst, zoals hij door het uitsluitend en eenzijdig naar voren brengen van de preek geworden is, helemaal niet 'sober' is. Al de dingen die Noordmans zo haat: kleuren, vormen, kelken, wierook, geprevel enz., werden door de Hervorming min of meer afgeschaft. Maar het moest ergens heen. In Duitsland vond het een veiligheidsklep in de kerkmuziek. Bij ons in de zeventiende en achttiende eeuw in de geweldige barokke orgelfronten met de dikbuikige engeltjes. In de negentiende en twintigste eeuw sloeg alles over naar de preek. Dat Noordmans zelf 'sober' preekt, mag hem toch niet doen vergeten, dat, sobere' preken betrekkelijk zeldzaam zijn en dat in zeer vele preken van allerhande richting hele liturgieën, soms nog vergezeld van een aantal christelijke films, worden gecamoufleerd. Wij weten dan ook waarlijk niet luit de eerste hand,l wat een 'sobere' eredienst is. De 'soberste', die ik mij herinner, waren avondmaalsbedieningen zonder predikatie. Er is niets dat soms zo weinig 'sober' is als het woord. En de wegneming van het altaar is wel allerminst een soort garantie, dat de eredienst nu voortaan 'sober' zal zijn. Zolang het woord blijft, blijft het gevaar van de weelderigheid. Ik zie altijd nog liever een priester omhangen met een gewaad van goudbrokaat, dan een priester omhangen met een gewaad van vele woorden.
Het is overigens niet zo heel nuttig over 'soberheid' te twisten. Wat de een sober acht, vindt de ander weelderig en omgekeerd. Beter is te trachten te begrijpen wat Noordmans met de fenomenologische aanduiding 'sober' bedoelt. En dan kan ik, wanneer ik afzie van alle instinctieve en impulsieve gevoelens, daarachter niet anders ontdekken dan afkeer van theologisch realisme. Karakteristiek is bijvoorbeeld de wijze waarop Luthers sacramentsleer als 'kras realisme' wordt afgedaan.17 En welk een fatale betekenis de 'soberheid' in Noordmans' mond kan krijgen, blijkt op p. 61 v., waar het sacrament een 'aanwijzing' heet, "dat de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt en dat God toch door een bijzondere genade door teken en zegel bevestigt, dat Hij hem niet zal laten omkomen". Dit is de psalm de profundis, maar geen lied hammaäloth, het is de boodschap van het kruis zonder die van de opstanding, het is een Evangelie van een narrow escape in plaats van het heil en de vrede, van gratie aan de voet van de galg, in plaats van het leven en de overvloed, die ons zijn beloofd. Hier is de blijdschap, die de eerste christenen bij de breking des broods deed juichen, toch wel heel ver zoek. - Noordmans is echter bang voor het woord 'leven'; hij ruikt er een soort vitalisme in en vergeet, dat de bijbel vol is van leven. Hij ontleent zijn levens-opvatting aan de natuur en heeft daarvoor in zijn theologie uiteraard geen plaats. Maar de bijbel ontleent zijn levens-opvatting aan de schepping en herschepping door de Geest en spreekt royaal en rijk (en soms helemaal niet 'sober') van het leven, dat de dood overwint. Christus' dood is ons leven. Wij roemen niet in een Heer, die een held vol levensdrift zou zijn. Wij roemen in de Gekruisigde. Maar Hij is ons niet een teken van de afgrondelijke diepte van de dood, doch van de hemelse hoogte van Gods barmhartigheid. Middelaarsliturgie, zegt Noordmans, is het dorre woord: Mij dorst.18 Daar sterft de creatuur in nood. Daar is soberheid tot dorheid toe. Inderdaad. Maar hij vergeet, dat Johannes het dorre woord in een ver van sobere liturgische lijst zet: Hierna Jezus wetende, dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden, zei: Mij dorst.19 Een eigenaardige inleiding voor zo iets dors en droevigs als de dorst van een stervende! Maar in die inleiding klinkt de ganse juichende liturgie der kerk en de evangelist belijdt in de smachtende kruiseling de Heer des levens en de Koning der eeuwen.
De preek
Wij moeten elkander goed verstaan: er is in de Nederlandse hervormde liturgische beweging niemand, die ook maar iets van de prediking wil af- of wegdoen. Wij willen alleen maar ontkennen, dat een alleenheersende preek een garantie van soberheid zou zijn. Er is dan ook geen aanleiding voor Noordmans' waarschuwing tegen de 'vlucht uit de preek in de liturgie'.20 Wij vluchten alleen in de liturgie uit de slechte of onsobere preek. Gelijk wij ook uit de slechte of onsobere liturgie in de preek zouden vluchten. Maar wij kunnen het middelpunt van de orde in de preek niet vinden. Wij zijn het hartelijk eens met Kart Barth, dat de preek zich beweegt in de sacramentele ruimte tussen Doop en Avondmaal.21 Daar is haar plaats in de orde; met het sacramentum initii begint de eredienst, met de verkondiging van de dood des Heren totdat Hij komt, eindigt deze. Daartussen is de ruimte voor de verkondiging des Woords in Schriftlezing en verklaring. En deze staan niet slechts tussen de beide sacramenten in, zij zijn zelf ook sacramenteel. Er is voor ons, evenmin als voor Barth, een tegenstelling tussen de beweging van Doop naar Avondmaal en die van Kruis naar Opstanding.m De Doop is het sterven en begraven worden met Christus, het Avondmaal is de komst van de Opgestane (Maranatha). De kerk kan haar prediking nergens anders plaatsen dan daartussenin: daarvoor is die er nog niet, daarna is zij er niet meer. En dit betekent niet slechts de lokalisatie van de preek in de liturgie, maar ook de aanwijzing van haar uitnemende, sacramentele betekenis.
Woord of sacrament?
Wij zoeken nog steeds naar het middelpunt van de orde. Noordmans wijst er met recht op, dat na Luther en Calvijn dat middelpunt eigenlijk weg is; de sacramentstheologie van de scholastiek had het in de herhaling door de priester van het onbloedige offer van Christus gevonden. Met het wegvallen daarvan wordt de liturgie een bundel formulieren, alleen door het gebruik verbonden.n Zeer juist en scherp ziet Noordmans, dat de liturgische beweging hierop terug wil komen, zonder tot de sacramentsleer van Thomas met haar transsubstantiatie terug te keren. Met andere woorden: de liturgische beweging meent, dat de Hervorming op het stuk der sacramenten niet het laatste woord heeft gesproken. Noordmans meent van wel. En hij handhaaft, dat, hoewel het altaarsacrament is weggevallen, de eredienst niet "zonder God is", "zolang hij Jezus en het Evangelie heeft".o Ik vind dit een zonderlinge zin. Wij kunnen niet beschikken over God, hebben wij zo juist van Noordmans geleerd. God zelf maakt uit, wanneer Hij naar de kerk gaat. Geen enkele eredienst is zonder God, zodra Hij komt. Maar wat betekent "zolang hij Jezus en het Evangelie heeft?" Wij zoeken hier immers naar het middelpunt van de orde. Wij zoeken niet naar de geestelijke voorwaarde van alle eredienst, maar naar een theologoumenon. De voorwaarde van Noordmans kan men aan elke eredienst stellen en elke eredienst kan daaraan voldoen, van rooms tot puriteins toe, wanneer het God behaagt. Maar wij zoeken naar het middelpunt van onze orde. En dan moet de vorm aangegeven worden, waaronder de conditie zich realiseert, de vorm, waarin wij 'Jezus en het Evangelie' hebben. Weldra spreekt Noordmans dan ook theologischer. Maar dan verzeilen wij ook hopeloos in een woordtheologie, die van een onbijbels begrip 'woord' uitgaat. "Zonder Woord is het sacrament bijna niets",p⚑ durft Noordmans te zeggen. Ik ben dankbaar voor dat 'bijna', maar toch niet voldaan. Ik mis in de contrastering van Woord en sacrament, die het ganse boek doortrekt, in de overheersing van het sacrament door het Woord, die wordt geproclameerd, in de vernauwing van het Woord tot het 'vocale Woord', die wordt gepleegd, - ik mis in dit alles niet het sacrament, maar het Woord. Ik kan, wanneer ik de bijbel lees, niets beginnen met een woord, dat alleen maar een boodschap is. In de bijbel is het Woord, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, het scheppingswoord, het concrete, machtige Woord, dat ook daad kan heten. Het is het Woord, dat vlees werd en onder ons woonde. Bij Noordmans is het half het humanistenwoord, dat Luther en Calvijn weer ontdekten, de klare en simpele woordelijkheid van de Schrift, half het idealistenwoord, dat moet dienen om aan de concrete vormen van schepping en herschepping, van Woord en sacrament te ontkomen. Het Woord in de eredienst is ongetwijfeld boodschap, maar het is tevens komst. Het is gepredikte Schrift, maar het is ook present heil. Ik schaar mij onder de kansel, maar ik ga op naar Gods altaren. Ik hoor een proclamatie lezen, maar ik aanbid de God, die zich niet schaamt mijn God te zijn en die tot mij wil komen. - Daarom zijn Woord en sacrament ook niet te scheiden. Beide betekenen slechts iets omdat en voorzover het goddelijke Woord ze gebruikt. Beide zijn sacramenteel, beide zijn Woord.
Dit betekent niet een soort liturgische systematiek tegenover Gods wil, die Woord en sacrament scheiddeq. Ik zou niet weten waar en wanneer God dit deed. Het is wederom een verarming van het Evangelie, wanneer men in de boodschap zelve het heil zoekt. Het is de boodschap van het heil, maar het heil is Christus en Christus alleen. En Gods wil is de redding van zondaren door de vleeswording van de Zoon zijner liefde, door diens offer aan het kruis. Ik weet niets van een wil Gods, die Woord en sacrament scheidt. Ik weet slechts van een wil Gods, die zich betoont in de gezindheid van Jezus Christus, die zich ontledigt en slavengestalte aanneemt. - Ik weet trouwens ook niet of Woord en sacrament bij de hervormers wel zo afzonderlijk naar voren zijn gekomen.r Ik zou zeggen: het Woord kwam sterk naar voren, het sacrament werd alleen behouden. Maar zeer zeker is geheel onjuist de bewering,s dat Luther nog plaats had voor een sacramentele communie naast die in het geloof. Luther is geen spiritualist, doch realist in hart en nieren. Maar dat betekent niet een sacramentele communie buiten het geloof om. Dat hele, in al zijn hartstochtelijke grofheid zo geweldige geschrift Dass die Worte Christi Das ist mein Leib enz.,22 is één brok gelovig vertrouwen op Gods belofte. En zeker heeft hij de leer der transsubstantiatie23 niet lichtelijk vergeestelijkt. Die leer is een ontaarding evenals- aan de andere pool - die der Schwärmer en zwinglianen. Luther poogt echter terug te keren tot het gelovig realisme der Oude kerk.
Dit is hachelijk, gelijk elke hervormde eredienst hachelijk is. Daarin heeft onze auteur volmaakt gelijk.t Men loopt altijd gevaar van voren met de roomsen of van achteren met de zwinglianen uit het schip te vallen, en, zegt Luther, in beide gevallen wordt men nat.
De liturgische geest
Die is het spook, dat door alle bladzijden van Noordmans' boek rondwaart, een ware boeman, die drijft tot ongoddelijk eigenmachtig systematiseren, die tot syncretisme leidt en tot cultusfilosofie, ja zelfs tot antroposofie en de mystiek van Novalis kan voeren.24 De liturgie mag volgens Noordmans nimmer een eigen structuur, een eigen waarde hebben, nog minder een eigen dogma zijn. Zij betekent slechts iets, doordat en wanneer zij dienst des Woords is. - Dit is de tweede maal, dat onze criticus ons een zeer voortreffelijke formulering en samenvatting van ons streven aan de hand doet. Wanneer wordt gesproken van de geest der liturgie of van het wezen van de eredienst, dan wordt daar immers juist dit mee bedoeld: zij is niets in zichzelve, zij is alleen dienst. Ik behoef hier Guardini25 niet te verdedigen, die Vom Geist der Liturgie schreef. Nog minder de orthodoxe kerk met haar 'heilige liturgie'. Ik kan slechts verzekeren, dat wij van generlei eigen waarde van de liturgie willen weten. Het is dan ook niet billijk een tegenstelling te maken tussen liturgie en dienst des Woords. Wanneer de liturgie goed is, is zij dienst des Woords, en wanneer de dienst des Woords goed is, is hij liturgie. Alleen een liturgie, die zich naar de esthetica richt, moet zich haar naam schamen, evenals een dienst des Woords dat moet doen, wanneer hij bij de boodschap blijft staan en niet tot de viering komt.
Liturgie is niet een zwijmelen in de aandoening van een prachtig drama. Het is een actueel, als arme zondaar en uitverkoren heilige, betrokken zijn in het drama, dat God speelt met de wereld. Het is een staan met vreze voor Gods heilig aangezicht, een juichen in zijn voorhoven, een uitgaan de Koning tegemoet. De fenomenoloog Noordmans heeft hier met behulp van allerlei gegevens een spook geconstrueerd, dat althans in onze kerken niet rondwaart. - Ik wil niet beweren, dat het niet zou kunnen verschijnen. Zodra het geloof ophoudt de sfeer te zijn, waarin alle liturgie ademt, dreigt het spook te materialiseren, dreigt het syncretisme en de mystiek en al het andere. Maar Luther, die wij als een 'kras realist' leerden kennen, heeft ook gezegd, dat de sacramenten niet vervuld worden doordat zij worden voltrokken, maar doordat zij worden geloofd.26 En voor de derde maal vindt Noordmans een woord voor een liturgisch program, wanneer hij, sprekend van Gods tegenwoordigheid in de eredienst, die opvat als "betoning van Gods bijzondere genade, die wordt geloofd".u Gods tegenwoordigheid is niet een zaak, die vanzelf spreekt in de eredienst, geen automatische of mystische gegevenheid, zij is een antwoord op het geloof.v En God is niet gevangen in de liturgie.w Want de liturgie is niet een gesloten dans, waarin de neenzegger alleen maar verwarring kan stichten, al was het de Heilige Geest zelf. Van dansen heeft onze criticus geen verstand, het past niet in zijn puriteinse structuur. Geen dans is gesloten, geen enkel waarachtig kunstwerk is gesloten. Het is altijd open naar alle kanten, het wijst altijd buiten en boven zichzelf uit. Een liturgie kán dicht zijn, wanneer de dienaar niet waarlijk dienaar is, gelijk ook een preek dicht kán zijn, wanneer de prediker het niet verstaat terug te treden achter het Woord Gods. Het criterium ligt hier niet in de zaak: Woord of sacrament, dienst of liturgie, - maar in het geloof ... of ongeloof. Wij zoeken niet een heilig spel op te voeren, waarin wij God tot meedoen uitnodigen, nog minder door ons doen de incarnatie te verlengen.x Het enige, dat wij willen is: dienst. En die dienst aanvaarden in gehoorzaam geloof, omdat God beloofd heeft ons in een nieuwe werkelijkheid te zetten.
In de eredienst belijden wij met elk woord en elke handeling,y dat God ons in een nieuwe werkelijkheid heeft gezet, dat wij niet meer leven in de eerste werkelijkheid, die door de val is bedorven, maar in de nieuwe werkelijkheid, die het gevolg is van Gods herscheppende daad. In de eredienst trachten wij ernst te maken met de belijdenis van de Schepper-Geest. Daarom is het sacrament niet een geïsoleerd stuk van de eredienst, maar het brandpunt van een nieuw, herschapen leven.
Christelijk leven
Wel verre van het wezen der liturgie te zoeken in esthetische verrukking of mysteriezwijmel heeft de liturgische beweging ten onzent en heb ik in het bijzonder getracht een nauw verband te leggen tussen het leven, de ethiek en de eredienst. De eredienst is niet wat hij wezen moet, wanneer de dienst, die in de kerk begonnen is, niet in het leven wordt voortgezet. Het christelijk leven is evenmin wat het wezen moet, wanneer het iets anders is dan het voortgezette gebed. De eredienst is niet anders dan de vorm van het nieuwe, ons in Christus geschonken leven. - Noordmans ziet hier een poging om ook de ethiek tot een sluitend geheel te maken, evenals de liturgie. En daartoe, zo zegt hij, is het eschatologisch element in het Evangelie te geweldig.27 Inderdaad. Liturgie en christelijk leven zijn beide niets anders dan menselijke hoogmoed, wanneer zij niet eschatologisch zijn. Christelijk leven en eredienst als gerede gegevenheden zijn slechts als dwaze zelfmisleiding mogelijk. Maar juist daarom horen eredienst en leven bij elkaar. Nergens heeft Noordmans de liturgische beweging zo misverstaan als op dit punt. En men moet wel met een grote dosis barthiaanse ergdenkendheid behept zijn om zelfs van een liturg te veronderstellen, dat hij het christelijk leven tot een sluitend geheel zou willen maken. Ik heb, in mijn Inleiding tot de Theologie, zelfs uitdrukkelijk verklaard, dat het christelijk leven een onmogelijkheid is, tenzij God aan ons een wonder doet.28 En de bedoeling van het nieuwe verband tussen ethiek en liturgie, dat ik leg,29 is juist beide geheel open te houden: open naar de kant van God zonder wie geen van beide kunnen bestaan; open, ook naar de kant van de zonde, die beide telkens weer bederft. Christelijk leven en eredienst zijn, als eschatologische sferen, beide even hachelijk. Maar daarom zijn ze niet minder mogelijk. Ze zijn mogelijk als dienst, door mensen verricht in de kracht van de dienst, die God aan hen in Christus verricht heeft. En hier vind ik bij Noordmans niet slechts wantrouwen tegenover medetheologen, maar wantrouwen tegenover God. Hier vind ik niet het vaste vertrouwen op Gods beloften, op Gods wondermacht, hier vind ik wel het geweldige besef van onmacht, dat een Paulus kenmerkte, maar niet zijn: als ik zwak ben, dan ben ik machtig.30
Noordmans verdenkt mij ervan alles te willen afronden; daar betrek ik zelfs de engelen uit de Prefatie (die hier waarachtig alweer een gebed (!) uit de mis (!) heet)31 in. Het schijnt hem te ontgaan, dat men met engelen niet veel 'afronden' kan. Zij laten zich daartoe niet gebruiken. Zij zijn dadelijk weer op weg naar de hemel. En wij hebben het nakijken... Tenzij wij ons in trotse nederigheid willen schikken, mèt de engelen en aartsengelen en het ganse hemelse heir in de dienst van Gods heiligheid. - Noordmans komt nuz eindelijk tot de hoofdzaak: ik zie in het werk van de Heilige Geest "vorm èn kritiek daarop". Hij meent, dat dit onmogelijk is. Wij vechten hier op het kardinale punt, waar wij reeds herhaaldelijk elkander ontmoet hebben en bij het beeld Gods en bij de schepping was het niet anders. Voor Noordmans is schepping, ook de schepping van de Heilige Geest, kritiek, oordeel; voor mij is zij dat ook. Maar ik zie in de schepping, zowel in Gods schepping in den beginne als in zijn schepping van ons verloste leven, ook vorm, de vorm der incarnatie, de gebroken en geoordeelde, maar niettemin werkelijke en goddelijke vorm van de Gekruisigde. Noordmans beweert, dat dit niet kan. Iets kan niet tegelijk kritiek en vorm zijn. Hij geeft daarvoor geen verdere reden op. Toch ware dit zeer gewenst. Want ik vind dit standpunt niet dialectisch genoeg. Het is te formeel, te rationeel. Erger: het is niet bijbels, het rekent niet met de wijze, waarop ons in de bijbel Gods werk wordt getekend. Daar is het van de eerste tot de laatste bladzijde: formeren en -oordelen, oordelen en formeren. Een wereld wordt geformeerd en geoordeeld, een volk gesteld en verworpen; een oordeel aangezegd en verlossing gebracht. In Christus zijn de beide elementen van Gods doen volkomen één geworden: Hij is de nieuwe werkelijkheid, de Koning van het nieuwe rijk; Hij komt ook om te oordelen. Hij roept op tot bekering, maar Hij richt ook het Koninkrijk op. Op Golgotha, zegt Noordmans, vergaan alle vormen en gestalten.32 Ja, behalve die van de Gebrokene en Geslagene, van Hem, die werd genoemd een worm en geen man, maar die wij aanbidden als onze Koning, die van het kruishout af regeert. Hij hééft een gestalte, en Hij schenkt ons leven door ons te oordelen en oordeelt ons doordat Hij ons leven schenkt. - Het gaat hier waarlijk niet om een theologentwist, maar om het hart van het Evangelie.
Gods daad in Christus is dienst, omdat zij offer is. En daarmede is niet slechts het verband tussen eredienst en christelijk leven gelegd, maar ook het brandpunt van de eredienst aangeduid: het offer van Christus, waarin wij als de zijnen mogen delen. Dit is de vorm, en geen andere, die God ons schenkt. Die vorm is kritiek en formatie tevens, oordeel en verlossing. Het is de vorm van de avondmaalstafel, maar ook die van de kansel, en ook die van ons leven, ons in Christus tot dienst geheiligd leven.
Dit is de dienst, waartoe God ons oproept. Het is het leven, waartoe wij ons slechts met huivering schikken, dat de overblijfselen van het lijden van onze Heer volbrengt. Het is het leven van gehoorzaamheid in de dienst. En ons toetreden tot de dis des Heren wordt eerst dan iets anders dan een moral holiday33 wanneer het de vorm is van het treden in het offer en de dienst van Hem, wiens leden wij zijn. Ons christelijk leven wordt eerst dan iets anders dan burgerlijke braafheid, wanneer het de vrucht is van het sacramenteel en wonderbaarlijk leven, dat ons in Christus' gemeenschap geschonken is: navolging van Christus.a
Wanneer Noordmans dan ook het woord liturgie zo breed mogelijk interpreteert en het vult als de resultante van Christus' eeuwige offerande en Paulus' liturgische arbeid op de wereldakkerb, dan heb ik daar niet alleen niets tegen, maar het is mij uit het hart gegrepen, mits... de actuele eredienst in de kerk maar niet, zoals bij Noordmans, buiten schot blijft. Onze criticus redeneert zo ongeveer: liturgie is iets zo geweldigs, dat het fragmentarisch gedoe in de kerk en het stumperig gedoe in het leven daar niet mee te maken hebben. Ik vind dat een gevaarlijke redenering. Juist omdat liturgie in wezen niet anders is dan de dienst, die Christus aan ons verrichtte, moet die worden toegepast. Paulus deed niet anders. En Paulus, hoewel een man Gods, was niettemin een zondaar als wij. Wij moeten het niet zó mooi maken, dat wij er praktisch niets mee behoeven te doen. - Er is noch in de eredienst noch in het leven ook maar iets af, ook maar iets voltooid. De vleeswording des Woords belet niet, dat wij aan het einde nog roepen: Kom, Here Jezus!, gelijk Noordmans treffend zegt.c Bij een ander (Reisner) lees ik, dat het Avondmaal altijd avond-maal blijft.34 Wij wachten op de morgen. Maar Christus staat niettemin aan de deur en Hij klopt. Hij nodigt ons tot zijn dis, want alle dingen zijn gereed. Hij roept ons op om zijn kruis op ons te nemen en zijn dienst te aanvaarden. - Wanneer ik tegenover Noordmans sta, gevoel ik, dat het methodisme een zeker recht heeft en ben ik blij, dat er naast barthianen ook Groepmensen35 zijn.
