O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Psalm 33 :9LarenPsalm 89 : 15 · Psalm 26: 3 · Jesaja 11 : 5b · Deuteronomium 32 : 4b →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 222–225

Psalm 62 : 2 en 3

Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.

Immers is Hij mijn rotssteen en mijn heil, mijn hoog vertrek: ik zal niet grotelijks wankelen.

Psalm 62 : 2 en 3

Wij kennen allen deze prachtige psalm uit ons kerkboek:

"Mijn ziel is immers stil tot God; van Hem wacht ik een heilrijk lot: Hij immers zal mijn rotssteen wezen, mijn heil, mijn hulp in mijn gebrek, mijn toevlucht en mijn hoog vertrek; ik zal geen grote wankling vrezen.

Een ander lied, Psalm 131, is geheel aan dat stil-zijn gewijd. Een paar verzen over het stil-zijn tot God, als een gespeend kind. Psalm 65 heeft het ook:

"De lofzang klinkt uit Sions zalen tot U met stil ontzag."

Zulke psalmen zijn tegenhangers van die andere, waarin de onrust des harten wordt uitgezegd. Psalm 42 en 43: Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts, en mijn God (Ps. 42: 12; 43: 5). Welnu, als het hart stil tot God wordt, zich in stilheid tot God keert, stil als 't gespeende, van de moeder een beetje afgewende kind, dan is die vraag beantwoord, en aan de aansporing gevolg gegeven. Dan zoekt men het niet meer in de onrust van het hart, maar in het stil-zijn tot God. De ziel buigt zich niet neder, maar richt zich op tot God. Zij laat zich met Christus in de hemelen zetten aan de rechterhand van Gods Majesteit. Zo krijgt de ziel een vastere, rustiger, hogere verhouding tot God, zoals het gespeende, van de moeder afgewende kind een rustiger, hogere, geestelijke verhouding tot de moeder krijgt. Het kan stil zijn in de nabijheid van de moeder. Zo kan de ziel stil geloven, bidden zonder te dwingen, geloven zonder dadelijk te willen zien, hopen zonder dadelijk te krijgen, liefhebben op afstand. ⚑De kerkvader Augustinus, die het Psalmboek zo goed kende als misschien niemand anders, heeft dat op formule gebracht: Ons hart is onrustig in ons, tot het rust vindt in U.

Zo is dat stil-zijn voor God, dat zich zetten in een hoog vertrek, geworden tot een vaste toon in het Psalmboek. Komt steeds weer terug. Niet altijd zo afgezonderd als in Psalm 131. Daar staat het als een spreuk, als een geloofsartikel, apart, beleden boven alles uit. Hier in Psalm 62 is dat niet het geval. Dat dient tot onze troost. Teksten en psalmverzen kunnen zo rustig in de bijbel en het kerkboek staan. Oud-Israël heeft ze gezongen, Jezus en zijn discipelen, de oude kerk, de hervormers en wij ook nog. Eeuw in, eeuw uit staan die woorden daar als de sterren in de nacht. Het gebod blijft gebod, de spreuk spreuk, de belofte blijft belofte.

Soms denkt gij: Kon ik ook maar zo rustig, zo stil tot God zijn als zo'n tekst, zo'n psalmvers. Maar gij staat niet in een boek, maar in het leven. Terwijl het gebod er staat, valt gij. Terwijl de spreuk wijs is, doet gij dwaas. En terwijl de belofte vast is, twijfelt gij. Het is geen kleinigheid in dit leven te verkeren. Hoe hebben wij erin durven komen? Hoe zullen wij ook iets kunnen hebben van dat stil-zijn tot God? Hoe zal onze ziel het afleren zich neder te buigen en leren zich te zetten in het hoog vertrek van de psalm en de belofte?

Onze Psalm kent die moeilijkheid. Hij bestaat uit drie delen. Het eerste deel maken onze tekstwoorden uit. Dat is, om zo te zeggen, Psalm 131 zonder meer. Dat staat daar stil en heilig als een spreuk, waar en veilig als een belofte. Maar dan komt het. Hoe lang nog zult gij op één mens losstormen, als op een hellende wand, een muur, die op vallen staat (Ps. 62: 4, Leidse Vert.)? Die bijna vallende muur, dat is de dichter zelf. Dat is wat anders dan die woorden Gods, die ze, zoals Luther zei, moeten laten staan; die niet op de aarde kunnen vallen. Het is erg genoeg: een muur te zijn, die op vallen staat. Wij zijn midden in het leven; en dan vallen en dreigen te vallen, omgestoten worden.

Hoe is het nu eigenlijk? God een hoog vertrek! En wij al maar vallen, van Hem af? Die woorden staan daar wel vast en veilig, boven in de Psalm. Maar gij: midden in het leven? Door onweer voortgedreven! Zou God in het boek blijven, in bijbel en kerkboek, hoogstens in het kerkgezang? Zou het daar waar blijven, rotssteen, de ziel stil tot God - maar zou God niet in het leven komen? Zouden wij er alléén in zijn? Vreemde vraag om aan God te doen, maar zulke vragen zijn bijbelse vragen. De Psalmen doen die vraag aan God. Jezus heeft aan het kruis die vraag aan de Vader gedaan. Kan dat u misschien ook troosten? Onze Psalm zegt dat God in het leven komt. God is niet een God der doden, maar der levenden (Mt. 22: 32). Hij blijft niet in het boek. Het Woord wordt vlees. De letter wordt Geest. Kerstmis, Pasen, Pinksteren.

