Romeinen 5 : 1-5
Dit zijn bijbelwoorden, die bijzonder passen voor 31 oktober: de kerkhervorming. Maar tevens past dit bijbelgedeelte bij de tijd van het kerkelijk jaar. Wij gaan naar het einde daarvan, straks is het Advent. Onze tekstwoorden vatten als 't ware samen, wat het kerkelijk jaar heeft opgeleverd. Eerst is het Kerstmis geweest, dan Pasen, dan Pinksteren. Alles wat in de Twaalf artikelen staat, is door de prediking gegaan.
En dan vragen wij, zoals de catechismus in zondag 23: Wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft? En dan is het antwoord: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens. Dat is het wat wij in deze klassieke verzen van Romeinen 5 lezen. Dat is de vrucht des Geestes die de gemeente vergadert door haar geloof. Dat is de oogst uit de bijbel die wordt binnengehaald, de schoven die in de schuur der kerk worden gedragen: dat Gods Zoon op aarde kwam, dat Hij leed en stierf, opstond en ten hemel voer, dat Hij zijn Geest uitstortte op alle vlees. Daarvan komt deze vrucht: Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Here Jezus Christus (vs. 1).
Een kind van God te wezen, aangenomen door God zelf, uit de duisternis der zonde getrokken tot zijn wonderbaar licht (1 Petr. 2 : 9). Er is een groot goddelijk werk voor nodig om een mens te rechtvaardigen, hem macht te geven een kind Gods genaamd te worden (Joh. 1 : 12): een wezen dat onbekwaam is tot alle goed en geneigd tot alle kwaad, rechtvaardig voor God. En sla dan het oog naar binnen. Peil de diepten van uw hart. Controleer een uur lang uw gedachten. Let een dag lang op uw overlegging. Beschouw uw leven in het licht van Gods heilige wet. En dan rechtvaardig voor God genoemd te worden.
Daar moet geloof bij te pas komen. Maar dat staat hier dan ook: gerechtvaardigd uit het geloof. Het is geen ervaring, maar aannemen van een belofte. Gij hebt het niet en gij zijt het niet uit uzelf, maar gij krijgt het als een geschenk van God. Maar dan moogt gij het ook aannemen. Wanneer God u rechtvaardig noemt, dan moogt gij uzelf niet anders beschouwen. Of wilt gij misschien liever in de zonde blijven? Neen, uit het geloof moogt gij rechtvaardig zijn. Er mag vrede in uw hart en leven zijn, een vrede die alle verstand te boven gaat (Fil. 4 : 7), waaraan de wereld en de oorlog niet raken kunnen.
Wat denkt u, als er een engel op aarde kwam, zou die onder of boven de wet zijn? Boven de wet natuurlijk. Geen enkele aardse bepaling zou de engel binden. Hij verbrak het zegel op Pasen van de steen voor Jezus' graf.
Zo ziet Jezus ook de kinderen des Koninkrijks. 'Moeten ook de bruiloftskinderen vasten?' vraagt de Heer (Mk. 2 : 19). Moeten zij schatting geven? Eigenlijk zijn zij als kinderen Gods onder en boven de wet. Dit heeft Luther scherp tot uitdrukking gebracht in zijn geschrift Over de Vrijheid van een Christenmens. Dit boekje had twee stellingen. De eerste was: Een christenmens is een heer over alle dingen en aan niemand onderdanig. Hij is gerechtvaardigd uit het geloof en heeft vrede bij God door onze Here Jezus Christus. Eigenlijk, voor zover hij een kind van God is, is hij boven alle dingen uit, als de engelen Gods. Door dit geloof schept hij adem. Dit is zijn eigenlijke leven.
Maar Luther voegt er iets anders bij. De tweede stelling luidt: Een christenmens is een dienstbare knecht aller dingen en ieders onderdaan. Dat had Luther ook van Jezus geleerd, want de Heer zegt, als Hij verklaard heeft dat de kinderen Gods niet behoeven te vasten met de Joden en geen schatting behoeven te geven aan de heidenen, - dat Hij het toch wil doen, om geen aanstoot te geven. Dan laat Hij Petrus de schattingpenning ophalen uit de bek van een vis (Mt. 17 : 27).
Zo staat het hier ook in onze tekstwoorden. De gelovige, de christenmens, die hier in Romeinen 5 genoemd wordt, blijft niet boven de wereld zweven. Er is hier sprake van verdrukking. Wij roemen, zegt Paulus, in de hope der heerlijkheid Gods (vs. 2). Als zodanig is de christenmens een heer van alle dingen en niemands onderdaan. Hij staat in de genade, want hij heeft de toeleiding tot deze genade door Jezus Christus (vs. 2).
Maar, zegt Paulus, wij roemen ook in de verdrukkingen (vs. 3). Ook onder het kruis blijft de christen een kind van God. Maar ook omgekeerd, het kind van God blijft met Christus onder het kruis. Het geloof is geen ijdel fantasie-spel. De gelovige is een werkelijkheidsmens. Jezus was de grootste kruisdrager. En Paulus offerde zichzelf op voor zijn dienst. Zo staan hier die schone bijbelverzen over de verdrukking. Wij roemen ook in de verdrukking, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt en de lijdzaamheid bevinding en de bevinding hoop; en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest (vs. 3-5).
Hier is nu de gerechtvaardigde door het geloof, het kind van God, dat vrede bij God heeft door onze Here Jezus Christus. Deze gelovige onttrekt zich niet aan de dienst, het ambt dat God hem oplegt, om onder de verdrukking te roemen. Het is geen ledige dienst, maar een kruisdienst. De verdrukking oefent hem. Zij werkt lijdzaamheid, volhouden, dragen. Hij loopt niet onder het kruis vandaan, maar hij blijft roemen. Hij houdt niet op een kind van God te zijn. Hij is gerechtvaardigd uit het geloof. Hij is tenslotte niemands onderdaan. Hij is vrij als een engel in deze wereld. Daarom werkt de verdrukking geen wanhoop, maar lijdzaamheid, volhouden. En ook onder de verdrukking is hij eronderuit. De lijdzaamheid werkt bevinding. En de bevinding hoop. En de hoop beschaamt niet.