Het sacrament
Wie van 'sacramenteel' spreekt of van 'het sacrament', bewijst daarmede niet, dat hij slechts één sacrament zou erkennen, doch, dat hij meent, dat er ook in de sacramenten, die ons gegeven zijn, een orde is. En deze orde kan haar middelpunt wederom slechts vinden in het offer van Christus. Daarom is het Heilig Avondmaal het sacrament bij uitnemendheid. Alle andere, die er mogelijk zijn, moeten zich legitimeren door hun betrekking tot dit offer. Bij de Heilige Doop is dit het gemakkelijkst. Maar het kan mogelijk ook bij andere handelingen. - Noordmans noemt dit alles kortweg 'onbijbels'.d Ik vind dat, gezien de staat van het bijbels onderzoek op dit punt, nogal boud gesproken. Noordmans weet toch ook wel, dat het 'bewijzen' van sacramenten uit de Schrift soms met onverwachte moeilijkheden of - wat nog lastiger is! - gemakkelijkheden gepaard gaat. Luther en Calvijn waren op dit punt voorzichtiger. Die waren humanisten, dwz. echte bijbelcritici, die, met de middelen van hun tijd, vroegen, wat er precies stond. Dit vraagt Noordmans nooit en nergens. Hij is ook hier weer de fenomenoloog: Er zijn, nota bene, 'onder eschatologisch licht' maar twee sacramenten, die van het begin en het einde. Zet hier in plaats van 'eschatologisch' 'fenomenologisch', en ge zijt er, al blijft de fenomenologie van bedenkelijk geïmproviseerde aard. Maar met theologie heeft dit niets te maken.
Tot omstreeks het jaar 1000 waren er 'plurima sacramenta'. Toen is door de scholastiek de systematisatie ingezet (die Noordmans terecht zo haat) en werd het aantal beperkt tot zeven. In 1439 werd dat kerkelijke leer.36 De hervormers haalden er de bijbel bij en trachtten als goede humanisten uit de teksten te bewijzen. Maar Luther kwam oorspronkelijk toch nog tot drie sacramenten en ook de Augsburgse confessie rekende de boete er bij, terwijl men ook huwelijk, handoplegging en gebed niet van het sacramenteel karakter beroofde. De Engelse kerk is op dit stuk, zoals men weet, evenmin exclusief. Mij dunkt, wij hebben te bedenken, dat er in ieder geval slechts één heilsfeit is, het offer des Heren. Alles wat daarmede in wezensbetrekking staat, is sacramenteel. Daarom is het Heilig Avondmaal het sacrament bij uitnemendheid, dat door de grote liturg Paulus met bijzondere plechtigheid van de Heer op zijn gemeente wordt overgedragen. Daarom is de Doop het sacramentum initii, dat de vorm is van het met Christus sterven en begraven worden (Rom. 6), het bad der wedergeboorte (Tit. 3). Maar hetzelfde geldt wellicht ook van de boete, die wij ten onrechte geheel hebben verwaarloosd. En het geldt, naar mijn overtuiging, zeker ook van de prediking des Woords. Wanneer die niet sacramenteel is, dwz. niet direct betrokken op het offer van Christus, wanneer zij zelve geen offer betekent, is zij een meditatie of een vertoog en hoort zij in de kerk niet thuis. Het is de eer der Reformatie, dat zij de prediking naar voren heeft gebracht. En wanneer Noordmans met nadruk verklaart: "Zij en niet het Avondmaal staat in de plaats van het cultisch offer"e,dan zeg ik: de prediking staat niet in de plaats van het cultisch offer, maar zij heeft deel aan het offer van Christus. En datzelfde is ook het geval met het Heilig Avondmaal. - Wij staan hier, als God wil, aan het begin van een geheel nieuwe ontwikkeling. Wij hebben de sacramentstheologie sedert Luther laten liggen. Wij zullen zeer voorzichtig moeten zijn en haastige verklaringen tot 'onbijbels' kunnen ons evenmin helpen als kopiëring van Griekse of roomse opvattingen. Maar wij mogen niet ophouden de diepte van het sacrament steeds weer te onderzoeken, want het is de diepte Gods.
Een nieuwe hervorming?
Noordmans begrijpt dit ook en hij vreest daarvan een nieuwe hervorming. Het noodlottige in zijn boek vind ik, dat hij die vreest. Hier blijkt wederom, dat de fenomenoloog soms de grootste vijand van de theoloog kan zijn (ik had niet gedacht, dat ik dat ooit zou moeten zeggen!). Ik wrijf mijn ogen uit, wanneer ik al dadelijk aan het beginf lees van een beginsel, waarop men niet terug mag komen". In de fenomenologie zeg ik wel: dit of dat is typisch Grieks of Israëlitisch; als men daarvan afwijkt, verloochent men zijn karakter; er ontstaat dan een andere structuur. Maar daarom volgt dan ook op de fenomenologie de theologie. Want ik weet drommels goed, dat God zich aan mijn structuren tenslotte niet stoort. En daarom ben ik bereid op alle beginselen terug te komen, als het God behaagt. Wij kunnen God nooit genoeg danken voor de Hervorming, maar een Hervorming, waarop men niet terug mag komen, is een vloek. Want niet het 'reformatorisch christendom' is de inhoud van het Evangelie, maar Christus zelf. En er zijn in het leven der kerk met haar God geen onherroepelijke historische gegevenheden. Gods Geest leidt ons en niet ons besef van consequentie of structuur.
Naar mijn overtuiging gaan wij inderdaad een nieuwe theologie tegemoet, - als God ons tenminste de tijd en de kracht gunt om in Europa nog iets te doen. Anders zullen wij het van de Chinezen moeten leren. En misschien gaat het dan zelfs gemakkelijker. - Ik ben blij, dat Noordmans de zaak zo kras stelt. En ik ben met hem overtuigd, dat doorwerking van de liturgische gedachte in zuiverheid en consequentie een nieuwe hervorming ten gevolge zal hebben. Wij staan nog maar in het eerste begin en wij hebben niet de minste behoefte om revolutionair te doen. Maar wie zijn kerkelijke zaakjes in burgerlijke veiligheid wil stellen, kan daar nu vast mee beginnen. In veler verzet tegen liturgie is instinctief dezelfde vrees merkbaar. die Noordmans bezielt; maar daar is burgerlijk, wat hier esthetisch is. Neen, wij hebben het verband "tussen belijdenis en liturgie niet vergeten";g wie over de eredienst spreekt, spreekt over het dogma. In een lange en niet altijd gemakkelijke arbeid van zestien jaren hebben wij dat gemerkt bij elke pas, die wij zetten. De liturgische beweging zal moeten komen tot een nieuwe theologie en wellicht tot een nieuwe hervorming: reformanda quia reformata ecclesia. - Het is nog te vroeg om te zeggen, of zelfs maar te vermoeden, waar dit nieuwe ons heenvoert. Ik heb reeds opgemerkt, dat wij zoeken, terwijl Noordmans het bestaande schildert. Hij weet - en dat is één troost, - dat wij niet naar Rome gaan. Maar hij vreest voor de Orthodoxie. Van deze kunnen wij inderdaad veel leren. Maar wij zijn, met Noordmans, in hart en nieren westers! Dat er echter ook dichterbij uitgangspunten voor een nieuwe ontwikkeling zouden kunnen zijn, bijvoorbeeld in de sacramentsleer van Luther, komt bij deze criticus niet op.
Ik weet niet waar wij heengaan. Ik behoef het ook niet te weten. Wij zoeken niet iets anders uit wispelturigheid of uit geleerde betweters. De liturgische beweging is een zaak van geloof, en zij mag gerust iets hebben van Abrahams uitgang. Ik wilde, dat Noordmans meeging. De fenomenologie is een kostbare en onmisbare zaak, - in de voorhof. Maar op weg naar de eeuwigheid schieten wij er niet hard mee op. Ik weet slechts twee dingen: vooreerst, dat wij het zeker niet zoeken in de eigenmachtigheid der natuurlijke dingen, die van zichzelve reeds dragers van goddelijke betekenis zouden zijn. Barth verwijt dit aan Tillich37 (goeddeels ten onrechte) en Noordmans verwijt het aan de Anglicaanse Kerk38 (totaliter ten onrechte) Deze dingen zoeken de heidenen, die alleszins vrome lieden zijn. En in de tweede plaats: er ligt een wereld in het woordje 'teken', dat in onze belijdenisgeschriften gebruikt wordt tot aanduiding van de sacramenten en dat ook Noordmans met voorliefde bezigt. Een teken is een teken van iets, het 'betekent' iets. Zo is onze dienst een teken van Gods dienst, als het Hem behaagt. Maar dan moeten wij ook ophouden van tekenen te spreken, alsof dit woord meebracht, dat alles maar een zinnebeeld was. Een zinnebeeld is een zaak voor stichtelijke redenaars en decoratieschilders. Een teken is een kruis, dat met verbazing wordt opgemerkt en met eerbiedige huivering begroet.
Gemeente
Ik heb reeds opgemerkt, dat de gemeente in Noordmans' boek een opvallend geringe rol speelt. Alles is individueel. Het is de rest van Kierkegaard, die heerst. Het besef, dat bijvoorbeeld het boekje van Gerretsen geheel beheerst: dat het bij de liturgie gaat om een kerk, die belijden moet, ontbreekt vrijwel geheel. Noordmans is zo bang, dat wij 'besloten mysteriën' zullen organiseren, dat hij deze kant geheel over het hoofd heeft gezien.h Elders stopt hij ons, omdat wij in de pastoraal zijn vastgelopen, in het klooster.i Ik mag wel zeggen, dat wij van dit alles niets weten. Wij lopen niet vast in de pastoraal, omdat deze zich ons in de liturgie heeft vertoond als een wijd en heerlijk arbeidsveld, waar de feestgezangen Sions ons volgen. - Omgekeerd vind ik in dit boek opvallend weinig pastoraal. En dat onderscheidt het weder van vroegere geschriften van Noordmans, die juist in dit opzicht zo weldadig waren. De sneer op de mensen, die naar de Matthaeuspassion gaan, maar voor het Woord geen plaats hebben,j mag een liturg zich misschien veroorloven, maar Noordmans zeker niet. Het is de enige band, die sommigen nog kunnen vinden met de orde van Gods dienst. En het is zeker niet alleen hun eigen schuld, dat zij in de gewone dienst het niet kunnen vinden. Ze zijn er vaak door de christenen uitgepreekt of uitgeleefd. Dat neemt hun eigen schuld niet weg. En een uitvoering van de Matthaeuspassion is geen eredienst, doch slechts een heenwijzing daarheen. Maar het past ons, dienaren van de kerk, hier niet om te sneren.
Gereformeerde liturgie
Men moet hieruit niet afleiden, dat liturgen niet gaarne gereformeerd zouden heten. Een toekomstige kerkhervorming zullen wij, Nederlandse hervormden, niet anders kunnen en willen beleven dan vanuit de kerk, waarin wij geboren en gedoopt zijn. Er is echter geen reden om het gereformeerde christendom zoals het nu is voor het ware te houden, waarop "niet meer mag worden teruggekomen", evenmin als er reden is om de wijzers van de klok bij Thomas van Aquino stil te zetten. Zo is er allerlei in de gereformeerde verkondiging van het Evangelie, dat herzien zal moeten worden, of liever: alles daarin moet altijd weer worden herzien, omdat ons woord niet kan dienen als Gods Woord, wanneer het niet door Gods kritiek telkens weer heengaat. Gerretsen heeft al gezegd, dat de gereformeerde liturgie te veel redeneert.39 En ook in de gereformeerde leer, die met de liturgie onlosmakelijk samenhangt, is allerlei, dat om nieuwe confrontatie met Gods openbaring vraagt. Kritiek op de gereformeerde verkondiging valt echter niet samen met kritiek op Noordmans. Ik kan zijn opvattingen zo maar niet als gereformeerd aanvaarden. Wèl heeft hij gelijk, dat "de gereformeerde echte liturgie" wil, dwz. niet alleen een leer- of kunstvorm, maar een ontmoeting met God in de cultus, die een plaats behoeft "buiten het innerlijke van de gelovige".k Deze constatering is uitermate veiheugend; zij bewijst, dat Noordmans geen spiritualist wil zijn, al is de rest van zijn betoog daarmede dan ook lang niet altijd in overeenstemming. Deze erkenning laat de mogelijkheid van gedachtenwisseling open. Ook hier verheft zich Noordmans hoog boven het gewone formaat der liturgiebestrijders, die steeds maar weer om het innerlijk roepen. Hij begrijpt wat liturgie is en hij begrijpt, dat die onontbeerlijk is. Het gaat om een plaats buiten het innerlijk. - Goed. Maar de plaats, die Noordmans dan aanwijst, doet toch wel heel wonderlijk en ook niet erg gereformeerd aan. Wij komen hier eindelijk tot het middelpunt van de orde, zoals onze criticus dat ziet. Maar het is een zonderling middelpunt. Het is het Woord,l en wel bepaaldelijk het vocale Woord,m waarachter de sacramenten min of meer schuil gaan.n Nu wil ik van beeldspraak niet eisen, dat zij consequent is. En daarom wil ik niet vragen hoe een plaats tegelijk een woord kan zijn. Maar het gaat hier toch eigenlijk niet om beeldspraak. Het gaat hier om een reële plaats en een reëel woord. Ik sprak reeds over het Woord in bijbelse zin. Noordmans zegt, dat in de Reformatie, met name bij Luther, het sacrament achter het Woord terugtrad.40 Jawel, maar Luther had een sacrament in de volle, echte zin. Hij kon zich veroorloven het sacrament wat achter te houden. Maar wanneer men het te na kwam, schold hij als een visvrouw. Bij Calvijn is het sacrament reeds veel minder reëel, en bij Noordmans verdwijnt het helemaal achter het Woord. Uiterst bedenkelijk is daarbij het woordje'vocaal'. Niet, dat ik zou menen, dat het gepredikte Woord niet Gods Woord zou zijn; juist omdat ik de prediking voor sacramenteel houd, ben ik in dit opzicht volkomen een van zin met Barth en alle barthianen. Maar het 'vocale' doet weer denken aan de suprematie van het gehoor boven tast-, smaaken gezicht-zin. Wie de plaats zoekt, die zijn Heer hem bereid heeft, zal al zijn zinnen nodig hebben. Gelijk ook Christus ze nodig wilde hebben. Noordmans, die immers muzikaal is, moest toch weten, dat het 'vocale' allerminst minder zinnelijk is dan de rest van het zinnelijke. En Noordmans, die geen idealist wil zijn, moest toch weten, dat het niet gaat om woorden, maar om het Woord, d.i. de daad Gods. Wanneer ik lees, dat de sacramenten eigenlijk ook een soort 'woorden' zijn, dan doet mij dat bijna blasfemisch aan. Als het van de prediking werd gezegd, zou het mij precies zo aandoen. De sacramenten moeten niet "staan in de sfeer van het vocale Woord", dan worden ze beide 'woorden'; het vocale, ik zou liever zeggen, het gepredikte Woord, moet staan in de sfeer van het sacrament. Het Evangelie is een kracht Gods tot zaligheid en in geen cultus mag de aankondiging daarvan in de Schriftlezing, de verkondiging in de prediking ontbreken. Maar het Evangelie is niet zelf het heil, doch de boodschap daarvan. Het heil is, dat ik "niet mijn, doch mijns getrouwen Zaligmakers eigen ben, met lichaam en ziel".41 De kerk gaat uit van de boodschap, doch zij rust in Christus, wiens leden wij zijn. Hier wordt niet alleen de liturgie, maar het volle Evangelie onrecht gedaan.
Schepping
Alles kan ik samenvatten in dit ene: de theologie van Noordmans, zoals die in dit boek uitkomt, is wel een theologie van zonde en genade, maar niet van schepping en herschepping, wel van verzoening, maar niet van verlossing. Luther zegt in de Grote Catechismus:42 "Wer aber das Sakrament nicht gross achtet, das ist ein Zeichen dafür, dass er keine Sünde, kein Fleisch, keinen Teufel, keine Welt, keinen Tod, keine Gefahr, keine Hölle hat". En hij laat daarop volgen: Zo iemand gelooft van dat alles niets, ofschoon hij er tot de oren in steekt en is daarom tweevoudig des duivels. Het klinkt niet vriendelijk, en het zou mij niet passen om deze woorden op Noordmans' conclusie te doen slaan. Hij is niet des duivels, maar een man Gods in ons midden, naar wie wij met eerbied luisteren, ook al zegt hij dingen, die ons pijn doen en die de dienst van God in de weg staan. Maar het moet mij van het hart, dat Luthers woorden sterker voor mij gingen spreken na de lectuur van dit felle boek. Noordmans steekt ook tot aan zijn oren in de wereld en in het vlees, maar hij meent, dat een boodschap hem daaruit kan halen. De bijbel zegt, dat alleen Christus door zijn Heilige Geest ons kan redden. De bijbel spreekt van schepping en herschepping. De bijbel spreekt van dienst. Schepping is oordeel en herschepping door de Geest Gods is sterven en begraven worden. Maar het is het oordeel van de goudsmid, die het metaal loutert. "Wie zal de dag zijner toekomst verdragen, en wie zal bestaan als Hij verschijnt? want Hij zal zijn als het vuur eens goudsmids en als zeep eens vollers; en Hij zal zitten, louterende en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen en Hij zal ze doorlouteren als goud en zilver: dan zullen zij de Here spijsoffer toebrengen in gerechtigheid."43Zo volgt de orde van de eredienst uit het scheppend oordeel van Hem, die schept en herschept.
B. Kansel of Altaar44
door dr. O. Noordmans
Professor Van der Leeuw heeft in het vorig nummer krachtig gereageerd op de verschijning van mijn studie over Liturgie.45Ik ben daar erg dankbaar voor, omdat het mij nog meer bevestigt in de overtuiging, dat het hoog tijd is voor bezinning in bredere kring ten opzichte van de hier aan de orde komende vragen. Er bestaat een wanverhouding tussen de mate van aandacht, die gericht is op de zuiverheid van leerstellige en stichtelijke publikaties en die, welke zich bezighoudt met het Evangelie in actie in de eredienst. ⚑Wanneer er in een dogmatiek dingen staan die er niet in horen, dan merken wij dat spoedig genoeg op. Maar het lijkt soms wel of de inrichting van onze kerkdiensten aan het eigen believen van de dominees is overgelaten.
Toch is dit heel wonderlijk voor protestantse gemeenten. De Hervorming begon, althans bij de gereformeerden, meestal met de afschaffing van de mis. Zij was dus in de eerste plaats een liturgische verbetering. Men kwam op tegen afgoderij in de kerk en velen hebben liever de brandstapel beklommen dan daar naar toe te gaan. Dit is de deur waardoor wij de Roomse Kerk verlaten hebben.
Men kan ook door die deur terug. Professor Gerard Brom46 gelooft dat de liturgische beweging bezig is dat te doen. Hij schrijft:a "De liturgische beweging van haast alle soorten protestanten waarborgt ons, dat dezelfde mis, die bij de Hervorming zovelen uit de moederkerk heeft gedreven, nog meer zielen in de moederkerk zal terugbrengen." En verder: "Eenheid kan alleen door gemeenschap van altaar bereikt worden."
Ik ben van mening dat de Nijmeegse hoogleraar zich hier in het karakter van de liturgische beweging vergist. Ik kom hier weer in verzoeking om, zoals ik in mijn boek hier en daar deed, aansluiting bij Rome te zoeken tegen de liturgie. Wanneer Brom mis en missie, eredienst en apostolaat innig met elkaar wil verbinden; als hij de liturgie wil laten dienen om ons te doen verstaan, dat het offer een gezamenlijk offer moet zijn, terwijl de missie het offer dan werkelijk algemeen doet worden, dan begrijp ik hoe Genève de dochter van Rome kon worden. Dan gaat de liturgie zoals bij Paulus, tenslotte op in de prediking van het Evangelie. Maar dan zullen wij door de mis niet weer naar Rome gaan, maar Rome door de missie tot ons komen.
Voorlopig ziet het daarnaar nog niet uit. De roomsen hebben het grote moment, toen over de verhouding van mis en missie beslist werd, voorbij laten gaan. En nu moeten zij zich achteraf behelpen met een vergeestelijking van het Woord, inwendig, zodat zij het Woord uitwendig niet te horen krijgen. "Hoe eenvoudiger en innerlijker het leven van de kerk is, dat de heidenen te zien krijgen, hoe waarachtiger de werking zal zijn", aldus Brom in bovengenoemde voordracht.48 Hier klinkt het verlangen door naar een sobere eredienst. Brom waarschuwt ook tegen een eenzijdig objectivisme als een rooms gevaar. Met Manning49 wijst hij op de bezwaren van een bepaald sacramentalisme en van een ongemerkte mechanisering van het heilige.50 Hij ziet hoe hier de Hervorming inzette. Maar dan moet hij het daartegenover laten blijven bij de eis van wezensverandering in ons binnenste naast het genadewonder 'ex opere operato'. Hij kan het Woord in de eredienst niet die plaats geven, die het bij de Reformatie kreeg. Daarom dringt de behoefte aan eenvoud en praktijk in de richting van een mystisch spiritualisme.
Daarmee is de nood van de roomsen inzake liturgie aangewezen. De spanning tussen mis en missie is er evengoed als bij ons. De roomsen zullen met hun liturgisten nog te stellen krijgen evengoed als met hun spiritualisten. Bij hen nijpen deze vragen tenslotte nog veel sterker, omdat ze de Kerkhervorming hebben gemist. Wanneer ze geen gevaar willen lopen de sobere evangelische zakelijkheid, waaraan wij ons als gereformeerden verwant gevoelen, te verliezen, zullen zij een hervorming van de eredienst opnieuw onder ogen moeten zien. Hun liturgisten en spiritualisten, na Newman, dringen naar mysterisering. Het echte Rome, dat de apostolische missie in Europa vervuld heeft, zal daartegenover moeten gaan in de richting van een dienst des Woords. Pas daarin wordt het offer algemeen. Maar nog in een andere zin dan Brom het kan zien.