Maar dat is het juist. Het is een heel ding met God in het leven te zijn, samen in het leven te zijn. Samen met God in de geschiedenis. God, de Eeuwige, de Heilige, en gij, de sterveling, de gevallene. En dan samen met Hem in dit leven, in de geschiedenis. Want zo is het. Wie wil weten wat leven en geschiedenis betekenen, die moet kijken naar de bijbelse geschiedenis. Daar is God samen met de gevallen mens. Wij zouden het wel wat rustiger willen hebben: op een afstand, onder het genot van een sigaar of met de breikous in de handen, over God redeneren, of Hij er is of niet. Maar daar hoort ge in de bijbel nooit van. God is daar; of wij er zijn, is de vraag.

Met God in het leven en de geschiedenis. Dat kan angstig genoeg zijn. De bijbel is er vol van. Abraham moest uit zijn land gaan. Hij moest zijn zoon offeren. Jakob toog naar Egypte. Mozes zwierf in de woestijn. David moest vluchten voor zijn eigen zoon. Israël en Juda in ballingschap. Jezus wordt gekruisigd en begraven. Met God in de geschiedenis. Petrus wordt gekruisigd, Paulus onthoofd. Profeten, martelaars, vermelden in de hemel Gods eer. Dat is met God in het leven te zijn. Maar Hij is er. Niet zo rustig als wij zouden willen, maar toch zo, dat men stil tot God kan zijn. Dat is het tweede deel van onze Psalm.

Vers 6-8 is een herhaling van vers 2-3. Doch gij, mijn ziel, zwijg Gode, want van Hem is mijn verwachting. Hij is immers mijn rotssteen en mijn heil, mijn hoog vertrek; ik zal niet wankelen. In God is mijn heil en mijn eer; de rotssteen mijner sterkte, mijn toevlucht is in God. Daar staat het, nog uitvoeriger en krachtiger dan in vers 2 en 3. Dat is de tweede ronde; de Psalm houdt stand. De spreuk, de belofte is gedoopt in het leven, in het lijden, maar hij blijft. En hij blijft niet wat hij is: een woord, een tekst. Het Woord wordt vlees, als het in het leven komt. Kerstmis, Pasen, Pinksteren. De letter wordt Geest. En de ziel, tussen het vlees en de geest, in het midden tussen de Zoon en de Geest gekoesterd, kan stil zijn tot God, onze Vader.

"Bezwijkt dan ooit in bittre smart of bange nood mijn vlees en hart, zo zult Gij zijn voor mijn gemoed mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed."

"'k Zal dan gedurig bij U zijn in al mijn noden, angst en pijn; U al mijn liefde waardig schatten, ⚑wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten."

Dat is taal, die de ziel verstaat. Dat maakt haar stil tot God.

De Psalm houdt stand in het midden. En niet alleen de Psalm, maar de hele bijbel. Wat er geschreven stond in het Oude Testament van de Messias, zijn koninkrijk, zijn kracht, zijn heerlijkheid, dat komt uit in het Nieuwe Testament. Maar het komt niet zo maar uit, op de klank af, zoals men een tekst uitlegt. Dat hebben de Emmaüsgangers gemerkt. Het moet uitkomen door het standhouden van Christus. Op die ene mens is alles losgestormd. Hij is geworden als een hellende wand, als een muur, die op vallen staat. Maar de Psalm, de bijbel, Gods Zoon houdt stand in het vreselijke midden. Dan krijgt de koning dienstknechtgestalte. De kracht verdroogt als een potscherf (Ps. 22 : 16). De heerlijkheid wordt tot schande. Maar de Heer, onze Heer, houdt stand in dit vreselijke midden van de bijbel. God is met ons in het leven. Het Woord is vlees geworden, de letter Geest.

't Zijn geen mooie woorden alleen, die in de bijbel staan, geen rustige spreuken, maar daden Gods in het leven, daden van kracht en liefde. Standhouden van de goede Herder tegen leeuw en beer, als David, de psalmist (1 Sam. 17 : 34 vv.). En dan blijft het erbij: Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil. Immers is Hij mijn rotssteen en mijn heil, mijn hoog vertrek: ik zal niet grotelijks wankelen. Standhouden, dat doet de Psalm, de bijbel, dat doet God, Christus, de gemeente. God spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er (Ps. 33 : 9).

En dan komt ook het derde stuk. Wanneer het Woord vlees geworden is, dan wordt ook de letter Geest. Dan wordt het Pinksteren in de Psalm, in de bijbel, in het leven. Vertrouwt allen op Hem, gij leden der gemeente, stort uw hart voor Hem uit; God is ons een toevlucht. Ja, ijdelheid zijn de mensenkinderen, enzovoort (Ps. 62 : 9 v., Leidse Vert.). Hier spreekt de Heilige Geest, de prediker, die door lijden geheiligd is. Het derde stuk in de bijbel.

Maar wat is het leven dan, als zulke overgangen moeten plaatshebben? De smarten der geboorte van het Woord tot vlees, van de letter tot Geest. De verlatenheid. Hoe wordt de Geest toebereid, die aan de handen des Vaders moet toebetrouwd?

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Psalm 33 :9LarenPsalm 89 : 15 · Psalm 26: 3 · Jesaja 11 : 5b · Deuteronomium 32 : 4b →