Het lijkt wel of ik de Groningse hoogleraar uit het oog verloren heb, om mij met de Nimweegse bezig te houden. Toch is dit niet het geval. Ik denk aanhoudend aan Van der Leeuw. Ik probeer alleen maar tegenover de vele 'hoofdjes', waaronder hij de inhoud van mijn boek heeft uiteengelegd, de grote lijn even te trekken, waarop ik mij al schrijvende voortbewoog. Ik wil ook even laten zien dat het stukmaken van de populaire legende, als zou de liturgische beweging naar Rome voeren, door mij niet bedoeld is als een compliment voor die beweging, zoals ze reilt en zeilt. Maar vooral heb ik door mijn inleiding getracht, onze discussie te beschermen tegen versplintering. Op zichzelf levert het geen bezwaar op, als Van der Leeuw onder verschillende titels zijn bezwaren tegen mijn boek formuleert. Dat kan de overzichtelijkheid en de duidelijkheid bevorderen. Doch ik meen inderdaad wel, dat in zijn artikel niet voldoende aandacht is besteed aan de orde, waarin mijn argumenten tegen de liturgische beweging optrekken. De samenhangen binnen het gereformeerde liturgische handelen, zoals ik die zie en heb zoeken te beschrijven. Daarbij denk ik bijv. aan de dialectiek tussen het pastorale en het eschatologische, zoals ik die heb uitgewerkt in het hoofdstuk over Woord en sacrament en in dat over Offer en liturgie. Wanneer het woord daarbij de reiziger en het sacrament de blijver blijkt te zijn, dan liggen daarin gevolgtrekkingen voor het karakter van de liturgie opgesloten, die men alleen goed kan waarderen in verband met de gehele samenhang. Het sacrament wordt daarbij beginsel van gemeentevorming, wat het in het N.T. ook heel duidelijk is. Dat is toch niet zo heel weinig.
Wanneer Van der Leeuw meer op deze structuur van mijn boek had gelet, zou hij er wel niet toe gekomen zijn om in zijn artikel,b onder het kopje Woord of sacrament? mij in de mond te leggen, dat het sacrament zonder het Woord 'bijna niets' is. Dat was op p. 53 van mijn boek de vertaling van fere nihil, dat mij uit Calvijns Institutie in de oren lag, maar dat ik op dat ogenblik niet kon lokaliseren. Uit het verband blijkt echter duidelijk, dat ik Calvijn citeer. Van der Leeuw verweet mij dat ik dat durfde zeggen. Hij merkt nu, dat het waagstuk niet zo heel groot was.
Wel verre echter van daardoor, in de richting van een terugschuiven van het sacrament achter het Woord, overmoedig te worden, zodat ik het ook durfde zeggen, omdat Calvijn het zei, ben ik in dit deel van mijn boek min of meer tegen Calvijn ingegaan. Ik ben althans voor de zelfstandigheid van het sacrament opgekomen, waardoor God op eigen wijze tot ons komt, zodat wij niet naar de tekenspraak, maar geestelijk tussen Woord en sacrament moeten onderscheiden. Ik heb dit als de ware zin van de gereformeerde sacramentsleer zoeken aan te wijzen.
Wanneer het sacrament daarbij, tegenover het Woord als reiziger, als blijver verschijnt, dan komt dat overeen met de gemeentelijke praktijk. Het hele catechumenaat, de onderwijzing van de nawas van de gemeente, verloopt tussen de sacramenten. De jonge mensen worden niet voor zendelingen opgeleid, maar voor blijvers. De catechisanten leren ook niet, om straks op de preekstoel te staan, maar om aan de avondmaalstafel te zitten. Daarin komt de statische zijde van de gemeente uit.
Wanneer Van der Leeuw dan ook klaagt dat in mijn boek de gemeente een opvallend geringe rol speelt,c dan is dat niet juist. Heel deze leer van het eigen karakter van het sacrament, van de pastorale aard daarvan, met een individuele eschatologie, heeft een gemeentelijke strekking. Ik heb haar afgeleid in, verband met Paulus' apostolische werkzaamheid.d Maar zij is ook katholiek en waarborgt ons, ook als wij de mis hebben afgeschaft, dat wij blijven behoren tot de algemene christelijke kerk. Jezus blijft als Herder in ons midden. En wanneer ik vroeger wel eens gesproken heb van een pastorale dogmatiek, in onze Hervormde Kerk, dan zou ik nu onze eredienst pastoraal willen heten.51 Dat is ook de strekking van een passage uit mijn boek,e die Van der Leeuw zonderling vindtf en waar ik, in verband met de stichtingsoorkonde onzer Hervormde Kerk, tegenover het wegvallen van Jezus' lichamelijke tegenwoordigheid in de mis, spreek over de pastoraal en de tucht rondom het sacrament, waarin Jezus zijn geestelijke tegenwoordigheid oefent. ⚑Inderdaad ligt hier de grondslag voor een presbyteriale kerkorde. Deze hangt met de hervormde eredienst onmiddellijk samen. In het zitten van de kerkeraad rondom de kansel en in zijn dienen bij de avondmaalstafel vinden wij dat veraanschouwelijkt. En in de functie die in de gereformeerde kerken oorspronkelijk aan de ouderling toekwam, het constitueren van de gemeente en het bijeenbrengen van het volk, kwam dat nog beter uit.
Daarom mag Van der Leeuw mij ook niet in tegenspraak brengen met wat ik vroeger schreef in Beginselen van kerkorde,52 zoals hij in zijn artikelg doet. Daar was het er mij, toen ik wees op de historische achtergrond die ik achter de Anglicaanse Kerk duidelijker ontdekte dan achter het calvinisme, om te doen de verpolitieking van de presbyteriale kerkorde tegen te gaan. Ik vroeg naar de christelijke zachtmoedigheid in de episcopale geest.h - Welnu, daarmee geheel op één lijn ligt het als ik, Calvijn tot op zekere hoogte corrigerende - sit venia verbo - althans ontwikkelende,i nu aan het sacrament een individuele eschatologie en in verband daarmee een pastoraal karakter toeschrijf.j⚑ De parallellie tussen deze beide correcties - als men ze zo noemen mag - van de gereformeerde zienswijze kon niet treffender zijn, vooral omdat de laatste geheel onafhankelijk van de andere werd aangebracht.
Wanneer dan echter Barth de prediking ook statisch wil maken, of haar hoogstens zich wil laten bewegen in de sacramentele ruimte, dan ben ik daartegen opgekomenk en heb daarin een verabsolutering van het catechumenaat gezien. Hier laat nu de spanning tussen mis en missie zich gelden, die in de Roomse Kerk evengoed merkbaar is, getuige het opstel van prof. Brom, maar die daar in de eredienst alleen door spiritualisering is op te lossen.
Bij ons staan de dingen anders. De missie, het apostolaat, verschijnt in onze kerkdienst als dienst des Woords. Maar daarom is deze aan de sacramentele ruimte niet gebonden. Het publiek karakter van onze erediensten is van wijder strekking dan het pastorale. De kring van het eerste omvat die van het laatste. Wanneer men het omkeert, noem ik dat een vlucht uit de preek in de liturgie. Niet uit 'de slechte of onsobere preek', wat Van der Leeuw er van wil maken, maar eenvoudig uit de preek. Wij komen door het Evangelie tot de kerk en pas daarna, sacramenteel, pastoraal, ook door de kerk tot het Evangelie. Zo is het in rangorde, ook als het in tijdsorde anders kan zijn.
Ik had graag gewild dat Van der Leeuw voor dit geheel en deze samenhang van mijn beschouwingen - als men het zo noemen wil mijn liturgisch stelsel - meer aandacht had gehad. Nu hij meer aforistisch te werk ging, schijnen sommige van zijn argumenten meer recht te hebben dan ze zouden blijken te bezitten als ze tegenover de complete locus de liturgia sacra, zoals ik die heb trachten te ontwikkelen, werden geplaatst.
Wanneer Van der Leeuw op mijn verwijt, dat de liturgische beweging uit de preek in de liturgie vlucht, thans antwoordt: "Wij vluchten alleen in de liturgie uit de slechte of onsobere preek",l dan is dat misschien een antwoord, dat gegeven kon worden in een gesprek, op een losse opmerking. Maar tegenover de strekking van mijn locus de liturgia, zoals ik die boven nog eens heb geresumeerd, betekent het niet meer dan een aardigheid. Zelf heb ik in mijn boek ook ergens gezegd dat de moderne liturgen zich willen dekken voor de slechte preek. Maar dat is de psychologische zijde van deze dingen. Ik heb recht een antwoord te vragen in verband met het stelsel.
Wanneer dat zal gebeuren, behoort Van der Leeuw zich te bezinnen op een opvatting van de eredienst, waarin het Woord reiziger en het sacrament blijver is. Waar de verhouding van mis en missie anders wordt genomen dan bij de roomsen. En waarbij de preek niet verloopt in de sacramentele ruimte, maar het sacrament een kerkelijk rustpunt betekent in de zendingsruimte. Paulus, Brom en Barth zullen dan om de hoek kijken.
Daarbij komt dan de vraag, of de liturgische beweging niet een vlucht uit de preek in de liturgie is,53 zich heel rustig herhalen en het grapje van 'de slechte preek' dient verder alleen voor vriendschappelijk jolijt.
Datzelfde geldt ook van wat Van der Leeuw schrijftm over de improviserende fenomenologie, die ik op de dualiteit der sacramenten zou hebben toegepast en die met theologie niets zou te maken hebben. Zulk een kwalificatie krijgt weer alleen een schijn van kans in verband met een atomistische behandeling van de stof van mijn boek. Zodra men echter mijn beschouwing in verband laat met de theologische leerstukken van erfzonde en offerande, waarmee ik ze op de aangewezen plaatsn verbonden heb, blijkt dat er van improvisatie geen sprake is. Ik heb hier een bijbels realisme geplaatst tegenover een liturgisch realisme. In het eerste is het woord, sacramenteel: de naam, het alles beheersend beginsel; bij het andere regeert een onbenoemde dynamiek, die van het sacrament des altaars uitstraalt en de hele sfeer om zich heen sacramenteel maakt, zodat er één, of evengoed een oneindig aantal sacramenten kunnen aangenomen worden. - Wie zich wil verweren tegen het verwijt van onbijbels denken,o moet het hebben over dat tweeërlei realisme. Alleen dan kan men ook recht doen aan de Heidelbergse catechismus, die op de vraag, hoeveel sacramenten er zijn, ook kortweg antwoordt: twee.54
In verband hiermee moet ik nog iets zeggen over de titel van fenomenoloog, die Van der Leeuw mij toelegt. Ik zou daar dankbaar voor kunnen zijn als ik mijn naam van theoloog daarvoor niet in ruil behoefde te geven.p Ik moet daar iets nader op ingaan.
Ik heb mij over het stuk van Van der Leeuw niet te beklagen. Het is de grootmoedigste en wat de persoonlijke zijde betreft, de vriendelijkste kritiek op mijn boek, die ik mij zou kunnen wensen. De warmte, en in de goede en brede zin van het woord, de geraaktheid, waarvan zij getuigt, schenken mij het beste bewijs dat mijn argumenten, die ik zelf als de vertolking van een naïef liturgisch besef heb aangekondigd, daar zijn aangekomen, waar ze bedoelden enige werking uit te oefenen. Dat het daarbij alweer in de goede zin van het woord - hard om hard zal gaan, daartegen zou ik niet het minste bezwaar kunnen hebben en heb dat dan ook niet. In zover - ik meen dat helemaal eerlijk - kan het mij ook niet schelen of ik er een veer bij zou moeten laten.
De veer van theoloog te zijn, kan ik mij echter niet goedsmoeds laten uittrekken. Het gaat hier om twee opvattingen van de eredienst, om tweeerlei kerkbegrip, om de toekomst ook van de theologie. Dat ik optreed als verdediger van de ene zijde, is betrekkelijk toevallig. Althans toevalliger dan dat Van der Leeuw het op de andere zijde doet. Maar nu ik daar eenmaal sta, moet ik op de rechten van mijn kant enig gewicht leggen. Daarvoor is het staan op die zijde mij te veel waard.
Het is een moeilijk geval. Sommige betere kwaliteiten als schrijver, die Van der Leeuw mij wil toekennen, hangen voor hem samen met mijn onbewuste fenomenologie. Ik mag hem hier niet vierkant tegenspreken, maar dat is ook het uiterste, waartoe ik gaan mag, als ik niet over mijzelf wil gaan spreken. Wat mijn pen in beweging brengt is niet de exegese pur-sang, al wil ik - n'en déplaise Van der Leeuwq - graag weten wat er precies staat. Het is ook niet een dogmatiek als zodanig, die de teksten in het donker zou willen zetten. Het is een geluid en een licht, waardoor en waarbij men in zekere mate de dingen kan horen en zien. Daardoor is echter iedere improvisatie uitgesloten. Ik durf beweren dat mijn Liturgie veel strenger van lijn is dan het Handboek voor den Eeredienst.55 Niet alleen omdat het boek van één hand is, maar bovenal omdat het veel strenger theologisch bepaald is. ⚑Nog eens, ik vindiceer dit theologische niet in de eerste plaats voor mij zelf. Ik doe het voor het liturgische standpunt, waarvoor ik opkwam. Teksten spreken niet altijd direct, ofschoon ze dat ook kunnen doen. Zij stemmen soms samen of roepen dissonanten te voorschijn, waarbij het oor de menging moet weten te onderscheiden. Zij komen door allerlei medium tot ons, door schotten, muren, zolderingen. Zij dringen niet alleen door de oren, maar ook door de poriën binnen. De atmosfeer kan er mee verzadigd zijn. Zij hebben hun uitlegging gehad in de historie en ze weten zich ook weer uit de geschiedenis los te maken. Zij scheppen de levensvoorwaarden voor ons geloof om ons heen en zij richten een rechtbank in ons binnenste op in het geweten. - Zo staat het ook met het dogma, op zijn eigen wijze; weer anders dan met de teksten. Het dogma schijnt niet altijd als een ster, Maar het is dikwijls ook aanwezig met een diffuus licht. - En toch blijft onder dit alles de tekst een geluid en het dogma een licht. De uitlegging van de eerste blijft exegese en de toepassing van het andere theologie.
Het is vooral de gereformeerde theologie die onder deze voorwaarden werkt. Zij blijft, meer dan enige andere, het geluid van de tekst ook op afstand verstaan, ook als deze de stem veranderd heeft. Zij weet van het dogma ook nog anders als van een waarheid voor de rede. Dat is de eigenlijke reden waarom wij, minder dan Rome, met de traditie rekenen en geen paus erkennen.
Hier moet nu in het geding tussen fenomenologie en theologie beslist Worden. Als er alleen een humanistische exegese wasr en als het dogma enkel een waarheidsbegrip was, dan zou ik de dure lof, die Van der Leeuw mij toezwaait, misschien moeten accepteren en er voor moeten betalen met mijn naam van theoloog. Maar ik ontken dat juist. Vele teksten hebben behalve het letterkundig verband waarin ze staan en waarmee de humanist zich in de eerste plaats bemoeit, ook nog andere samenhangen voor ons. Wij hebben ze al zingende, in psalmen en gezangen, geëxegetiseerd en andere zijn onder het gebed in onze harten vertolkt. De mogelijkheden van de uitleg staan in grote commentaren, kerk en staat, om ons heen.
Wil men dat nu ook fenomenologie noemen, dan zal ik over de naam niet twisten. Ik zou alleen antwoorden dat het dan fenomenologische exegese moet heten. Want het blijft een luisteren naar een geluid, een uitleg van een woord, zoals onze eredienst dat ook moet blijven. En het dogma blijft een licht, waarbij wij de tekst lezen. Het wordt nooit, zoals in de Griekse kerk en in de moderne liturgische beweging, een mysterie, ter aanbidding in de eredienst. Het blijft theologie.
Hier zit nu juist het verschil met wat ik in die beweging wraak. Daar zijn het de zijns-categorieën, die in het middelpunt van de beschouwing staan. Daar gaat het nu werkelijk om het fenomeen, in tegenstelling met een boodschap.s De vakmatige fenomenologie, in tegenstelling met de theologie, kan hier in actie komen. Het Handboek voor den Eeredienst is als geheel, afgezien van vele goed-hervormde bladzijden en een enkele maal ook bijna een heel stuk, daarmee bezig. Het culmineert hierin dat de preek wordt voorgesteld als een ontwaken van de incarnatie in de eredienst.t Het wezenlijke is dan de vleeswording als stille tegenwoordigheid; als mysterie. Het geluid is secundair. De fenomenologische methode, die zich beweegt achter de begrippen, in de richting van het zijn, is hier op haar plaats.
Wanneer dit het verschil is tussen de bewuste en de onbewuste fenomenologie, waarover Van der Leeuw spreekt,u dan komt het mij toch wel onbillijk voor mij de laatste toe te delen met derving van de theologie en voor de liturgische beweging de eerste als een theologische claim te laten gelden. Op grond van wat ik boven schreef over fenomenologische exegese, moet ik het omkeren en voor de zijde, waar ik sta, aanspraak maken op theologische behandeling, terwijl ik voor de liturgische beweging, zoals die zich de laatste jaren heeft ontwikkeld, de waarschuwing voor syncretisme als gevolg van een mystisch realisme moet herhalen. Ik voel mij, na het artikel van Van der Leeuw, als theoloog nog niet helemaal dood. En daarom zou ik hem willen vragen zich nog eens weer op deze hoofdlijnen, waarlangs wij ons bewegen, te bezinnen. Want hier, indien ergens, gaat het om de zaak.
Daarom mag ik nu misschien even pauzeren en een paar kleinere dingen behandelen.
Prof. Van der Leeuw heeft een drietal klachten kenbaar gemaakt over de behandeling die ik, gelukkig dan bij uitzondering, aan de liturgische kring zou hebben aangedaan . Hij heeft ze in noten ondergebracht, zodat de lezer ze ook kan overslaan. Dat is een zo charmante wijze van doen, dat ik er bijna niet toe komen kan maar niet eenvoudig te bekennen. Nu ik echter nog eens heb nagelezen, waarop ze betrekking hebben, wil ik er toch iets van zeggen.
Wat de eerste noot betreft,v kan ik niet goed zien wat ik in dezen heb misdaan. Wat ik schreef over Aalders en Blaauw, durf ik de lezer en deze heren zelf best ter beoordeling laten. Wanneer nu Ter Haar Romeny nog een beetje op zijn achterste zolder was! Maar voor mijn doel was het beslist nodig om te laten uitkomen, hoe weinig homogeen de beweging nog is. Over het woord 'schoolmeester', dat Van der Leeuw hier gebruikt, kan ik niet oordelen; ik heb nooit onderwijsbevoegdheid gehad. Wet herinner ik mij dat ik het hem zelf aan de hand gedaan heb, toen hij, kort na de verschijning van mijn boek, mondeling een vorm voor deze zelfde klacht stond te zoeken. Hij verbeterde mij toen en stelde voor: doctoraal. In de noot vind ik nu toch mijn eigen terminologie terug. Ik zou willen adviseren die nu te laten staan .
De tweede nootw spreekt van een ontsporing. Het gaat hier over wat ik in mijn boekx⚑ 'totalitair bidden' heb genoemd. Dit is een veel teerdere zaak. En tegelijk een veel hardere. Het is de kwestie van Kerkhervorming. Ik heb bij de correctie van mijn boek lang geaarzeld of ik het zou laten staan. Hier botsen twee kerkelijke volksgroepen op een hoek van de straat.
De derde nooty bevat een persoonlijke klacht van Van der Leeuw. Wat ik in Liturgiez opmerkte naar aanleiding van wat hij indertijd in Van Tijd tot Tijd over het dansen schreef, heeft hem bedroefd. Over de dans zelf, als liturgische vorm, moet ik verderop nog iets zeggen. Hier wil ik er alleen mijn leedwezen over uitspreken, dat ik hem pijn gedaan heb. Ik wil er ook goede nota van nemen, dat hij het dansen niet om de sterken, maar om de zwakken aan de theologen zou willen aanbevelen.
Daarmee is onze pauze, waarin wij elkaar even hebben kunnen spreken, voorbij en heb ik nog verschillende dingen te behandelen in minder gesloten verband dan in het eerste gedeelte van dit artikel. Ik zal daarbij in hoofdzaak de kopjes volgen, die Van der Leeuw heeft aangebracht. Allereerst dan De historicus.a Ik heb al voor de theoloog en de exegeet moeten opkomen. Nu kom ik als historicus in gevaar. Er zou ten slotte niet veel overblijven.
Over wat Van der Leeuw, met verwijzing naar Van de Pol, 'de noodlottigste historische vergissing' noemt, en die hij ziet als een gelijkstelling van Reformatie en puritanisme, heb ik reeds geschreven in Woord en Geest.56 Ik mag daar misschien wel naar verwijzen. Hier wil ik nog iets zeggen over Paulus en de liturgische beweging. Van der Leeuw beroept zich hier op Lietzmann, die de ethiek van Paulus als sacramenteel heeft gekwalificeerd.57
Nu is het zeker dat het historisch-kritisch onderzoek van het Nieuwe Testament en van de oud-christelijke letterkunde heel wat aan het licht brengt, waarover vroeger, althans onder protestanten, weinig gesproken werd. Dat geldt niet enkel van de eredienst, maar ook van de kerkorde. Voor die laatste heeft het historisch onderzoek toenadering gebracht tot de katholieke traditie . Newman heeft gezegd dat de protestanten van de historie niets hebben te hopen en alles te vrezen. Waren er, zo meende hij, in de eerste eeuwen protestanten geweest, dan moest er een zondvloed geweest zijn, waarin ze waren omgekomen. Want geen konde van hen was door de historie tot ons gekomen.58
En toch is Paulus in de historie de apostel van het protestantisme geweest. Wie vergist zich hier? De historie of het historisch onderzoek? Want deze beide zijn twee. Het historisch onderzoek loopt terug; de historie beweegt zich vooruit.
Ik meen dat wij daaraan ook moeten denken bij onderzoekingen omtrent het sacrament en het mysterie bij Paulus. Ik denk daarbij ook weer aan de fenomenologische exegese, waarover ik sprak. Wij lezen de brieven van die apostel niet in de archaïstische karakters, die de historicus op het spoor probeert te komen. Wij lezen ze in de taal, die de Geest hem gaf uit te spreken. Zo komt het dat de gemeente over veel heen leest, dat de geschiedkundige naar voren brengt. Zouden wij die gemeente een dienst bewijzen als wij, in plaats van Luther en Calvijn, Lietzmann of Reitzenstein59 tot schutspatroons van de nieuwtestamentische exegese maken? Ik doe deze vraag aan prof. Van der Leeuw, zoals ik haar in andere vorm en in anderverband aan prof. Brouwergesteldheb met het oog op de kerkorde.60 Het is hier de plaats niet dit nader uit te werken. Ik wil er alleen met nadruk de aandacht op vestigen. Dat wil daarom niet zeggen, dat ik klaar ben op het stuk van de eredienst, zoals Van der Leeuw schrijft. Maar het betekent wel dat ik de liturgie niet als een archeologische aangelegenheid zou willen behandeld zien, een reconstructie, maar als een zaak van onze eigen gereformeerde mensen.
Over De fenomenoloog heb ik al gesproken. Ook over sommige dingen onder het kopje Orde. Van der Leeuw geeft toe, dat elk der delen van de eredienst op een afzonderlijke wilsuiting van God rust. Het beginsel van de orde zoekt hij dan echter in een middelpunt, een brandpunt. En zegt dan ronduit, dat wij het over dat brandpunt niet eens zijn. Dat is juist en nog iets meer dan in de laatste woorden ligt opgesloten. Want ook het bestaan van een eigenlijk brandpunt is in kwestie. De preekstoel kan dat nooit in die pregnante zin zijn als het altaar. Het Woord is reiziger en ook wij hebben in de dienst geen blijvende plaats. Wel is het sacrament tot op zekere hoogte een blijver, maar de aanwezigheid van het Woord maakt, dat het als zodanig nooit absoluut middelpunt of brandpunt kan worden. Zo statisch is de gemeente en is ook de eredienst weer niet.
Waar dus de preek geen eigenlijk brandpunt van een cultus kan zijn,b en het sacrament ook slechts in betrekkelijke zin, daar moet voor de uitbeelding van onze eredienst een andere figuur dienen dan die van omtrek en middelpunt, of ellips met twee brandpunten, waarbij men er over zou kunnen verschillen, welke de voornaamste was, de preek of het nachtmaal. Hoogstens zou men de lijn der prediking een parabool kunnen noemen, die rondom het sacrament inbuigt, zonder zich echter te sluiten. De prediking blijft vrij, blijft reiziger.
Van der Leeuw wil het middelpunt blijkbaar niet zoeken in aanbidding en belijdenis.c Zij zijn in de brochure van Gerretsen, van 1911, heel sterk naar voren gebracht en de Groninger hoogleraar verwijst in dit verband naar de Haagse prediker. Deze noemt zelf, in 't begin van zijn brochure, zoals ik reeds opmerkte, de prediking als middelpunt.
Wel is het centraal stellen van de aanbidding in onze godsdienstoefening de laatste tijd zeer ingeburgerd. Ik heb er in mijn boek reeds op gewezen, hoe allerlei daartoe heeft meegewerkt en hoe ingewikkeld de dingen hier liggen; vooral deed ik dat in het hoofdstuk over Het wezen van de eredienst. Enerzijds zijn het idealistische motieven onder invloed van Schleiermacher, waarbij de cultus verzedelijkt wordt. Andererzijds hoogkerkelijke stromingen, die gericht zijn op een herstel van tempel en altaar.
De hervormde gemeente moet zich op dit punt toch wel ernstig bezinnen Het is een zeer tere aangelegenheid. Vooral hier voel ik mij niet zo klaar en gereed als Van der Leeuw wel meent. Maar er is al dadelijk verschil tussen het bidden in een tempel en in een kerk. in een tempel domineert het numen praesens; in een kerk het Woord, het van de Vader in de wereld gezondene en nog eens de Geest, de van de Zoon ezonden Trooster. Dit zou reeds meer dan genoeg zijn om bij het gebruik van de woorden aanbidden en bidden wel te onderscheiden. Zelfs de twee gebeden, die Jezus in de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar in de tempel laat houden, dragen meer het karakter van bidden dan van aanbidden.61 Bidden tot God is niet minder dan aanbidden van God. Het is anders. Het vooronderstelt de Middelaar en het Woord en de Geest. Het is minder direct. Aanbidding kan gepaard gaan met absolute stilte. Bidden gebeurt nooit zonder woorden, al zijn het ook onuitsprekelijke zuchtingen.
Ik kan ook na de lezing van Gerretsen en van zijn verheerlijking van de liturgische monotonie, mijn scrupules op dit punt niet overwinnen. Newman kon ook in extase luisteren naar de parade-pas, waarmee de woorden van de mis voor Gods aangezicht henentogen. "Quickly they go, quickly they pass."62 Ook ons avondmaalsformulier laat zich wel aanbiddend en belijdend lezen. Ik kom wel eens in de verzoeking om het te doen. Maar ik vind het beter om het biddend en prekend te doen. Het 'episch temperament', waarom Van der Leeuw vraagt, voel ik dan als een verzoeking. Gods trombone te zijn is een prachtige exercitie. Maar het is beter zijn kruis op zich te nemen en achter Jezus te gaan.
Over Soberheidd zal ik niets zeggen. Er staat genoeg over in mijn boek. Over De preeke en de vlucht daaruit in de liturgie, heb ik al gesproken. Maar in Woord of sacramentf stuit ik nog op het 'vocale Woord', waartegen Van der Leeuw uit naam van de theologie opkomt. Hij schrijft dat het Woord in de bijbel het scheppingswoord is en dat het bij mij een mengsel is van humanisme en idealisme, van letterlijke zin en idee.
Dat is zeer ernstig en wij komen hier weer tot het hart van de kwestie inzake liturgie. Het gaat er om of de zijns-categorieën in de cultus overheersen of de grammaticale. Luther heeft gezegd dat de kracht van het Evangelie in de voornaamwoorden schuilt.63 In het uw en het mijn, het Hij en het zijn. En ik geloof dat hij gelijk heeft. De Heidelbergse catechismus begint ook op die wijze.
God komt in de bijbel niet altijd op dezelfde wijze tot ons. Mozes zag hem op de berg Sinaï van achteren. 64Men kan dan wel zien dat Hij de Schepper is. Maar het is beter om zijn aangezicht te zien. Men weet dan dat Hij de Vader is. Zo is het ook met zijn Woord. Wanneer er sprake is van het vocale Woord, dan is daarmede niet ontkend dat door het Woord des Heren de hemelen gemaakt zijn en door de Geest zijns monds al hun heir, maar dan is daarmee toch die zijde van Gods Woord aangewezen, die in de kerk tot openbaring komt. Het is die vorm van Gods Woord, die Evangelie heet. God is in de kerk, op het altaar, niet bezig met scheppen, maar Hij spreekt aan de avondmaalstafel tot zijn gemeente. Dat bedoelt ook Calvijn, als hij zegt dat het sacrament bijna niets is zonder de belofte die 'clara voce' door de dienaar gesproken wordt.65 Daarin schuilt een verweer. De schepping als zodanig, het binnenroepen van de zijns-categorieën, is in de kerk niet toelaatbaar. Dat is instelling van een mysteriewezen.
Ik kom nu tot de dans als figuur om de geslotenheid van de eredienst volgens modern-liturgisch program uit te beelden. Ik heb daarover een en ander gezegd in mijn boek, vooral in het hoofdstuk Liturgie en leven. Ik krijg ten antwoord dat ik van dansen geen verstand heb,g want dat deze naar alle kanten open is.
Hier zou ik bijna een noot willen plaatsen met een klacht. Ik vind deze beantwoording van mijn, naar alle kanten geadstrueerd en met citaten verlucht betoog, eerlijk gezegd, wel wat nonchalant en luchtig. - Ik heb mijn visie in dezen te danken aan een beroemde Enneade van Plotinus,h waarin hij voor zijn kosmisch systeem een samenhang vindiceert, die ik vroeger eens als corresponderende causaliteiti heb betiteld. Deze oorsprong van mijn figuur heb ik in mijn Liturgie zelf aangeduid.j Ik zal hier niet herhalen wat ik daar over de liturgische formatie, de gesloten communicatie, de deelname gezegd heb. De liturgische verhoudingen die daarmee worden aangeduid en die door mij zijn aangewezen in de liturgische literatuur, met name bij Van der Leeuw, deze verhoudingen hebben veel weg van wat Plotinus bedoelt, als hij de kosmische liturgie beschrijft, die haar wezen vindt in de wederkerigheid en die haar symbolische uitbeelding vindt in de dans. De Groningse hoogleraar heeft zich in zijn Inleiding tot de Theologie bemoeid om, mede aan de hand van schrijvers als Spranger68 en Jaspers,69 de tegenspraak tussen natuur en geest tot een samenspraakk te herleiden; althans tot een corresponderende verhouding.70
Dit geeft in de theologie veel onzekerheid en soms ook wel last. Men weet telkens niet wat men er aan heeft. Enerzijds werkt men met een vormbeginsel en aan de andere kant met geloofscriticisme. Wordt men moe van het staan op het ene been, omdat alles dicht gaat raken, dan stelt men zich op het andere en roept: kijk, alles is toch open!
In de liturgie komt dit wel heel duidelijk uit. De praktijk komt daar telkens de proef op de som nemen, wat in de theologie lang niet altijd mogelijk is. Het Rapport van Kerkopbouw71 is in dat opzicht typisch. Telkens als men daar een deur in de kerk dicht gedaan heeft, zegt men er bij dat zij voor het geloof open blijft staan. In het Handboek was men niet altijd zo voorzichtig.
Maar dit procédé loopt dan in de liturgie ook 't eerst vast. De praktijk demonstreert dat deze theorie van de samenspraak zich zelf tegenspreekt. Wanneer men de eredienst sacramenteel gesloten heeft, kan men hem ten behoeve van het Woord niet tegelijk openzetten. Wanneer het altaar middelpunt wordt, blijft de preek gebonden. Hier moet men kiezen. Of de reiziger of de blijver zal in laatste instantie het stempel op het geheel zetten.
Zo wordt dan in de liturgie aanschouwelijk onderwijs gegeven over veel wat tussen Van der Leeuw en mij ter sprake kwam naar aanleiding van het Christelijk Levenl en ook in zijn brochure over Het Beeld Gods.m Op p. 176 van zijn artikel, waar hij over het offer van Christus spreekt, treft mij weer dezelfde verwarring. In de theologie kan men daaraan niet altijd door het nemen van een proef een eind maken. Het is moeilijk om de tegenspraak zo hoorbaar te maken, dat ze voor ieder duidelijk is. In de liturgie laat ze zich praktisch demonstreren. Van der Leeuw ziet in het offer van Christus het brandpunt van de eredienst, maar dat geldt dan volgens hem voor avondmaalstafel en kansel op dezelfde wijze. Ik heb hier in mijn boek juist scherp onderscheiden, door er op te wijzen dat de Reformatie het offer van het altaar heeft weggedaan en dat het in de kerk vocaal tot ons komt en niet mystisch herhaald wordt.n In de praktijk nu kan Van der Leeuw zijn vermenging ook niet volhouden. In de liturgie moet men kiezen tussen kansel en altaar.
Hij ziet dit zelf ook wel. En niet als een strijd uit de kerkhistorie alleen, maar ook voor de toekomst. "Wij hebben de sacramentstheologie sedert Luther laten liggen", schrijft hij.o En dadelijk daarop kondigt hij Een nieuwe Hervorming aan.p En weer dadelijk daaropq vindt hij het heel erg dat ik schreef, dat het er om gaat of men op de liturgische hervorming van de zestiende eeuw wel terug mag komen. Van de Pol - Van de Pol nog wel - in Woord en Geest van 26 mei jl.,72 vond dat niet erg en was het er goeddeels mee eens. De Hervorming is geen Evangelie, zegt Van der Leeuw. Dat is wel zo, maar het christendom is ook geen Evangelie en toch willen wij geen heidenen of Joden meer worden.
Met dit alles bedoel ik duidelijk te maken dat de liturgie, omdat zij handeling is, meer nog dan de theologie tot 'kiezen of delen' dringt. En in verband met offer en altaar en nieuwe kerkhervorming en terugkomen op de Reformatie, zoals wij die zopas tegenkwamen, geloof ik dat het nu wel duidelijk is dat de liturgische beweging genoodzaakt zal worden kleur te bekennen. Zij zal niet beurtelings op het éne of het andere been kunnen gaan staan. En Van der Leeuw zal dat op den duur, al zal het langer kunnen duren, in de theologie ook niet vol kunnen houden.
Ik kom aan het einde van mijn repliek. Ik heb niet op alles kunnen of willen antwoorden. - Dankbaar moet ik echter nog akte nemen van zijn erkenning, dat de gereformeerde echte liturgie wil, en dat de mogelijkheid van gedachtenwisseling daardoor openblijft.r⚑
Wanneer hij dan echter dadelijk daarop onder het voorlaatste kopje Gereformeerde liturgie schrijft, dat het hem bijna blasfemisch aandoet, als ik in de sacramenten een soort 'woorden' zie, dan begin ik weer haast te wanhopen aan wederkerig begrip voor elkaars standpunt. In het hoofdstuk Woord en sacrament van mijn boek heb ik, tegenover Bakhuizen van den Brink, die in het Handboek in aansluiting aan Calvijn Woord en sacrament heel dicht bij elkaar zoekt te brengen, nadruk gelegd op de eigen sprake van het laatste. Het sprak daar, waar de Geest zich voor de ziel nauwelijks verstaanbaar kon maken.s Maar daarom toch ook blijven de sacramenten 'een soort woorden'. God schept niet op een altaar in de kerk, maar spreekt er. Wij komen niet in de kerk om altaargeheimenissen te aanbidden, maar om Jezus en het Evangelie te horen. Daar blijft het bij.
Daarom wringt de schoen inderdaad bij de Schepping, waarvan het laatste kopje spreekt. Of een boodschap ons uit de wereld en het vlees kan halen,t is een zeldzame vraag. Maar als het dan een boodschap van God is? Ook dan weten wij wel van de grote smeltkroes, waarin alles gereinigd moet worden. Niet alleen het oor moet worden doorboord, maar ook hart en nieren geproefd en hand en voet tot leden van het lichaam van Christus gemaakt. Wij weten dat God in de heksenketel van deze wereld zich een gemeente toebereidt en dat daarvoor vele verdrukkingen nodig zijn.
Maar in de kerk komen wij om de boodschap te horen. Wij gaan er niet naar toe om, zoals in de antieke mysteriënspelen, een drama op te voeren zo intens, dat beeld en werkelijkheid tenslotte in elkaar lopen, zodat de liturgie in herschepping zou overgaan. Wij vinden, zolang de zaak nog niet gekomen is, onze troost in het Woord.u
C. Het Book of Common Prayer74
door dr. W. H. van de Pol
Het hiervolgend artikel is een reactie op de zojuist verschenen studie van dr. Noordmans over Liturgie, die om des gewetens wil niet achterwege mag blijven. In deze studie toch wordt het Book of Common Prayer, het kerkboek dus van de anglicaanse kerken, en de eredienst, waarvoor dit boek is bestemd, op een dusdanige wijze getypeerd en belicht, dat zwijgen tegenover de hier gegeven voorstelling van zaken een ernstig plichtsverzuim zou betekenen. ⚑Voor ik echter tot de aanval overga, moet ik nadrukkelijk verzekeren, dat deze niet gericht is tegen het boek van dr. Noordmans als zodanig. Wij zijn het er allen over eens, dat er in ons land ten aanzien van de liturgie nog veel verwarring en onklaarheid bestaat. Trouwens in vrijwel alle kerken is de eredienst opnieuw een vraag of ten minste een voorwerp van bezinning geworden. Wij staan inderdaad voor nieuwe of hernieuwde beslissingen, die niet slechts de buitenkant van het kerkelijk gemeenschapsleven raken, maar die ten nauwste samenhangen met geloof en belijdenis. Het is mijn overtuiging, dat de studie van dr. Noordmans niet alleen aan de liturgiegezinden in ons land heel wat te verwerken en te beantwoorden heeft gegeven, maar ook dat deze studie een zeer wezenlijke en positieve bijdrage is, die verhelderend zal werken en een eventuele beslissing zal kunnen bespoedigen. Een uitvoerige en diepgaande discussie kan nu niet uitblijven. Daarbij mag het er niet om gaan, wie gelijk krijgt, maar moet het alleen gaan om het welzijn van de hervormde kerken.
In dit artikel gaat het echter om iets anders. Het wil aan de discussie over liturgie als zodanig niet deelnemen, maar het wil slechts een verzet, een noodzakelijk verzet, zijn tegen de karakterisering van het Book of Common Prayer en van de anglicaanse eredienst, die door dr. Noordmans wordt gegeven en die zowel in historisch als typologisch opzicht ten enenmale met de werkelijkheid in strijd is. Hier wreekt zich het feit, dat de schrijver niet werkelijk met het Book of Common Prayer heeft geleefd, noch in het kerkelijk leven van de Anglicaanse Kerk is ingewijd, maar dat hij beide slechts kent door een onpersoonlijke aanraking van buitenaf.
Dat dr. Noordmans tot zulk een averechtse typering van de anglicaanse eredienst kon komen, is trouwens niet slechts zijn schuld. Zelf noemt hij in dit verband de Oxford Beweging van 1833 en volgende jaren en ook Newman. Inderdaad zijn vanuit de Oxford Beweging nieuwe liturgische inzichten geboren, die meer thuis horen in de Oosterse dan in de Westerse kerk. De liturgische literatuur van de laatste jaren is van deze 'nieuwe' liturgische inzichten doordrenkt en er worden hier en daar in Engeland (zij het dan ook slechts in een minderheid van kerken) diensten gehouden, waarop alles wat dr. Noordmans tegen de anglicaanse eredienst aanvoert, inderdaad van toepassing is.
Maar deze zgn. anglo-katholieke interpretatie van het Book of Common Prayer vindt in zeer vele anglicaanse kringen een bestrijding, die niet onderdoet voor die van dr. Noordmans. Historisch staan die anglicanen het sterkst, die in het Book of Common Prayer zien een specifiek en sterk uitgesproken gereformeerd kerkboek naar de geest van Calvijn, Bucer, a Lasco en andere hervormers. Dat het niet rooms is, weten de rooms-katholieken het best. Ik kan hier o.m. verwijzen naar een studie van kardinaal Gasquet (Edward VI and the Book of Common Prayer),75 die daarin radicaal afrekent met de nog wijd-verspreide populaire opvatting, dat de Anglicaanse Kerk weliswaar een gereformeerde belijdenis, maar een roomse liturgie zou hebben. Deze opvatting is afkomstig uit het extremisme van de Puriteinen, deze hervormde epigonen, die niet wisten van de hardnekkige strijd van Calvijn tegen de liturgische afbraak in Genève en andere Zwitserse plaatsen en die niet wisten dat het Geneefse kerkboek van John Knox76 en het Book of Common Prayer op een gemeenschappelijke bron teruggaan. (Zie Maxwell, The Genevan Service Book.)77
Het is wel mogelijk, dat de Anglicaanse Kerk opnieuw komt te staan voor de beslissing vóór of tegen de Reformatie, dat betekent voor haar vóór of tegen het huidige Book of Common Prayer. Dr. Noordmans spreekt van de grote Engelse liturgie. Het Book of Common Prayer (niet Common Prayer Book: dit klinkt een Engelsman komisch in de oren, alsof niet het gebed, maar het boek gemeenschappelijk ware) spreekt echter eenvoudig van 'orde' en wie wil weten, wat dat inhoudt, juistere slechts naar een morgenof avonddienst door de radio. Er moet orde in de dienst zijn, dwz. opwekking, schuldbelijdenis, psalmgezang, Schriftlezingen, gebeden, prediking en liederen moeten alle tot hun recht komen en op ordelijke wijze elkaar afwisselen.
Voorop staan in het Book of Common Prayer de orde van diensten voor het morgen- en avondgebed. In de praktijk zijn dit in de Engelse kerk tot op heden vrijwel overal de hoofddiensten (ik bedoel de eigenlijke zondagmorgen- en avonddiensten en de door-de-weekse diensten) gebleven. De avondmaalsdienst, die op echt reformatorische wijze 'Holy Communion' wordt genoemd, wordt als een aparte dienst, niet als de eigenlijke dienst beschouwd. Gewoonlijk heeft deze dienst's morgens vroeg of na de hoofdpredikdienst met morgengebed plaats, in welk laatste geval dan zij, die aan de communiedienst deelnemen, in de kerk achterblijven, terwijl de meeste kerkgangers huiswaarts keren. In dit opzicht is de Anglicaanse Kerk protestantser dan Calvijn, die wilde, dat de wekelijkse avondmaalsdienst de eigenlijke hoofddienst zou zijn.78
Wie nu bijv. in ons land een anglicaanse morgen- en avonddienst meemaakt, kan toch onmogelijk de indruk krijgen, dat de anglicaanse eredienst het mysteriekarakter zou vertonen van de oosterse liturgie. De dienst toch begint met een opwekking tot schuldbelijdenis in typisch reformatorische bewoordingen, voorafgegaan door een tekst uit en een beroep op de Heilige Schrift: "Geliefde broeders en zusters, de Schrift beweegt ons op tal van plaatsen om onze vele en velerlei zonden te bekennen en te belijden, enz." En dan wordt in enkele sobere en nuchtere bewoordingen gezegd, waartoe de gemeente in de kerk samenkomt, nl. "wij komen te zamen om dank te zeggen voor de grote weldaden, die wij uit Gods hand hebben ontvangen, om Hem waardiglijk te loven en te prijzen, om Zijn allerheiligst Woord te horen en om zulke dingen te vragen als nodig zijn, zowel voor het lichaam als de ziel". De gehele dienst bestaat nu verder na het gebed van schuldbelijdenis gevolgd door genadeverkondiging (beide in bewoordingen van duidelijk reformatorische oorsprong) eenvoudig uit het zingen van een of meer onberijmde psalmen, het lezen van een hoofdstuk uit het Oude en een uit het Nieuwe Testament (niet gezongen, maar eenvoudig en natuurlijk voorgelezen, veelal door een voorlezen, een lid uit de gemeente), de twaalf geloofsartikelen en enkele korte responsoriën en gebeden, waarna preek. Evenals in de N. H. Kerk worden in de laatste eeuw ter inleiding en beëindiging van de dienst ook enkele gezangen (hymns) gezongen.
Deze liturgie is niet, zoals dr. Noordmans zegt,79 de liturgie van 1549, maar de onder invloed van gereformeerde vluchtelingen radicaal herziene liturgie van 1552, waarvan de huidige liturgie (die van 1662) vrijwel een ongewijzigde 'herdruk' is. Zo begint bijv. de avondmaalsdienst met de lezing van de Tien geboden. Men bestudere eens deze avondmaalsdienst en oordele dan zelf of de hierin voorkomende formulieren en de gebeden voor en na het Avondmaal ("We do not presume to come to this Thy table, o Lord, trusting in our own righteousness"a) of het gebed, waarin de kerk, het lichaam van Christus, genoemd wordt "the blessed company of all faithful people",b niet van zuiver reformatorische oorsprong en inhoud zijn.
Maar de 'Pilgrim Fathers"80 dan? Hebben deze Engeland dan niet verlaten om de liturgie? Ja, deze Pilgrim Fathers hebben zelfs alle christelijke feestdagen en de zondag afgeschaft. Zij zouden in Genève tot de felste tegenstanders van Calvijn behoord hebben om te zwijgen van Luther en de Duitse en Scandinavische hervormers, die door de Pilgrim Fathers voor rasechte papisten zouden zijn versleten.
Zo meen ik dus, dat dr. Noordmans ten aanzien van de werkelijke inhoud en de zuivere strekking van het Book of Common Prayer de plank bedenkelijk misgeslagen heeft. Veeleer zou het in de lijn van zijn betoog geweest zijn, indien hij de verdedigers van bepaalde nieuwere liturgische stromingen in Engeland tot de orde geroepen had, zoals hij dat ons, Nederlandse liturgen, heeft gedaan - en deels stellig terecht - door hen met strengheid te verwijzen juist naar hun eigen door en door reformatorische Book of Common Prayer, dat in de Engelse kerk nog altijd het voornaamste reformatorische bolwerk is tegen rooms-katholieke of oosters-orthodoxe invloeden.
D. De vraag naar de liturgie krachtig aan de orde gesteld81
door dr. W. H. van de Pol
De zojuist verschenen en keurig uitgegeven studie van dr. Noordmans over liturgie is - om in de terminologie van de schrijver te spreken - een krachtige klaroenstoot, die onmogelijk ongehoord kan blijven. Waren het tot nu toe in de hervormde kerken van ons land uitsluitend de voorvechters geweest voor liturgisch herstel, die door persartikelen en door publikaties in boekvorm besef trachtten te wekken van het belang van liturgische vragen en aangelegenheden, thans is er voor het eerst een studie verschenen 'van de andere kant': een degelijke studie, die klinkt als een alarmsignaal, een 'weest op uw hoede'. We hebben nu niet langer enkel en alleen een pro zwart op wit, maar ook een contra, en dat van de hand van een onzer bekwaamste theologen. Zal het nu niet met de liturgische beweging gedaan zijn?
Als elke jonge beweging is ook de liturgische nog niet gestabiliseerd. Er is nog veel zoeken en tasten, veel verwarring en onklaarheid. Zij kan nog allerlei kanten uit. Hierin ligt ontegenzeggelijk een gevaar. Men mene echter niet, dat op grond daarvan de gehele liturgische beweging, die bovendien reeds lang een krachtige stroom in onze kerken is geworden, dient te worden ingedamd en 'onschadelijk' gemaakt. Trouwens die stroom is niet meer te keren. Steeds meerderen zijn ervan overtuigd - en vooral onder de jongere leden der gemeente - dat het woord 'liturgie' staat voor iets, dat ontbreekt in het kerkelijk gemeenschapsleven en dat er toch moet zijn, iets, dat wij door tal van oorzaken thans minder kunnen missen dan ooit. En men heeft weer ontdekt, dat evenals er naast het rooms-katholieke dogma niet een afwezigheid van dogma is aan protestantse kant, maar een reformatorisch dogma, dat er evenzo naast de rooms-katholieke (en naast de oosters-orthodoxe) liturgie ook gesproken kan en moet worden niet van afwezigheid van liturgie, maar van reformatorische liturgie.
In zoverre nu het boek van dr. Noordmans een waarschuwing betekent tegen liturgische neigingen van vreemde, niet-reformatorische oorsprong en in zoverre het tot nieuwe en ernstiger bezinning wil oproepen, kunnen wij ons over het verschijnen ervan niet genoeg verheugen. Zulk een 'quo vades?' en zulk eert stimulans tevens stellen de vraag naar de liturgie eerst recht aan de orde en onze liturgische beweging kan hierbij niet anders dan welvaren. Het zal nu eerst recht blijken, hoe zeer de tijd rijp is voor werkelijk herstel van de liturgie in reformatorische zin. Dr. Noordmans wil de liturgiegezinden een duidelijk 'halt' toeroepen, waar en voor zover hun pogingen in strijd zouden zijn met het reformatorisch verstaan van de Schrift en met de confessie der kerk. Deze klaroenstoot zal ongetwijfeld gehoord en geëerbiedigd worden en daarmee zal dr. Noordmans zijn eigenlijke doel hebben bereikt.
Dit wil echter niet zeggen, dat het boek van dr. Noordmans in allen dele onaanvechtbaar en onweerlegbaar zou zijn. Dit valt onder meer hieruit te verklaren, dat dr. Noordmans dogmaticus en niet liturgioloog is. Hij heeft zich op glad, op voor hem te glad ijs begeven. Eldersa heb ik aangetoond, hoe de wijze, waarop de schrijver het Book of Common Prayer en de liturgie van de anglicaanse kerken heeft getypeerd, ten enenmale met de feiten in strijd is. Ik kan hier een stap verder gaan en als historisch vaststaand opmerken, dat wat dr. Noordmans als 'sobere liturgie' met een kleine letter plaatst tegenover de 'grote Liturgie' met een hoofdletter, die de Engelse kerk meer nog met de oosters-orthodoxe dan met de rooms-katholieke gemeen zou hebben, volstrekt niet - zoals het de schijn heeft - reformatorisch, maar na-reformatorisch is.
Calvijns opinie
De beschikbare ruimte laat niet toe om te vertellen, wat Calvijn in tal van brieven en in zijn liturgische geschriften heeft gezegd over de noodzakelijkheid van een wekelijkse avondmaalsviering en over de orde en de opbouw van de dienst (men zoeke niets bijzonders achter het woord 'liturgie'; het betekent eenvoudig 'dienst'). Daarbij zou dan tevens kunnen worden bewezen, hoe Calvijn in voortdurend verzet was tegen diegenen, die de liturgie niet - evenals de leer - wilden hervormen, maar afbreken en vernietigen. Als alle hervormers heeft ook Calvijn willen zorgen voor het ontstaan van een geordend gemeenschapsleven van de hervormde kerk in de vorm van een specifiek reformatorische liturgie, waarvan Calvijn uitdrukkelijk verklaard heeft dat deze behoort te zijn "selon la coutume de l'église ancienne", dus overeenkomstig de gewoonte van de Oude kerk.83
Het is geweest de afkeer van alles, wat nog maar enigszins herinnerde aan de liturgie van de voorreformatorische kerk (dwz. aan het toenmalig liturgisch verval daarvan), waardoor in Zwitserland en elders de tegenstanders van Calvijn er in geslaagd zijn om het werk der hervormers op liturgisch gebied ongedaan te maken en waardoor vele hervormde kerken verstoken zijn gebleven van een eigen reformatorisch gebedenboek en een eigen reformatorische liturgie. Wat men ook tegen de Engelse kerk van vroeger of nu zou kunnen aanvoeren: het zal immer haar grootste rijkdom blijven, dat zij met haar reformatorische liturgie klaar geweest is (nl. in 1552), voordat de epigonentijd met zijn onreformatorisch, onschriftuurlijk en te ver dooredreven puritanisme was aangebroken en dat zij deze reformatorische liturgie - zij het omstreeks 1650 dan ook ternauwernood - tegen puriteinse afbraak heeft weten te bewaren. Thans profiteren alle zgn. vrije kerken van Engeland daarvan, want zij allen zijn onder invloed van de anglicaanse liturgie reeds lang bezig met een volkomen herstel van de dienst in volreformatorische zin.
Maar - zo zal men zich afvragen - wat moeten we dan verstaan onder liturgie in uitgesproken reformatorische zin? Het is inderdaad van het grootste belang, dat wij ons op deze vraag goed bezinnen. De oudste christengemeenten zijn niet begonnen met op synodes en concilies een uitgewerkte leer samen te stellen en deze vast te leggen in een uitvoerige belijdenis en catechismus: zij zijn eenvoudig begonnen met samen te komen om zoals de Joden dat reeds gewoon waren - gemeenschappelijke gebeden, lofprijzingen en dankzeggingen op te zenden, psalmen te zingen, naar de Schriftlezingen te luisteren en nu ook bovendien geregeld te luisteren naar de prediking van het Evangelie en te zamen wekelijks (misschien zelfs dagelijks) de verlossing uit de macht van zonde en dood te vieren op de wijze zoals Christus dat nadrukkelijk aan de zijnen had opgedragen bij de inzetting van het Avondmaal. Van het begin af aan is er dus geweest een christelijk gemeenschapsleven, waardoor de individuele gebedsgemeenschap van de enkeling met God werd gedragen.
Christus heeft zijn gelovigen niet als eenzamen elk voor zich apart in deze wereld geplaatst, maar Hij heeft hen tot een hechte eenheid en gemeenschap saamverbonden in de kerk, die zijn lichaam is. Hiervan is de geregelde onderlinge bijeenkomst (dat wil zeggen: de liturgie) de concrete vorm. In deze geregelde 'dienst' wordt het Evangelie verkondigd, maar er gebeurt in deze dienst veel meer: het gemeenschappelijk gebed en belijden, danken en aanbidden vindt hier zijn gemeenschappelijke uitdrukkingsvorm. Er is van de eerste dag af aan liturgievorming geweest en daarbij is er nooit een tegenstelling aan de dag getreden tussen prediking en de rest van de liturgie. De liturgif-, omvat zeer vele en velerlei elementen en daarin mag de prediking niet ontbreken, maar dit is zó vanzelfsprekend geweest, dat in de dagen der kerkvaders niemand op de gedachte kwam om te gaan disputeren over de plaats van de prediking in de liturgie, laat staan om alles, wat in de dienst geen prediking was, onder verdenking te nemen. Dit is ook helemaal niet reformatorisch. De Reformatie betekende herstel van de prediking in de liturgie en wel herstel van de prediking als wezenlijke Woordverkondiging. Hiermee heeft men echter niet beoogd een algehele ontwrichting van de liturgie of een verdringing van alles, wat niet direct prediking was, zoals dat later helaas ook in ons land is gebeurd.
Liturgie ouder dan dogma
De liturgievorming is in de kerk ouder dan de dogmenvorming. Dit wil echter niet zeggen, dat er een tegenstelling zou kunnen of mogen bestaan tussen liturgie en belijdenis. Hetzelfde geloof, waarvan de latere belijdenis, ontstaan uit kerkelijke strijd, in dogmatische termen getuigt, daarvan was reeds lang de liturgie een veelvormiger en veelkleuriger uitbeelding in gebed, lofprijzing, dankzegging, naar tijdsorde vastgestelde Schriftlezingen uit het Oude Testament, de evangeliën en de brieven en in de sacramentele handelingen. Reeds vroeg heeft de liturgie van verschillende delen der kerk haar neerslag gevonden in liturgische boeken: gebedenboeken, waarbij men 'gebed' dient te nemen in de ruimste zin, dus insluitend dank, lof en aanbidding. Deze liturgie is zó in allen dele vormgeving aan hetzelfde geloof als het dogma of de belijdenis dit is, dat men reeds vroeg de uitdrukking tegenkomt: 'lex orandi lex credendi': voor de liturgie en de belijdenis geldt dezelfde wet, maw. liturgie en belijdenis wortelen in en zijn uitbeelding van een en hetzelfde geloof: het geloof in de openbaring van Jezus Christus.
Indien nu de Reformatie - zoals inderdaad het geval is - een krachtig en beslist neen betekent tegenover veel, wat toenmaals in de kerk geleerd en gedaan werd en indien de Reformatie betekent een hernieuwd belijden, dan kon het niet anders of ook de liturgie moest hervormd worden. Liturgie en belijdenis immers zijn ieder op hun wijze uitbeelding van het geloofsleven van de kerk. Er is een individueel geloofsleven en er is een individueel gebedsleven, maar er is ook een gemeenschappelijk geloofsleven en er is een gemeenschappelijk gebedsleven. De volle uitbeelding nu van het geloofs- en gebedsleven van de kerk is haar liturgie. Waar de kerk haar liturgie verliest, daar heeft zij haar voornaamste gemeenschapvormende factor verloren, daar is het gemeenschapsleven van de kerk overgeleverd aan de enkeling: aan grillen van de gemeente en aan persoonlijke inzichten van de voorganger: daar staan chaos en verarming voor de deur, daar verliest bovendien de plaatselijke gemeente haar werkelijke innerlijke samenhang met de ganse kerk, die alle tijden en plaatsen omspant.
In onze tijd nu, waar het luisteren naar een preek zo gemakkelijk vervangen wordt door het luisteren naar de radio of het lezen van een boek (hoe verkeerd zulk een gewoonte overigens ook is) zal van het kerkelijk gemeenschapsleven weinig of niets meer overblijven, tenzij dit gemeenschapsleven weer zijn oorspronkelijke rijkdom en volheid herwint en wel in gemeenschap met gans de kerk van Christus. Tenzij men mocht geloven, dat de kerk vanaf de eerste eeuwen gedwaald heeft en dus noch in liturgie noch in dogma ook maar enigszins richtinggevend kan zijn, spreekt 't vanzelf, dat herstel der liturgie ons dicht in de buurt van de Oude kerk brengt, zoals onder anderen ook Calvijn heel goed wist. Wie namelijk het geloof der kerkvaders en der oude kerkconcilies als normgevend beschouwt (en dat heeft Calvijn toch stellig gedaan), die komt bij een hervorming van de liturgie ook vanzelf uit bij de liturgie van de kerk in de dagen van haar eerste dogmenvorming. Indien de reformatorische theologie en belijdenis iets of zelfs veel te maken hebben met de Oude kerk (de hervormde kerken wilden toch geen nieuwe maar herstelde kerken zijn) dan kan het niet anders of dit moet ook gelden van haar liturgie.
Het spreekt vanzelf, dat ik in dit korte artikel slechts enkele algemene richtlijnen ten aanzien van het herstel ener reformatorische liturgie kon aangeven. Slechts wil ik nog tegenover dr. Noordmans met alle nadruk betuigen, dat niet slechts de tegenstelling preek-liturgie een onwerkelijke en ongeoorloofde tegenstelling is, maar dat het vooral ook misleidend is om te spreken van "een vlucht uit de preek in de liturgie",b84 omdat dit een motief suggereert, dat aan de liturgische beweging in ons land vreemd is, of anders vreemd behoort te worden.
E. Reformatorische liturgie85
door dr. W. H. van de Pol
Het boek van dr. Noordmans over Liturgie is gericht tot - of eigenlijk tegen - allen, die 'meedoen' aan de liturgische beweging. Hoe men ook denken moge over de historische beschouwingen van de schrijver en over de wijze, waarop hij de liturgie van verschillende kerken heeft getypeerd: in elk geval roept zijn geschrift op tot ernstige bezinning en tot een vastberaden beslissing en stelt het de eis van een onomwonden en voor een ieder duidelijk verstaanbare uitspraak van de zijde van diegenen, wie het om een herstel of uitbouw van de liturgie in de hervormde kerken te doen is.
In de diensten, die beïnvloed zijn door de liturgische beweging, gebeuren dingen en in lezingen en geschriften van vertegenwoordigers van de beweging worden beschouwingen voorgedragen, die naar het oordeel van dr. Noordmans een gevaar inhouden voor de zuiverheid van de kerk. Persoonlijk meen ik (ik spreek niet als vertegenwoordiger van een bepaalde groep, maar louter voor mij zelf), dat hij hier deels gelijk in heeft, deels niet en dat hij in sommige gevallen de bedoeling van de schrijvers, die hij bestrijdt, onjuist weergeeft, terwijl in andere gevallen de waarschuwende kritiek inderdaad van pas is.
Met dergelijke algemene opmerkingen komen we echter niet verder. Ik wil trachten om in twee artikelen zo onomwonden mogelijk mijn persoonlijke houding ten aanzien van liturgisch herstel te bepalen. In het bijzonder zal ik mij beperken tot de kwestie 'Liturgie en Reformatie'. In het eerste artikel wil ik enkele algemene beschouwingen geven, in het tweede wil ik trachten om zo duidelijk mogelijk aan te geven, wat liturgisch herstel in reformatorische zin naar mijn overtuiging wèl en niet moet betekenen.
Het woord 'reformatie' of 'hervorming' houdt in, dat het hierbij gaat niet om het maken van iets nieuws, maar om het her-vormen, het in zijn oorspronkelijke, onbedorven vorm herstellen van iets, dat in de loop der tijden meer en meer misvormd is geworden. Het vooronderstelt altijd beroep op iets ouds. Wanneer dr. Noordmans zegt,a "dat de reformatoren er zich wel degelijk rekenschap van gegeven hebben, dat ze zich niet op de Oudheid, maar op de waarheid beriepen", dan is dit maar ten dele juist. Calvijn beroept zich in verschillende van zijn geschriften herhaaldelijk op "quod in veteri ecclesia observatum (est)"b en verklaart in de titel van zijn Prières ecclésiastiques86 nadrukkelijk, dat dit kerkelijk gebedenboek, bestemd voor de liturgie van Genève, herstel van de liturgie betekent "selon la coutume de l'église ancienne".c Natuurlijk wilden de hervormers niets anders dan zich beroepen op de waarheid, maar de geciteerde uitlating van dr. Noordmans loopt het gevaar van een valse tegenstelling te scheppen, als zouden de waarheid en de oudheid elkaar per se uitsluiten.
Wij moeten de Reformatie zien tegen de achtergrond van de talloze veranderingen, die zich op schier elk terrein van het kerkelijk leven in de loop van de middeleeuwen hebben voltrokken. Sommige van deze veranderingen laten zich verklaren uit de tijdsomstandigheden en uit de wijze, waarop hele volken in korte tijd gechristianiseerd werden. Er zijn er echter ook onder, die niet slechts een verslapping, maar zeer beslist een ontaarding in het geloofs- en gebedsleven van kerk en enkeling betekenden. Vanaf de dagen van Trente tot op heden is de Rooms-Katholieke Kerk op haar wijze bezig te herstellen, wat vergroeid en verworden is. In elk geval zouden de reformatoren tegen de Roomse Kerk van heden niet meer met dezelfde felheid kunnen ageren, omdat tal van hervormingen, die zij noodzakelijk achtten, de volle belangstelling hebben van de pausen, theologen en liturgiologen van onze tijd.
De Reformatie is naar ons besef een noodzakelijkheid geweest en een tragedie beide. Nu de kerkverscheuring echter een feit is en zolang zij blijft, zullen wij aan beide zijden elk op onze wijze en gescheiden van elkaar onze hervormingsarbeid moeten voortzetten. Immers ook voor ons mag de Reformatie niet betekenen een eindpunt, maar slechts een begin.
De Reformatie hield zich niet in de eerste plaats bezig met het veranderen van dingen aan de buitenkant en evenmin met het bestrijden van misstanden. Zij ging dieper. Maar zij wilde evenmin enkel het herstel van de prediking als Woordverkondiging en zuivering van leer, belijdenis en theologie, hoe belangrijk dit ook was en hoezeer het waar is, dat velen, zowel enkelingen als groepen, in na-reformatorische tijd in deze eenzijdigheid zijn blijven steken. Zo zijn er "veranderingen, waarop men niet kan terugkomen" (Noordmans, p. 19). Maar er zijn ook veranderingen, waar men nog nooit helemaal aan toegekomen is, in het bijzonder wat betreft de 'liturgie'. In dit opzicht is Calvijn ons een heel eind vooruit geweest. Men leze het hoofdstuk over Calvijn in Christian Worship van Micklem e.a., Oxford 1936,87 of de liturgische studies van Maxwell (o.a. John Knox's Genevan Service Book, Edinburgh 1931)88 en van Macmillan (The Worship of the Scottish Reformed Church, Chapter III: The Book of Geneva).89
Dat de Reformatie tegenover de vergroeiing van de kerk in de loop der middeleeuwen een onherroepelijk 'neen' heeft betekend: een beslissing, zo radicaal, onontkoombaar en van blijvende strekking, als waarvoor de christenheid zich nog nimmer geplaatst had gezien: hierover ben ik het met dr. Noordmans eens, zoals ik het ook hierover met hem eens ben, dat er zowel in Oost als West vormen en interpretaties van het christendom bestaan, waartegenover wij met Rome samen stelling moeten nemen. Het is niet waar, dat Rome in elk opzicht staat tegenover alle andere christenen bij elkaar. Edinburgh90 heeft mij dit geleerd en misschien zou Oxford91 mij in dit opzicht nog meer hebben kunnen leren. Terug naar de Reformatie zou voor talloze christenen en christelijke groepen - hoe paradoxaal het moge klinken - indirect tevens betekenen terug in de richting van de kerk in gemeenschap met Rome. Of, zoals dr. Noordmans (wiens kijk op de Anglicaanse Kerk ik overigens niet deel) eens gezegd heeft: "De weg naar Jeruzalem gaat via Genève en Rome."92
Wij hebben in onze Hervormde Kerk echter vooralsnog allereerst met de Reformatie te maken. In de Reformatie ging het om een principieel en hernieuwd verstaan van het eigenlijke, waar het in het Evangelie, in de Schrift, in de liturgie en het dogma der kerk, in prediking, belijdenis, theologie, zielzorg, praktische levenshouding op aankomt. Onder een beroep op de Schrift en in het licht van het ganse zijn en leven van de Oude kerk dient de kerk in al haar uitingen hervormd, hersteld te worden.
Wat voor dogma en theologie gold, geldt ook voor de liturgie: het gaat om herstel van iets, dat verloren gegaan of misvormd is. Maar het gaat dan ook om herstel, niet om afschaffing en vernietiging; het gaat om het herstel niet slechts van de prediking als Woordverkondiging, maar evenzeer om het herstel van het Avondmaal en om het herstel van alle elementen in de liturgie, die van waarde zijn.
Indien de oud-christelijke geloofs-symbola hun waarde hebben behouden, dan geldt dit evenzeer van de oud-christelijke gebeden. Reeds lang voor de dogmenvorming was de liturgievorming begonnen. De liturgie van de kerk is allereerst gebed en de liturgische boeken zijn allereerst kerkelijke gebedenboeken. Het gaat er niet om de oud-christelijke liturgie eenvoudig te kopiëren, maar het gaat er wel om de dagelijkse samenkomst der gemeente te herstellen in de zin, waarin de christenen die altijd gekend hebben. Hierbij is het duidelijk, dat de prediking, die naast het sacrament een onmisbaar deel is van de zondagmorgendienst, niet per se in elke dienst dient voor te komen. Het ligt nu eenmaal in het wezen van de zaak, dat de gemeente wel desnoods elke dag enige tijd tot gebed kan samenkomen, maar niet elke dag een of meermalen een preek kan aanhoren.
Herstel van de liturgie is dus in de eerste plaats herstel van het kerkelijk gebed in de ruimste zin, dus inbegrepen lofprijzing, geloofsbelijdenis, dankzegging en aanbidding. Daarnaast ook herstel van geregelde Schriftlezingen uit Oud en Nieuw Testament naar de tijd van het kerkelijk jaar, herstel van een geregeld en veelvuldig gebruik van het sacrament des Avondmaals, dat een viering betekent van het ganse heil des Heren.
In sommige reformatorische kerken heeft het 'vrije' gebed het vrijwel geheel van het liturgisch gebed gewonnen. Het gebed is dan niet meer uitdrukking van het geloof en leven der kerk, waaruit het geloof en leven van de enkeling geboren wordt, maar uitdrukking van het geloof van de voorganger. Maar al te vaak ontbreekt het dit 'vrije' gebed aan gepaste soberheid en kortheid. Het is vaak mooi, stichtelijk, sentimenteel, prekerig, wijdsprakig. Er is hier vaak een overschrijding van de grens, die bewaard moet blijven tussen persoonlijk en kerkelijk gebed. De liturgie van onze Hervormde Kerk zou in vele gemeenten zeer aan soberheid winnen, ze zou meer ascetisch worden in de zin, waarin dr. Noordmans dat, hoop ik, bedoelt, indien men het 'vrije' gebed weer wilde vervangen door de korte, sobere, klare, stijlvolle gebeden, waaraan de liturgie der kerk van het begin af aan zo rijk is geweest. Het vrije gebed hoort thuis in vrije gemeenten, die er een zgn. ondogmatisch christendom op nahouden. In de kerk hebben we echter te maken met Liturgie en Dogma (met een hoofdletter, omdat Liturgie en Dogma vrucht des Geestes zijn in de kerk en niet maakwerk van enkelingen). Wie het oud-christelijk dogma weet te waarderen, moet ook oog hebben voor de onvergankelijke waarde van de oud-christelijke liturgie in Oost en West.
2
Om nu te weten, wat in reformatorische zin herstel der liturgie inhoudt, moeten wij eerst weten, in welke opzichten de veranderingen, die zich in de middeleeuwen langzaam en haast ongemerkt hebben voltrokken, als misvorming dienen te worden beschouwd.
Als bekend mag wel voorondersteld worden, dat de beide voornaamste liturgische boeken van de vóór-reformatorische (en nog van de Rooms-Katholieke) Kerk het missaal en het brevier zijn. De zwartgedrukte tekst van de psalmen, lofprijzingen, gebeden, Schriftlezingen, enz. wordt op tal van plaatsen onderbroken door aanduidingen in het rood (de zgn. rubrieken), die talloze aanwijzingen geven betreffende liturgische gewaden en kleuren, altaar, bewieroking en andere symbolische handelingen, kniebuigingen, enz.
Nu dient men allereerst hierop te letten, dat de tekst van de liturgie vanaf de zesde of zevende eeuw nauwelijks enige verandering van betekenis heeft ondergaan. Wie het huidige misboek van de Rooms-Katholieke Kerk voor zich neemt en daarin niet let op de rubrieken, maar de tekst zelf leest, zal daarin weinig of niets kunnen ontdekken, dat in strijd is met de Schrift of het oud-christelijk dogma. De misgebeden en ook de breviergebeden zijn van een onschatbare waarde, omdat ze op een meer levendige wijze hetzelfde volle geloof van de kerk aller eeuwen tot uitdrukking brengen dan dogmatische formuleringen dat vermogen te doen. Bij al zijn felheid tegen 'de paapse afgoderij' citeert Calvijn herhaaldelijk de tekst van de misliturgie met instemming en ter bestrijding van praktijken en ceremoniële handelingen, die een opvatting vooronderstellen, die met de tekst zelve in strijd is.
Deze praktijken en ceremoniële handelingen, die vastgelegd zijn in de rubrieken, zijn uit veel later tijd. Zij hebben bij het ongewijzigd laten van de tekst de ganse 'habitus' van de dienst, de verhouding tussen gelovigen en priester, het ganse liturgisch gebeuren zulk een veranderd aanzien gegeven, dat het oud-christelijk liturgisch en sacramenteel gemeenschapsleven nauwelijks meer te herkennen valt. Enerzijds was in de landen, waar men geen Latijn meer kende, voor de grote volksmassa de tekst volkomen onverstaanbaar geworden; anderzijds werd de aandacht vrijwel alleen geboeid door de cultische handelingen. Zo was de dienst van de gemeente veranderd in een kijkspel vóór de gemeente. ⚑Inmiddels was sedert de elfde eeuw het woord transsubstantiatie93 in de theologie ingeburgerd; vanaf 1215 gold het leerstuk van de transsubstantiatie; het reciteren van de inzettingswoorden van het Heilig Avondmaal werd onderbroken door de opheffing en aanbidding van de hostie en daarna van de kelk; vanaf de dertiende eeuw ontvingen de leken het Avondmaal (de 'communie') nog slechts onder de gedaante van het brood alleen; het hoofdaccent kwam te liggen van de communie op de consecratie;94 velen communiceerden nog slechts een enkele maal in het jaar (tegenwoordig is dit anders); het eigenlijke motief van de kerkgang was niet meer het meezingen en meebidden van de gehele dienst, maar het bijwonen van het 'misoffer', dat zich in de consecratie voltrok, en de aanbidding van Christus, die krachtens de transsubstantiatie naar lichaam en ziel, naar godheid en mensheid, wezenlijk en waarachtig op het altaar tegenwoordig was; overigens werden de misgebeden, zelfs de drie voornaamste gebeden, die op de consecratie volgen (o.a. de 'anamnèse' en de 'epiclèse'), door de priester stil gebeden.
Onder al deze veranderingen in het karakter van de liturgie was de tekst van de zangen en gebeden vrijwel ongewijzigd gebleven. De grote massa gaf zich echter van de inhoud der woorden nauwelijks meer rekenschap. Velen hielden zich onder de dienst met private devoties (het mediteren van de rozenkrans of het bidden van gebeden uit private gebedenboeken van een zeer onliturgisch en dogmatisch vaak aanvechtbare inhoud) bezig. Kortom de manier, waarop men met de oude liturgie handelde, was met de inhoud en de oorspronkelijke bedoeling daarvan in strijd en de hervormers aarzelden niet om de liturgische verwording als afgoderij te brandmerken.
Wat het dagelijks breviergebed betreft: dit bleef beperkt tot de kloosters of tot het koorgebed van de geestelijkheid, verbonden aan kathedralen; verder werd het van gemeenschappelijk gebed tot privaatgebed voor de priesters.
Het hoofdaccent was vervallen van het woord op de ceremoniën. Daarom moest de theologie van de Reformatie 'theologie des Woords' worden. Het gaat in de liturgie niet om esthetische indrukken, om het opgaan in een mysterieuze sfeer, om het ondergáán van magische krachtwerkingen; het gaat in de liturgie om een gemeenschap met God in Christus door de Heilige Geest. Geest en Woord hangen in de Schrift, in de kerk, ten nauwste samen. Het Woord moet klaar en duidelijk verkondigd worden en de gemeente moet gemeenschappelijk zingen en bidden in woorden, die zij verstaan kan, ja waarvan zij de zin móét verstaan, wil het gezang en gebed niet ontaarden in ijdel geklank.
Nu kan men zo radicaal mogelijk te werk gaan en alles, wat niet 'woord' is, maar 'teken' en 'symbool', als gevaarlijk afwijzen. Calvijn ging zo ver en zijn bezwaren tegen de liturgie van de Engelse kerk betroffen niet de inhoud van het Book of Common Prayer, wat de tekst aangaat, maar het vasthouden aan enkele symbolische handelingen (bijv. het tekenen van het voorhoofd van een gedoopte met het teken des kruises)95
Gezien tegen de achtergrond van de liturgische verwording van die dagen, is zulk een puritanisme te begrijpen. Het is een crisisverschijnsel. Luther ging echter niet zo ver. Er zijn nu eenmaal dingen, die op een andere wijze dan door het woord ons beter of directer aanspreken. Daarom kan ik de symbolen- en ceremoniën-vrees van de.Puriteinen en van dr. Noordmans niet delen. Enkele eenvoudige sobere symbolen (een doopvont, avondmaalstafel, een kruis of crucifix, een feestelijk, liturgisch gewaad, kaarsen als symbool van aanbidding en feestvreugde, bloemen) kunnen in sterke mate medehelpen om het kerkgebouw een aanzien te geven, dat bij het karakter van een feest past. Ik kan er onmogelijk een gevaar voor bijgeloof in zien en evenmin een gevaar voor miskenning van het woordkarakter der liturgie. Meer gereserveerd sta ik tegenover orgelspel en koorzang, die niet het gebed en het gezang der gemeente ondersteunen, maar die zich richten tot de luisterende gemeente. De gemeente luistert naar Schriftlezingen en prediking, zij ziet en ontvangt de tekenen van Doop en Avondmaal en zij spreekt zich uit (gemeenschappelijk) in gebed, lofprijzing, dankzegging en aanbidding.
De liturgie van onze Hervormde Kerk zal niet ten volle hersteld zijn, voordat zij van een uitgesproken preek- en luisterdienst weer geworden is tot een volledige gebedsdienst in oud-christelijke zin. Dit betekent:
1. Dat er naast de diensten op zondag, waarin ook gepreekt wordt, elke morgen en avond korte diensten voor gebed en Schriftlezing en gezang zijn zonder preek.
2. Dat de prediking in de eigenlijke zondagsdienst Woordverkondiging moet zijn, maar kort, duidelijk en krachtig zonder omhaal van woorden. Calvijn drong hier reeds sterk op aan. Zelf preekte hij nimmer langer dan 25 à 30 minuten.
3. Dat het Avondmaal weer hersteld moet zijn in elke zondagmorgendienst, maar zonder formulier. Het moet een werkelijke 'viering' zijn, waarbij de 'klassieke' liturgische gebeden en zangen tot hun recht moeten komen op oud-christelijke wijze.
4. Dat het kerkgebouw weer 'huis des Heren' en 'huis des Gebeds' moet zijn, dwz. gewijd aan de dienst, dus onttrokken aan profaan gebruik. De kansel blijve - zoals niet anders dan 'logisch' is - bestemd voor de prediking. Er zij in de kerk een speciale plaats voor de voorganger, waar hij voorgaat in gebed; er zij een aparte plaats voor de Schriftlezing en een aparte plaats voor de bediening van de Doop (nl. bij het vaste doopvont) en een aparte plaats voor de viering van het Avondmaal (nl. bij de vaste avondmaalstafel).
5. Naast het liturgisch gebed (evenals de Engelse en andere kerken heeft de Hervormde Kerk naast haar gezangbundel weer een kerkelijk gebedenboek nodig) moet er plaats zijn voor het (mits beheerste) 'vrije' gebed en voor het stil gebed. (Maar niet - hierover ben ik het weer met dr. Noordmans eens - voor een zgn. 'sacrament der stilte', dat heidens is).
De grote fout, die velen in naam der Reformatie begaan, is deze, dat men meent, dat het met het liturgisch gemeenschapsleven in orde is, als er maar gepreekt wordt. In deze eenzijdigheid steekt een even groot gevaar als in de ceremoniëndienst. Het is een vallen van het ene uiterste in het andere. Dat de preek uit onze kerk zou verdwijnen, daarvoor behoeven wij vooralsnog niet bang te zijn. Ontaardt de preek echter van sobere Woordverkondiging in een woordenvloed van twisting, emoties, gekritiseer, gepraat: dan wordt ze bepaald gevaarlijk. Dan krijgt de gemeente genoeg van al die woorden, van al dat theologische gekijf en getheoretiseer. Ook de preek kan betekenen een steen voor brood. De liturgie blijft in de eerste plaats de gebedsgemeenschap der kerk. Het karakter van onze tijd maakt, dat ontelbaar velen terugverlangen naar het herstel van de dagelijkse liturgie in deze zin. Wat met mysterie-dienst niets te maken heeft.
F. Liturgica96
door dr. O. Noordmans
Dr. W. H. van de Pol heeft in verschillende periodiekena⚑ beschouwingen gegeven naar aanleiding van mijn boek over Liturgie. Waren het gewone recensies, dan zou ik er, naar goede usance, over zwijgen. De bedoeling van de schrijver is echter juist, een gesprek aan de gang te maken, en daarom wil ik er hier, waar men mij ruimte bood, iets over zeggen.
Met dr. Van de Pol over deze dingen te mogen handelen, beschouw ik als een voorrecht. Hij neemt onder de kerkelijke publicisten een zeer bijzondere plaats in. Met name ten opzichte van de liturgie is dit het geval. Meer dan de meesten van ons staat hij daar van huis uit midden in. Zijn geestelijke ontwikkeling is er bij betrokken. Liturgische vragen zijn voor hem levensvragen. Voor zover het hier een ontmoeting met God betreft, zijn ze dat voor ons allemaal. Maar bij hem zit het leven nauwer met de liturgische vorm verbonden dan bij de doorsnee-gereformeerde.
Dit biedt in de discussie tweeërlei voordeel. In de eerste plaats dit, dat men bij hem minder met een kwestie en meer met een mens te doen heeft. Van de Pol zal op sommige punten minder op zijn stuk behoeven te staan, omdat hij in een bepaald veld staat, waarin beweging mogelijk is. Deze bewegingsvrijheid is voor hem een levensbehoefte. Men ziet er hem dan ook telkens gebruik van maken. Het geeft hem de gelegenheid royaal te zijn. In zijn stuk in Kerkopbouw, over De Epiclese,98 erkent hij, zich in vroeger jaren ten opzichte van de verhouding van liturgie en mysterie wel eens onklaar te hebben uitgedrukt. - Dit zal wel slaan op mijn opmerkingen over zijn bijdrage in het Handboek99 voor liturgie. - Omgekeerd - en dit is het tweede voordeel - heeft men tegenover iemand, die zo in de liturgie leeft, het prettige gevoel van niet dadelijk uitgeschakeld te zijn, als men ten opzichte van een of ander onderdeel van het liturgisch materiaal zou blijken zich te hebben vergist.
Dr. Van de Pol geeft in zijn artikelen blijk, een goed eind weegs met mij te kunnen meegaan in de kritiek op de liturgische beweging, zoals die reilt en zeilt. Dat mocht ik trouwens ook wel van hem verwachten. Dat neemt echter niet weg, dat hij een vurig voorstander is van wat hij een 'liturgisch herstel' noemt. Wat hij daarmee bedoelt, heeft hij pas heel duidelijk gezegd, o.a. in Utrechtsch Nieuwsblad.100 De tegenstanders van Calvijn zouden er in geslaagd zijn, het werk der hervormers op liturgisch gebied ongedaan te maken. Alleen de Engelse kerk kwam - in 1552 - gereed met haar reformatorische liturgie! Haar grote verdienste zou hierin hebben bestaan, dat zij daarmee het puritanisme te vlug af was. Toen deze epigonen kwamen, lag het kerkboek gereed, veilig tegen afbraak. En thans zou het de taak der andere hervormde kerken zijn, daarvan te profiteren door een liturgisch herstel te beproeven, waarvoor dr. Van de Pol in dit blad pas enkele lijnen getrokken heeft.
Wie het zo ziet, moet wel sterk verzet in zich voelen oprijzen bij de lezing van wat ik in mijn boek schreef over de Engelse liturgie. Dr. Van de Pol is dan ook begonnen met daartegen 'om des gewetens wil' protest aan te tekenen.b Hij verwijt mij, een verkeerde voorstelling van het Engelse gebedenboek te hebben gegeven. Titel en jaartal reeds waren niet geheel in orde. En de typering, als zou hier verwantschap zijn met de oosterse liturgie, betekende een bedenkelijk misstaan van de plank. Het Book of Common Prayer was een specifiek gereformeerd kerkboek. Mijn fout zou hieraan te wijten zijn, dat ik, die dogmaticus en geen liturgioloog ben, mij hier op te glad ijs zou hebben gewaagd.
Gezien de hoofdstelling van dr. Van de Pol, dat de gereformeerde liturgie alleen in het Engelse kerkboek bewaard is gebleven en dat wij haar in overeenkomstige vorm hebben te herstellen, moet ik hierop dus wel allereerst ingaan. In eerste aanleg gaat het hier om een historische kwestie. Maar ook slechts in de eerste aanleg. Achter de historische kwestie woelt de historie zelve in ons. Dit blijkt wel heel duidelijk uit de wijze, waarop dr. Van de Pol over de Pilgrimfathers spreekt,c als hij zegt, dat ze tot de felste tegenstanders van Calvijn behoord zouden hebben. Dr. Kuyper zou zich in zijn graf omdraaien, als hij het hoorde.
Toch is het goed eerst rustig naar de historische evidentie te vragen.
Wanneer dr. Van de Pol thans aan het Engelse kerkboek een sterk uitgesproken gereformeerd karakter toeschrijft, dan merk ik op, dat hij zich vroeger -in zijn proefschriftd over Newman - veel voorzichtiger heeft uitgedrukt. Hij schrijft daar: "Het laat zich even goed verdedigen, dat het 'Book of Common Prayer' in sacramenteel-liturgisch opzicht de voor-reformatorische lijn voortzet als dat het een reformatorisch karakter draagt." Daarmee komt overeen, dat hij toen niet enkel kardinaal Gasquet noemde, zoals nu in 't Weekblad, maar ook een andere autoriteit, die het reformatorisch karakter van het Book of Prayer bestrijdt.103
Maar er is nog een andere kardinaal, wiens gevoelen ons hier sterk interesseert. Het is de held van Van de Pols dissertatie zelf, Newman. Het is belangwekkend de beroemde roomse convertiet op dit punt met zijn Utrechtse biograaf te confronteren. Dr. Van de Pol heeft zich voor het gereformeerd karakter van het Engelse kerkboek vooral beroepen op de opwekking tot schuldbelijdenis, waarmee de morgen- en avonddienst begint, onder beroep op de H. Schrift. De toon en manier van deze en dergelijke 'exhortations' herinnert sterk aan onze formulieren.
Welnu, deze opwekkingen hield Newman, zoals men bij zijn biograaf kan nalezen,e voor 'symptomen van liturgisch verval'. Hij wil in de eredienst en de liturgie geen preken, maar gebeden. Dingen en geen woorden. Gods huis en altaar zelve waren volgens hem voor de oorspronkelijke kerkganger de preek.
Dr. Van de Pol vond deze uitlatingen indertijd van bijzonder belang voor liturgiologen. Newman was toen weliswaar geen anglicaan meer, doch reeds geruime tijd kardinaal. Maar zij maken wel heel duidelijk, dat men het Book of Common Prayer op verschillende wijzen kan bezien. Van de Pol brengt de reformatorische bestanddelen naar voren en zegt dan,f dat er verder alleen nog maar wat onberijmde psalmen, Schriftlezingen, geloofsartikelen, responsoriën en gebeden komen; en dan tot slot de preek met hymnen, zoals bij ons. - Newman zegt, dat de eigenlijke-eredienst juist bestaat uit die 'liturgische gebeden, teksten en responsoriën' en dat deze bij de gereformeerden door de prekerige formulieren verdrongen zijn. Hier staat dus wel degelijk tweeërlei liturgisch besef tegen elkaar over.
Dr. Van de Pol verbetert mij, als ik bij het Book of Common Prayer het jaartal 1549 zet. Hij corrigeert: 1552. In dat laatste jaar vond een herziening plaats in reformatorische zin. Maar deze correctie staat alleen maar terecht als men in het Engelse gebedenboek een reformatorische liturgie wil zien, wat een petitio principii is.
Het is toch bekend, dat de opstellers zich bij de Oudengelse liturgieën hebben aangesloten en voor de lezingen gebruik gemaakt hebben van het Breviarium Romanum van 1535. De hervorming in Engeland heeft onder heel andere omstandigheden plaatsgevonden als bijv. in ons land. Het schoolwezen stond bij ons op een veel hogere trap. Douglas Campbell wijst er in zijn Geschiedenis van het Puritanisme op, dat de nieuwe religie hier op een natuurlijke wijze tot stand kwam, geleidelijk en stil, doordat de bijbel in ieders handen kwam.105 De massa van de Engelse bevolking was daarvoor te onwetend en kon het zinnelijke element in de eredienst en de religie niet missen.
Wanneer men aan deze dingen denkt, krijgt het feit, dat Engeland een uitgebreidere liturgie heeft, een heel andere betekenis dan die, welke dr. Van de Pol daaraan toekent. Engeland was in 1549 niet rijp voor de Geneefse hervorming. Het was dat pas rond honderd jaar later, in Cromwells dagen. Wel heeft de continentale Reformatie meegewerkt bij de totstandkoming van het Engelse kerkboek. In 1552 nog eens in versterkte mate. Maar wel verre van dat we in het Book of Common Prayer de hoogste liturgische worp van het calvinisme voor ons zouden hebben, waarnaar onze liturgieën zouden moeten worden hersteld, is veeleer in dit kerkboek de invloed van Genève te kort geschoten, zoals ook wel duidelijk blijkt uit het ontstaan van onze hervormde liturgie in dezelfde jaren, in hetzelfde Londen, door mannen, die zich richtten naar Straatsburg en Genève.
Pas een eeuw later heeft zich ook in Engeland die sterke vergeestelijking van het kerkelijk leven doorgezet, die de moederschoot is van de atlantische vroomheid. Het Engelse kerkboek is de Puriteinen niet te vlug af geweest, maar het is achtergebleven bij de ontwikkeling van het gereformeerd protestantisme. ⚑Wanneer nu dr. Van de Pol een 'liturgisch herstel' wil, in aansluiting aan het Engelse kerkboek, dan vraag ik: in welke zin? Men kan dichter bij het Book of Common Prayer proberen te komen door zich aan te sluiten aan die opwekkingen en verkondigingen, die Van de Pol ons voorhoudt om daarmee het gereformeerd karakter van het Engelse kerkboek te bewijzen en onze bezwaren daartegen te doen verminderen. Het zijn de prekerige stukken, die Newman zo haat. - Maar daarvoor is geen herstel nodig, want die hebben wij juist heel uitvoerig in onze formulieren.
Dr. Van de Pol wil dan ook natuurlijk iets anders. Hij wil dat prekerig karakter van onze eredienst, nadat hij de prekerige stukken in het Engelse kerkboek hoog geprezen heeft, terugzetten. Deze biograaf van Newman staat niet zo vierkant tegenover zijn held, als het zo pas wel scheen. Waar hij eigenlijk voor wil opkomen, dat zijn de 'liturgische gebeden, teksten en responsoriën', waarvoor we Newman ook zagen strijden. En met Newman wil hij de preek horen, die Gods huis en altaar zelve voor ons houden, en niet altijd die van de dominee. Men leze er de vijf punten, die Van de Pol, in het nummer van 2 juni jl. van dit blad, als leidraad voor herstel aangaf, op na. Het zijn: 1. Diensten zonder preek. 2. Korte preek in de gewone diensten. 3. Avondmaal zonder formulier. 4. Herstel van Gods huis en altaar. 5. Een gebedenboek.
Er is dus over dat gereformeerd karakter van het Book of Common Prayer en over het liturgisch herstel in verband daarmee, nog wel een en ander te zeggen. Dat ik hier de bal zo helemaal zou hebben misgeslagen, kan ik niet toegeven.
2
In mijn eerste stukg besprak ik de verhouding van de Engelse kerk en de Reformatie; met name het karakter van het Book of Common Prayer. Dr. Van de Pol had daarover geschreven in het Algemeen Weekblad en in het Utrechtsch Nieuwsblad.106 Het betrof hier voor een deel een historische vraag, waarover eerst iets gezegd moest worden.
Ik dien nu nader in te gaan op de meer principiële beschouwingen, die Van de Pol in dit blad heeft gegevenh en die alle lezers onder ogen hebben gehad. Ook hierbij komt hij uit bij de eis van herstel, waartoe ook zijn geschiedkundige overwegingen hem leidden.
Wat de schrijver in Kerkopbouw over De Epiclese opmerkte,108 laat ik voorlopig rusten, omdat het niet in regelrecht verband staat met wat ons thans bezighoudt. Ik kan dat te gevoeglijker doen, waar prof. Van der Leeuw, in zijn bespreking van mijn boek in Woord en Wereld,109 met mijn voorstelling op dit punt heeft ingestemd.
Ik wil dus thans nader ingaan op de beginselvragen in verband met een liturgisch herstel, zoals die door dr. Van de Pol zijn ter sprake gebracht. Daartoe sluit ik mij aan bij mijn vorig artikel. Wij zagen daar, dat het ook hem, evengoed als Newman, te doen is om herstel van bepaalde elementen in de eredienst. En dan niet dezulke, die hij ons in het Book of Common Prayer als kennelijk reformatorisch had aangewezen en aangeprezen, maar andere, oudere, waarvan dit niet gezegd kan worden. Liturgische gebeden, teksten en responsoriën. De preek van Gods huis en altaar zelve, om met Newman te spreken.
Voor dit herstel heeft hij nu in zijn artikelen in dit blad de theorie zoeken te geven. Hij maakt daartoe onderscheid tussen de bovengenoemde, thans te herstellen bestanddelen van de liturgie, die tot het stam-bezit van de kerkdienst zouden behoren, en die praktijken en ceremoniën, die later, in de middeleeuwen, waren ingedrongen en waartegen dan alleen het protest der hervormers zou hebben gestaan. Ik meen, dat dr. Van de Pol daarbij één ding over het hoofd ziet, dat ik in mijn boek met de grootst mogelijke duidelijkheid heb zoeken aan te wijzen. Ik bedoel de aanwezigheid van een mysterie of een offer als middelpunt van de eredienst, waaromheen de elementen van de liturgie, die dr. Van de Pol thans zou willen herstellen, zich hebben bewogen. Het is de vraag, of de praktijken en ceremoniën, die hij niet terugbegeert, zich van die elementen laten scheiden. In ieder geval zal een liturgisch herstel geen voldoening geven aan degenen, die thans daarom roepen, als daarmee niet verbonden is een herstel, in meerdere of mindere mate, van het mysterie of het offer, dat eens het middelpunt was, of nog is, van die 'gebeden, teksten en responsoriën', die men zo vurig terug verlangt. En wanneer dr. Van de Pol dan ook erkent, zich vroeger over de verhouding van liturgie en mysterie wel eens onklaar te hebben uitgelaten, dan is dat niet zijn schuld en het is niet toevallig, maar het volgt met noodwendigheid uit het onklare karakter van de liturgische beweging. Wanneer hij gaat vermijden in deze fout te vervallen, dan zal hij in gevaar komen zich onklaar uit te drukken over de verhouding van liturgie en offer. Hij zal vlak in de buurt van het misoffer komen, zoals hij dan ook doet in zijn artikel over De Epiclese in Kerkopbouw. Transsubstantiatie wordt dan een naam, die men meent te kunnen en moeten verwerpen, terwijl men de zaak zelve behoudt.
Dit oscilleren tussen mysterie en offer bij dr. Van de Pol is de natuurlijkste zaak van de wereld. Men kan niet ernstig en met zijn hele ziel naar de preek van Gods huis en altaar terugverlangen, zonder daarbij voor de keus gesteld te worden of men als middelpunt van de te herstellen elementen van de eredienst het éne of het andere, het mysterie of het offer begeert.
Daarom moet ik ook het verwijt van Van de Pol afwijzen, alsof ik een verkeerde typering van de Engelse eredienst zou hebben gegeven. Het moge waar zijn, dat de gereformeerde inslag - meer is het in dit geval niet voor een bepaald kerkvolk, in bepaalde tijden, het wezen van deze liturgie latent kan doen blijven. Ik heb dat in mijn boek niet ontkend. Maar ik heb geschreven, dat sedert lang de Engelse liturgie, de eigenlijke, die Newman en ook Van de Pol wil herstellen, weer op het oorlogspad is.
En uit deze eredienst werd omstreeks 1550 met grote beslistheid het offer, zoals Rome dat kende, verwijderd. Op enkele krachttermen, die daarbij werden gebruikt, kwam men zelfs later terug, om voor het volk de overgang tot de staatskerk niet te moeilijk te maken. Men behield echter, wat ik zou willen noemen het ceremonieel van het altaar, zonder het offer daarop, eveneens omdat het volk de preek van tempel en altaar zelve in Engeland niet missen kon.
Het Engelse volk heeft daar later zelf voor een belangrijk deel op gereageerd. Het wilde, als ik het zo noemen mag, de preek van God zelf horen en niet die van zijn huis. Het vroeg om de Schrift en heeft daaruit geleefd op een spirituele wijze, die voor het hele protestantisme, niet in het minst voor ons land, tot rijke zegen is geworden.
Maar in de Anglicaanse Kerk bleef de liturgie regeren. En zij kon dat, na de krachtige afwijzing van het offer, niet anders dan rondom het mysterie. Dit heeft, mede in tegenstelling met Rome en in verband met de oudere geschiedenis van het angelsaksisch christendom, aan deze kerk die merkwaardige betrekking op de Oude kerk gegeven, die ook in de theologie zo merkbaar is. Dat de liturgische beweging grotendeels van Engeland uitging, is geen toeval. Maar evenmin, dat daarmee in dat land bij velen een opvatting van de eredienst gepaard gaat, die ook dr. Van de Pol wraakt. Wanneer hij daarbij scheiding maakt tussen de beweging en haar richting, dan kan ik hem daarin niet volgen. De beweging moet deze richting nemen. Waar het offer uitviel, gaat het altaar onvermijdelijk preken over het mysterie.
Dat men een ledig in de eredienst, zoals dat bij de Reformatie ontstond, niet kan negeren door de riten en symbolen te laten bestaan, is ook wel de lam reden, waarom bekende convertieten als bijv. Tyrrell110 zich op den duur in die dienst niet konden vinden. Ik lees daarvan o.a. in de dissertatie van Stam (p. 29): "Het gevoel, dat alles hier onwerkelijk was, werd hem bij een bepaalde gelegenheid te machtig en hij verliet de kerk. Wat Tyrrell miste, was volgens hemzelf 'dat beslag op ons historisch besef, dat precies dezelfde plechtigheid, als ze in de Roomse Kerk had plaats gehad, op ons gelegd zou hebben'."111 In de Roomse Kerk, aldus Tyrrell, zou het de uiting geweest zijn van een grote gemeenschap van gelovigen, uit verleden en heden, uit alle eeuwen en volkeren. Hier waren het enkele personen, die optraden zonder opdracht. Tyrrell zegt dan verder dat iets, wat opzettelijk uit het verleden wordt nagedaan, niet hetzelfde is als de natuurlijke groei, waarvan het de imitatie is. Daarin ziet hij het onderscheid tussen een ritualistische en een katholieke kerk. In 't ene geval wordt het historisch besef geweld aangedaan, in 't andere voelt het zich voldaan.
Dat is de reden, waarom de liturgische beweging in de richting van een mysterie-dienst getrokken wordt. De afzegging van het offer is èn in de Engelse kerk èn bij Luther èn bij ons te beslist geweest, dan dat de mis zou kunnen worden hersteld . Van de Pol geeft mij toe, dat er historische beslissingen zijn, waarop men niet kan terugkomen. Degenen, die daarop in Engeland en bij ons wel terugkomen, worden rooms. - De liturgische beweging echter, die dat niet wil en toch een herstel op het oog heeft, wordt in een andere richting gedreven. Wanneer zij Gods huis en altaar wil laten preken, terwijl dat altaar ledig is, dan moet de tekst van de preek het onuitsprekelijke zijn; een verborgen aanwezigheid op het altaar; een niet-leegzijn van het huis; een numineuze presentie; het mysterie.
Dr. Van de Pol ziet deze gevaren ook wel en hij wil ze vermijden door de liturgische gebeden, waaronder hij alles wil samenvatten, naast het dogma te stellen en voor beide ook de titel van oudheid te laten gelden en niet alleen die van waarheid. De reformatoren zouden dat ook hebben gedaan. Van de Pol wijst er dan op, dat de liturgie als kerkelijke verschijningsvorm ouder is dan het dogma. - Op die wijze wil de schrijver het liturgisch herstel als een eis van normaal kerkelijk leven aanwijzen. Wie het oude dogma eert, moet nog eerder de oude liturgie als bestanddeel van eredienst een plaats geven.
Op die wijze meent Van de Pol het risico te ontgaan, dat er met de liturgische gebeden, teksten en responsoriën iets meekomt, dat meer is en erger is dan hij bedoelde.
Ik hoop daarop in een volgend artikel in te gaan. Hier merk ik alleen nog op, dat deze liturgie eenmaal is afgeschaft en dat dit een groot verschil maakt met het dogma. Wij hoorden reeds, wat Tyrrell er van zei. In de liturgische beweging komt ze nu in een historisch-ledige ruimte te staan. En in dat ledig spoken gemakkelijk boze geesten.
3
Mijn vorig artikeli ben ik geëindigd met er op te wijzen, dat de Reformatie tegenover de liturgie een andere houding heeft aangenomen, dan jegens het dogma. De leer van de eerste eeuwen heeft zij laten bestaan. Maar de eredienst heeft zij meer kritisch beoordeeld. Ik wees daarvoor in mijn boekj op de opdracht voor de Forma ac Ratio van a Lasco van 1555, waarin hij verklaart het een geluk te achten, dat wij geen zekerheid hebben omtrent kerkorde en liturgie in de eerste eeuw. Want nu waren wij des te meer vrij om op de Schrift terug te gaan. Anders zouden de apostolische vaders ons daarbij misschien in de weg gestaan hebben. Nu vonden wij daarin een aanwijzing dat wij, niet minder dan voor de leer, ook voor de liturgie uit de bijbel moeten putten.
En het waren geen Puriteinen, die zo leerden, maar de vaders van onze Hervormde Kerk, die onder regelrechte invloed van Calvijn hebben gewerkt. Zij hebben het Book of Common Prayer van 1549 en ook dat van 1552 gekend. Het was naast en onder hen ontstaan. En toch hebben zij een veel eenvoudiger liturgie opgesteld, waarin de prediking de eredienst veel meer beheerste.
Wanneer nu dr. Van de Pol in nr. 34 van dit blad schrijft, dat de liturgie in de kerk ouder is dan het dogma,112 dan moet hij er zich toch wel rekenschap van geven, waarom de gereformeerden tegenover de liturgische oudheid zo voorzichtig zijn geweest. In ieder geval veel behoedzamer dan de luthersen en de anglicanen. Waarom ook - en aan die vraag ontkomt hij evenmin waarom zijn ze hoe langer hoe voorzichtiger geworden, of ze nu Puriteinen heetten of niet? Waarom hebben ze zich met de dogmatische oudheid beter op hun gemak gevoeld dan met de liturgische?
Toch zeker wel hierom, omdat bij het dogma de waarheidsvraag meer klemt dan bij de liturgie, waar het gebruik een grote rol speelt. Daarom hebben ze, zoals wij a Lasco hoorden doen, de oudheid zoveel mogelijk met de waarheid, de Schrift, willen keuren.
Immers in het gebruik kan het bijgeloof gemakkelijker insluipen, zonder ontdekt te worden, dan in de prediking en in de belijdenis, de waarheid.
Daarom moet men wel weten wat men doet, als men de dienst der gebeden voorop stelt, in tijdsorde of misschien ook in rangorde, bij de dienst des Woords. Het historisch onderzoek kan daartoe aanleiding geven. Maar juist de weg der historie is de weg van Newman, die wij - ook Van de Pol niet willen bewandelen. Wij weten heel wat meer van de oude kerkorde dan Calvijn en a Lasco. Maar hierin mogen wij aan hen niet ontgroeien, dat wij onze voorzichtigheid tegenover het gebruik, ook het alleroudste, en misschien juist het alleroudste, zouden afleggen. A Lasco wist, dat het bijgeloof terugging op de alleroudste tijden en deze historische kennis mag niet verloren gaan. ⚑Het is juist de overvloed van historisch materiaal, die in dit opzicht gevaar kan opleveren. Door zijn eerwaardigheid zou het voor de kerk noodlottig kunnen worden. Het geeft aan de kerk, die het zich gaat toeëigenen, een vol ornaat, dat sterke bekoring uitoefent. Maar tegelijk zou zij zich daarmee in haar lijkwade inspannen.
Ook wanneer geschiedkundig onderzoek er toe zou leiden om te zeggen, zoals dr. Van de Pol het doet, dat liturgie gaat vóór het dogma en daarmee in zekere zin het gebruik vóór de waarheid, dan zouden wij het kerkbegrip, dat ons door zulk een onderzoek aan de hand wordt gedaan, nauwkeurig hebben te bezien. Want de ware kerk heeft in eschatologische zin met de geschiedenis te maken en niet in antiquarisch-historische zin. Dat de liturgische beweging zo sterk historisch is, maant reeds tot bedachtzaamheid. In onze tijd gaat geschiedkundig onderzoek vaak hand in hand met katholiserende neigingen.
In deze zin is ook het oorspronkelijk calvinisme nooit een liturgische beweging geweest. De hartstocht voor een herstel op dit gebied is er nooit aan eigen geweest. Een principieel onderscheid tussen Calvijn en de Puriteinen mag dan ook niet gesteld worden. Alleen voorzover de kerkstaat van Genève in het latere gereformeerd protestantisme op de achtergrond is gekomen, kan men daarvan spreken. Op het verband tussen liturgie en theocratie in de gereformeerde eredienst heb ik in mijn boek ook gewezen.k Maar juist in deze zin, dat de laatste meer teruggeschoven is. En in verband daarmee is de liturgie nog eenvoudiger geworden. Alleen in een kerkstaat kan er plaats zijn voor een soort tempeldienst op calvinistische erve.
Zo komen wij weer terug op de bijbelse verhouding van teer en liturgie, waarheid en gebruik, en daarmee op de ware kerk volgens de Schrift.
Wie het gebedenboek zo sterk vooropschuift, als dr. Van de Pol dat doet, duwt daarmee de bijbel wat terug. Hij vergeet daarbij, dat wij alleen bij een brevier uitkomen aan de hand van een onderzoek van oude geschriften, maar dat de waarheid, het Evangelie zelf, ons er niets van bericht. Aan de hand van de prediking komen wij daar niet uit. In de evangeliën vinden wij alleen het Onze Vader en het is daarom een duidelijk kenmerk voor de aard van de gereformeerde kerkhervorming dat men zich zo vaak op dat gebed terugtrekt.
Wie nu de liturgie vóór de leer wil zetten, in tijdsorde of rangorde, zou de Handelingen der Apostelen vóór de evangeliën moeten plaatsen. Dat gebeurt inderdaad ook, als men langs de weg van het historisch onderzoek tot de bijbelse kerk komt, met al de gevolgen van dien, ook de liturgische.
In de preek en in de eredienst, die Evangelieprediking blijft, gebeurt dat niet. Dan blijft het Evangelie zelf het eerste in tijd en rang. Zo is het volgens de Schrift en in die zin moet de waarheid voor en boven de oudheid blijven staan. Daarvoor ben ik in mijn boek opgekomen. En zo heeft het gereformeerd protestantisme de structuur der kerk gezien. Dat was bedoeld, wanneer men zich op de Schrift beriep, ook voor de liturgie.
Wij behoren dus op onze hoede te blijven, dat ons bijbels kerkbegrip niet onder de schatten der kerk bedolven raakt. Wat kerk is, leren wij onder de Evangelieprediking en wij behoeven het niet uit de historie op te zoeken. De kerk is allereerst apostolisch; en dan niet zó, dat zij met de twaalf apostelen begonnen zou zijn - wat in zekere zin wel het geval is - maar omdat Jezus Christus de van de Vader in de wereld gezondene is. Apostolisch is hier synoniem met christelijk, welk woord wij dan ook in de Twaalf artikelen vinden. In de oudste kerkelijke ambtsnamen voor Jezus, die wij in de bijbel vinden, klinkt dat ook door. Hij heet daar apostel, leidsman, getuige. De dienst des Woords, de prediking van het Evangelie, staat in de bijbel voorop en blijft dat doen in de kerk. Dat is de apostolische eredienst reeds in de kerstnacht onder de engelenzang. De boodschap van Christus' komst.
Daarna komen de Handelingen der Apostelen en daarmee de kerk in de tweede betekenis van het woord, voorzover mensen daarin ook bepaalde ambten bekleden en verschillende diensten volbrengen. Maar ook dan nog bestaat de eerste en voornaamste taak in het doorgeven van het Evangelie. Het Nieuwe Testament geeft dan ook aan het woord liturgie voornamelijk deze twee betekenissen. In de eerste plaats is het de hogepriesterlijke werkzaamheid, die Christus volgens de beschrijving van de vier evangelisten heeft volbracht. En daarna is het de handeling van de apostel, die overvloediger gearbeid heeft dan de anderen; die getracht heeft het Evangelie te prediken tot aan de einden der aarde. Liturgie is dan de apostolische missie van Paulus volgens Handelingen 13-28.
Pas als men daaraan voldoende aandacht heeft besteed, kan er sprake zijn van een gebedenboek. Men zou er misschien uit het Nieuwe Testament een kunnen samenstellen, voorzover er formule-achtige stukjes in de brieven of de Openbaring van Johannes voorkomen. Maar daarvoor moet men studeren, terwijl de liturgie als Evangelie en Missie ons uit het Nieuwe Testament tegemoetslaat.
Deze verhouding moet men eerbiedigen, als men over kerk en eredienst spreekt en schrijft. En nu zal dr. Van de Pol, als hij zegt dat de kerk eerder een gebedenboek had dan een dogmatiek, nog wel niet eens gedacht hebben aan de doxologieën en andere soortgelijke stukken uit de bijbel, maar meer aan vondsten van de historische wetenschap. Des te meer geldt dan, wat ik boven schreef.
Resumerende meen ik te mogen zeggen, dat onze eredienst volgens de Schrift juist hierin van elke tempeldienst moet verschillen, dat Gods spreken alles overstemt, wat aan menselijke handeling kan worden bedacht en ingesteld. Vergeleken bij deze klare stem, zoals Calvijn het zo graag noemt,113 klonken vele gebeden en responsoriën de reformatoren, bovenal de gereformeerden, als gemurmel in de oren. In dat opzicht bestond er tussen mannen als a Lasco en Micron114 en de latere Puriteinen geen wezenlijk onderscheid.
G
LITURGICA; REPLIEK115 door dr. W. H. van de Pol
De wijze waarop dr. Noordmans zich in drie artikelen in Woord en Geesta verweerd heeft tegen mijn aanvallen op zijn boek over Liturgie, maakt het onmogelijk om het oordeel reeds nu aan de lezers over te laten. Hierdoor zou de opheldering, die wij beogen, veeleer verkeren in een nog grotere verwarring dan die welke aanvankelijk reeds dreigde.
Wij moeten twee dingen goed uit elkaar houden. In de eerste plaats gaat het om een verschil in overtuiging ten aanzien van liturgische aangelegenheden. Wij hebben nu gelegenheid gehad elk ons eigen standpunt uiteen te zetten en onze wensen op liturgisch gebied met argumenten te staven. Dit is nu een afgedane zaak: het oordeel is nu aan de lezers en wij kunnen slechts hopen, dat ook anderen zich in de discussie mengen.
In de tweede plaats gaat het echter ook om een voorstelling van zaken. Heeft dr. Noordmans het gevoel, dat ik na lezing van zijn boekb hem liturgische inzichten heb toegedicht, die hem ten enenmale vreemd zijn? Ik ben het wel niet met hem eens, maar heb ik zijn standpunt onjuist weergegeven bestaat? Hier nu ligt mijnerzijds mijn hoofdbezwaar. Ik vind het jammer, en mij bij mijn aanval gericht tegen een fantoom, dat in werkelijkheid niet dat dr. Noordmans - zelfs na het toch waarlijk zo klare artikel over 'reformatorische liturgie' in nr. 35 van dit blad - mij nog altijd overtuigingen en liturgische bedoelingen toeschrijft, die ik met alle beslistheid verwerp.
Nu gaat het hier niet om een persoonlijke zaak. Ik vind het zó volkomen onbelangrijk, of iemand het met mij persoonlijk al of niet eens is, dat ik in geen van mijn artikelen ook maar met een enkel woord ben ingegaan op de bestrijding, die ik persoonlijk in het boek van dr. Noordmans ondervind. Ik meende, dat een duidelijke, openhartige uiteenzetting, zoals ik die in nr. 35 van Woord en Geest heb gegeven, meer dan voldoende zou zijnc om dr. Noordmans er van te overtuigen, dat zijn visie op het liturgisch streven, voorzover ik daar persoonlijk aan meedoe, volkomen uit de lucht is gegrepen. Tot mijn waarlijk grote verbazing en ook tot mijn teleurstelling ben ik er niet in geslaagd de werkelijk zeer ongegronde vooronderstellingen en interpretaties van dr. Noordmans ten aanzien van wat ik inderdaad geloof en bedoel te ontzenuwen. Ik mag dit niet langer zo door laten gaan: niet ter wille van mijzelf, maar ter wille van mijn liturgische arbeid en die van anderen.
Het geldt hier hetzelfde bezwaar, dat ik ook reeds naar voren heb gebracht in mijn artikel over het Book of Common Prayer in het Algemeen Weekblad van 28 april jl.117 Mijn hoofdbezwaar is - en ik ben hierin door de laatste drie artikelen in Woord en Geest nog versterkt - dat dr. Noordmans de feiten geweld aandoet, dat hij aprioristisch, formalistisch, abstract te werk gaat.
Het kan eenvoudig niet waar zijn, dat dr. Noordmans het Book of Common Prayer persoonlijk nauwgezet bestudeerd heeft en heeft vergeleken enerzijds met Calvijns gebeden en die van John Knox en andere hervormers, anderzijds met de rooms-katholieke liturgische boeken. Er komen in het Book of Common Prayer precies als in onze Nederlandse hervormde formulieren uitsluitend reformatorische gebeden voor met uitzondering van de 'collecta' voor de zondagen en enkele morgen- en avondgebeden. Maar deze laatste, die men trouwens ook in bijna alle lutherse en gereformeerde kerken bewaard heeft, zijn door en door schriftuurlijk. Het mag waar zijn, dat "vele gebeden en responsoriën de reformatoren, bovenal de gereformeerden, als gemurmel in de oren klonken":d het is misleidend om bij de lezer de indruk te wekken, alsof deze gebeden en responsoriën ook nog te vinden zijn in het Book of Common Prayer. Ik kan niet anders doen dan de lezers verzoeken zelf zo'n Prayer-Book te lezen of te luisteren naar een Engelse radiodienst. De feiten zullen dan eenvoudig bewijzen, dat een anglicaanse dienst een sobere, schriftuurlijke dienst is van liederen en gebeden op soortgelijke wijze als reeds de oude synagoge die kende, maar natuurlijk, wat de inhoud betreft, niet alleen oud-, maar ook nieuwtestamentisch. De associaties, die dr. Noordmans verbindt aan mijn uitdrukking 'liturgische gebeden, teksten en responsoriën' zijn volkomen ongerijmd. Daar zit niets achter, dan alleen dit, dat de gemeenschappelijke lofprijzing en voorbede der gemeente beter tot haar recht komt, wanneer er enkele korte beurtzangen en 'beurtgebeden' zijn, die de gemeente meezingt en rneebidt, dan wanneer de voorganger alleen aan het woord is. Als het Nieuwe Testament ons niet vertelt, dat de gemeente op deze wijze samenkwam, komt dat niet omdat het van het begin af aan zo nog niet geweest is, maar juist, omdat deze wijze van biddend en zingend samenzijn in deze liturgische vorm voor ieder volkomen vanzelfsprekend was. 't Is nooit anders geweest.
Maar het zou de plaatsruimte van een flink boek vergen, indien ik de historische zijden van de zaak ook maar enigszins afdoende zou willen behandelen. Ik moet mij hier beperken tot de voorstelling van zaken, voorzover die mijzelf betreft.
In zijn eerste artikel in Woord en Geest (Liturgica 1 in nr. 39)119 waardeert dr. Noordmans de bereidheid, waarmee ik van mijn kant heb toegegeven, dat vroegere onklare uitingen ten aanzien van de verhouding van liturgie en mysterie, de kritiek, die mij in het boek van de schrijver treft, inderdaad rechtvaardigen. Hij meent, dat dit slaat op mijn bijdrage in het Handboek Voor liturgie, dwz. op het hoofdstuk over het kerkelijk jaar. Nu dr. Noordmans uit eigen beweging naar dit artikel verwijst, wil ik niet langer nalaten er op te wijzen, hoezeer in zijn boek over Liturgie juist aan deze bijdrage van mijn hand geweld wordt aangedaan. Ik heb nl. in bedoelde bijdragee "het kerkgebouw de ruimtevorm van de liturgie" genoemd, zoals het kerkelijk jaar er de tijdvorm van is. Dr. Noordmans keert het om en vertelt in zijn boekf dat ik "de liturgie de ruimtevorm van de kerk" heb genoemd. Geen wonder, dat de schrijver er dan toe komt om op zulk een volkomen onjuiste aanhaling voort te borduren en mij allerlei opvattingen toe te dichten, die ik nimmer heb gehad en zelfs niet begrijp. Dit is slechts één frappant voorbeeld van de wijze, waarop dr. Noordmans mij ongerijmde dingen toeschrijft, zodat zijn bestrijding een schijn van recht verkrijgt, maar in werkelijkheid alle grond mist.
In mijn artikel in het Utrechtsch Nieuwsbladg heb ik niet gezegd, dat het de táák van de andere hervormde kerken zou zijn om te profiteren van de gelukkige omstandigheid, dat de Anglicaanse Kerk een waarlijk reformatorische liturgie heeft bewaard. Dit zou een persoonlijke opvatting zijn. Ik heb echter op een feit willen wijzen, nl. op dit feit, dat alle hervormde kerken van Engeland van de meest puriteinse af, in de laatste vijftig jaar langzaam maar zeker tot de overtuiging gekomen zijn, dat - ondanks het verzet tegen het Book of Common Prayer in de latere zestiende en in de zeventiende eeuw - ten slotte een liturgie, zoals de Anglicaanse Kerk door de eeuwen heen bewaard heeft, toch onmisbaar is. In alle hervormde kerken in Engeland en Schotland heeft men in de laatste tijd de liturgie zó ver hersteld, dat er tussen congregationalistische, presbyteriaanse, wesleyaanse, baptistische diensten enerzijds en anglicaanse anderzijds nauwelijks meer enig verschil is. Dit is een feit. Het is nu eenmaal zo, dat de huidige diensten in de hervormde kerken van Engeland onmogelijk zouden kunnen zijn, wat zij zijn, als niet de Anglicaanse Kerk door de onliturgische periode van het extreme puritanisme heen een waarlijk reformatorische liturgie had bewaard en voor het nageslacht overgeleverd. Wie de volle draagkracht wil beseffen van het feit, waarop ik hier wijs, moet maar eens een paar maanden lang aandachtig met de liturgische boeken erbij de verschillende Engelse radiodiensten met elkaar vergelijken.
Ernstig bezwaar heb ik tegen de wijze, waarop dr. Noordmans in hetzelfde artikel de beide kardinalen Newman en Gasquet tegen mij uitspeelt. In de eerste plaats weet dr. Noordmans heel goed, dat Newman niet 'de held' is van mijn dissertatie. Het is mij nooit om een verering of verdediging van Newman te doen geweest, maar om een wetenschappelijk onderzoek van een oecumenisch conflict, dat ik in Newman verpersoonlijkt zie. Maar bovendien toen Newman meende, dat het Book of Common Prayer een 'katholieke interpretatie' toeliet, vatte hij dit in dezelfde zin op, waarin zeer veel protestanten onzer dagen er sterk de nadruk op leggen, dat onze reformatorische belijdenis en kerk 'katholiek'zijn. Dat is ook zo. Ook het Book of Common Prayer is 'katholiek', omdat het een liturgie 'voorschrijft', die -naar de uitdrukking van Calvijn - is "selon la coutume de l'église ancienne".121 Maar het is evenzeer waar, wat kardinaal Gasqueth aan de hand van tientallen sprekende voorbeelden voorgoed overtuigend heeft aangetoond, dat (gemeten aan het roomse missale ener- en aan reformatorische liturgische boeken anderzijds) het Book of Common Prayer voor de volle honderd procent uitsluitend aan reformatorische zijde staat.
Als dr. Noordmans nu meent, dat hij zich hieruit kan redden door een tegenstelling te scheppen tussen de tegenwoordige en de oude anglicanen, dan is deze illusie hieruit te verklaren, dat hij bij zijn liturgische lectuur vrijwel alleen gelezen heeft van en over anglo-katholieke liturgie. Wie echter de Anglicaanse Kerk van binnen kent, weet, dat de specifiek anglo-katholieke liturgische 'hervormingen' reeds lang hun hoogtepunt bereikt hebben en beperkt blijven tot enkele bijzondere parochiën en bisdommen. De anglicaanse liturgie, zoals die vrijwel overal normaal wordt aangetroffen, heeft hiervan niet de geringste invloed ondergaan en is nog even reformatorisch, als ze altijd geweest is.
Zo zou ik nog geruime tijd voort kunnen gaan. Zeer ernstige bezwaren heb ik tegen het tweede artikel in nr. 40.122 Ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, dat, wanneer ik het herstel van de prediking als Woordverkondiging één van de grootste gaven van de Reformatie heb genoemd en er alle nadruk op gelegd heb, dat herstel van een volle liturgie nooit of te nimmer afbreuk zal mogen doen aan de prediking als Woordverkondiging, dr. Noordmans de zaak dan toch nog omdraait en uit het feit, dat ik o.a. ook korte gebedsdiensten door de week zonder preek of vroege avondmaalsdiensten zonder formulier voorsta, concludeert, dat de preek 'dus(!)' blijkbaar bij mij niet hoog staat aangeschreven.
Nog een van de vele mis-interpretaties moet ik kort vermelden. Dr. Noordmans meent, dat ik wel het woord transsubstantiatie cadeau wil doen, maar de zaak zelf toch wel wil vasthouden. Dan kent hij mij toch nog heel slecht. Het woord 'transsubstantiatie' duidt het geloof aan in het grote mysterie van de wezensverandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus. Alle reformatoren hebben dit geloofspunt verworpen. Alleen iemand, die rooms-katholiek is, kan en mag (omdat zo iets nooit als private overtuiging, maar alleen op gezag van de kerk mogelijk is) in de transsubstantiatie geloven. Daarom mag men in een reformatorische liturgie nooit of te nimmer iets zingen, bidden of doen, wat dit geloof in de transsubstantiatie vooronderstelt. Ik acht dit zó volslagen onmogelijk, dat het mij dan ook werkelijk onmogelijk zou zijn, om bij een hervormde avondmaalsdienst het Adoro te devote, lied 250 in de nieuwe gezangbundel,123 mee aan te heffen. Hoe weinig het mij ook ligt om iets individueels te doen in de dienst der kerk: als een lied als dit zou worden opgegeven, zou ik er zelfs toe kunnen komen om de kerk te verlaten. Ik overdrijf niet. Ik spreek de waarheid. Is het dr. Noordmans nu nog niet duidelijk, hoe slecht hij mij in liturgicis (in andere opzichten is het gelukkig wel anders geweest en ik vergeet dit niet!) heeft begrepen?
De lezers mogen nog eens rustig mijn liturgische desiderata lezen in nr. 35 van dit blad.124 Als zij dit onbevangen doen, los van de interpretaties van dr. Noordmans, zullen zij zien en verstaan, dat ik niets anders bedoel dan het herstel van een volgroeide liturgie, zoals die binnen het kader van de Reformatie niet alleen mogelijk, maar ook broodnodig is.
H. Liturgica125
door dr. O. Noordmans
4
Sedert mijn derde artikela geschreven werd, hebben er in de wereld geweldige gebeurtenissen plaats gehad.127 Dingen, die zo diep ingrijpen in ons uitwendig en inwendig leven, dat schier alles verschoven wordt. Men zou een verstokte stoïcijn moeten zijn, als men, eenmaal in gesprek, maar rustig bleef doorpraten. Men houdt eerder de adem in, om dan verder liever een tijdlang te zwijgen.
Helemaal mag ik dat echter niet doen na de Repliek, die dr. Van de Pol in het nummer van 8 september jl. heeft gegeven.128 Hij slaakte daar enkele klachten, waarop ik wel verplicht ben enig bescheid te geven, al zal ik mij daarbij zoveel mogelijk beperken.
Van de Pol schrijft: 1. Dat ik het liturgisch streven, voorzover hij daaraan meedoet, niet juist heb weergegeven. 2. Dat 'de liturgische gebeden, teksten en responsoriën'uit het Book of Common Prayer niet in strijd zijn met het gereformeerde liturgische beginsel. 3. Dat ik zijn bijdrage in het Handboek voor den Eeredienst averechts heb geciteerd. 4. Dat hij de verhouding tussen de anglicaanse en hervormde liturgie niet historisch heeft willen bezien, maar in het licht van de hedendaagse liturgische ontwikkeling. 5. Dat ik hem wel heel slecht ken, als ik schrijf, dat hij de transsubstantiatie wil vasthouden.
Nu wil ik met het ergste, en tevens het onschuldigste, beginnen. Ik bedoel het derde punt. Ik heb dr. Van de Pol inderdaad onjuist geciteerd. Maar dat was een eenvoudige verschrijving. Daarvan had hij zich zelf toch ook wel kunnen overtuigen. Wanneer ik op p. 58 van mijn boek de stelling van Van de Pol, dat het kerkgebouw de ruimtevorm van de liturgie is, omkeer, dan is dat een onnozelheid van mijn pen. Dat ik op die onjuiste aanhaling voortborduur, zoals dr. Van de Pol mij toedicht, is dan ook onjuist, zoals ieder kan zien, die de moeite wil nemen de betreffende pagina van mijn boek na te lezen. Het enige wat ik in directe aansluiting aan de betrokken passage nog schrijf, is een verder citaat, waarin gezegd wordt, dat de liturgie zich zelfs in de kleuren van het kerkgebouw weerspiegelt. Daaruit volgt, dat de verschrijving absoluut geen invloed heeft. Want dat heeft alleen zin in verband met de juiste lezing en niet met de foutieve. Wat ik dan verder op dezelfde pagina van mijn boek uit de bijdrage van Van de Pol citeer, heeft betrekking op iets anders. Het geeft letterlijk de woorden weer, waarmee hij in dezelfde bijdrage de volkomen ongereformeerde stelling poneert, dat de incarnatie zich in de kerk voortzet.
Beter dan zich vast te leggen op een 'slip of the pen' had de schrijver dan ook gedaan als hij, nu hij zijn bijdrage in het Handboek er bij haalde, eens rekenschap had gegeven van die laatste stelling, die tot de grote ketterijen van de liturgische beweging behoort. Wanneer het hem ernst is met zijn klacht, dat ik hem misversta, dan ware dat een van de meest aangelegen dingen geweest.
Ook had dr. Van de Pol aandacht kunnen, wijden aan het breder verband, waarin ik de vraag van de ruimtevorm der liturgie op verschillende plaatsen in mijn boek heb geplaatst. Hij zou dan tot de ontdekking gekomen zijn, dat hier een hervormd beginsel op het spel staat en dat men niet in iedere zin van een ruimtevorm mag spreken. Wanneer Luther zegt: "Wir geben ... dem Hause nach dem Haufen ein Namen",b dan komen daar geen kleuren bij te pas. De theofanie in het Woord is een andere dan die op het altaar. In verband daarmee heb ik in mijn boek het ruimtebegrip der liturgie, dat correspondeert met een mystisch realismec zoeken terug te brengen tot het pneumatische van Rom. 4 : 25.d Zelfs de sacramentele ruimte, waarin Barth de prediking zich laat bewegen, heb ik daarbij afgewezen.e
Wanneer Van de Pol het daarmee geheel of ten halve eens is, zal ik mij daarin verblijden. Maar dan zegge hij ronduit, dat zijn bijdrage in het Handboek voor hem verouderd is. Dat daarvan iets aan is, acht ik zeer waarschijnlijk.
Ik moet thans iets zeggen over punt 4. Dat de verhouding van de anglicaanse en de hervormde liturgie voor Van de Pol ook als een historische kwestie werd te berde gebracht, is ook de opvatting van prof. Van der Leeuw geweest. Deze heeft mij in nr. 3 van Woord en Wereld129 als historicus op mijn nummer trachten te zetten met verwijzing naar de artikelen van dr. Van de Pol. Inderdaad valt het ook niet te ontkennen, dat deze laatste èn in Algemeen Weekblad èn in Utrechtsch Nieuwsblad130 de hervormde liturgie als een produkt van de epigonentijd tegenover de anglicaanse heeft gesteld. In deze laatste zou de reformatorische liturgie tegen puriteinse afbraak veilig zijn gesteld.
Tegen deze voorstelling ben ik dan allereerst in het nummer van 30 juni opgekomen.131 Ik heb er op gewezen, dat onze hervormde liturgie te Londen vlak naast de anglicaanse is ontstaan. En wel door de hand van mannen, die zich regelrecht aan de leer en de praktijk van Calvijn inspireerden. Ik heb ook getracht enigszins aan te geven, hoe het verschil te verklaren is.
Nu komt dr. Van de Pol mij vertellen, dat hem dat niet interesseert, maar dat het hem te doen is om een feit uit de tegenwoordige tijd, nl. dat 'alle hervormde kerken van Engeland' zich de laatste vijftig jaar langzaam gelijkschakelden aan het Book of Common Prayer.
Dat een dergelijk proces elders en ook ten onzent gaande is, wist ik natuurlijk. Ik dacht, dat wij daaraan de naam gaven van liturgische beweging en dat wij daarover met elkaar spraken. Maar het bestaan van deze beweging kan ik toch moeilijk als een argument in dat gesprek laten gelden.
Wanneer wij elkaar de vraag stellen, welke liturgie voor de Hervormde Kerk geboden of geschikt is, dan zullen wij geen van allen met het antwoord geheel gereed zijn. Maar ons naïef liturgisch besef als hervormden zegt ons toch, dat wij ons bij dat onderzoek niet als anglicanen, maar als gereformeerden te gedragen hebben. Wij zullen ons niet schamen voor onze eigen soberheid. En wij zullen het feit, dat omstreeks 1550 een hervormde liturgie ontstond naast de anglicaanse, niet voor historisch-onbelangrijk aanzien. Wij zullen zo vrij zijn een beweging, die van de Engelse Kerk uitging, in verband daarmee kritisch te beschouwen.
Daarbij komen tenslotte laatste sentimenten te pas. Dr. Van de Pol is uit een ander liturgisch nest gekropen dan ik. Als ik kritisch spreek over het Book of Common Prayer, dan doet hem dat pijnlijk aan. Hetzelfde gevoel heb ik bij de toon, waarop hij spreekt over Puriteinen en Pilgrimfathers. Dr. Van de Pol moge dat wel bedenken.
Dat de klove tussen ons zo wijd gaapt als deze discussie het laat schijnen, betwijfel ik intussen. Het feit, dat de geestelijke ontwikkeling van Van de Pol zo sterk aan het liturgisch veld georiënteerd is, brengt mee, dat bij hem op dit gebied meer in gisting is dan bij menig ander hervormde. Zo komt het, dat vele bestanddelen van overtuiging, misschien ook heterogene, bij hem dooreen kunnen woelen. Ik schreef reeds dat ik een sterk vermoeden heb, dat hij zijn bijdrage voor het Handboek niet meer zó neer zou schrijven. Datzelfde denk ik eveneens van sommige andere schrijvers in dat boek. Ook ik vergeet niet, dat het aan wederkerig begrip tussen dr. Van de Pol en mij vaak niet heeft ontbroken.
Ik kom tot het tweede punt: de liturgische gebeden, teksten en responsoriën uit het Book of Common Prayer. Van de Pol schrijft, dat dit slechts enkele korte beurtzangen en 'beurtgebeden' zijn, die de gemeente meezingt en meebidt. Hij meent dat, wanneer Newman bezwaar had tegen de stukken in het Book of Common Prayer, die op onze formulieren lijken de 'exhortations' - en wanneer hij in de 'liturgische gebeden, teksten en responsoriën', naar de eigen woorden van dr. Van de Pol, kortom de gehele eredienstf zag - dat dat dan slechts een onschuldig verschil uitmaakt met de beginselen van de hervormde liturgie. Hij schenkt helemaal geen aandacht aan wat ik daarover schreefg in verband met de plaats, die het altaar in de Engelse kerk heeft behouden en de structuur, die de liturgie daardoor krijgt. Hij brengt alleen zijn eigen gevoelens naar voren bij het horen van een Engelse dienst, en vraagt dan, of die gebeden en teksten niet goed bijbels klinken. Natuurlijk doen ze dat. Ook in de mis krijgt men geen teksten uit de Koran te horen. Maar dat is de vraag niet. De kwestie is, welke geest deze teksten groepeert en welke vooronderstellingen daarbij inwerken. Mattheüs 4 en Lukas 4 leren ons, dat daarop alles aankomt. In dit geval gaat het er om of, zoals Newman wil,h Gods huis en altaar voor ons zullen preken, of dat God het tenslotte moet doen, naar een geestelijken ruimtebegrip.
Het kan heel goed zijn dat iemand die, op raad van dr. Van de Pol, door de radio naar een Engelse kerkdienst luistert, daarvan de bekoring ondergaat. Mijzelf passeert dat ook wel. Ik heb jonge mensen gekend, die zich in een hervormde dienst verveelden, maar in Engeland geregeld en graag kerkten.
Maar daarmee is niet gezegd dat de vaders van onze hervormde liturgie, toen zij naast het Book of Common Prayer een andere orde van godsdienstoefening schiepen, zich hebben vergist. En evenmin, dat de Pilgrimfathers epigonen van de Reformatie zijn geweest. Niet in de oudheid der kerkelijke gebruiken zochten zij het. God leerde hun een sterkere, diepere, meer geestelijke liturgie; moeilijker ook en met minder steunselen voor het vlees. Zoals ze ook op ander gebied in hun leven sommige krukken wegwierpen. Zij waren mensen, die in aanmerking kwamen om er een nieuwe planeet mee te bevolken.
Het lijkt er op 't ogenblik niet veel op, dat dit gaat gebeuren. Kuyper heeft enkele jaren gemeend, dat de trek naar het Westen de trek naar de hemel betekende. Maar de 'bridal procession',i waarvan Longfellow134 aan het slot van The Courtship of Miles Standish, het Hooglied van het puritanisme, zingt, is daar nog niet aangekomen. Christus gaat nog steeds met zijn gemeente door het tranendal. En toch is op hen van toepassing, wat Longfellow laat voorafgaan:
Fresh with the youth of the world, and recalling Rebecca and Isaac, Old and yet ever new, and simple and beautiful always, Love immortal and young.j
Doe ik nu dr. Van de Pol onrecht als ik dit schrijf? Hij kan het niet menen. Ik leg de nadruk op het 'new' en het 'simple'. Hij zou het willen omkeren en veel gewicht leggen op het 'old' en het 'beautiful'. Het een sluit het ander niet uit, maar de orde is anders. Het is tweeërlei liefde en tweeerlei rijk.
'Love immortal and young', dat is de mystiek van de Puritein.k