Psalm 6 : 2-5
O Here! straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid! Wees mij genadig, Here! want ik ben verzwakt; genees mij, Here! want mijn beenderen zijn verschrikt. Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, Here! hoe lang? Keer weder, Here! red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.
Psalm 6 : 2-5
Wie zal ons redden?
Het is een oud lied, waaruit ik u vier verzen voorlas: twee- à drieduizend jaar oud. Maar de God, tot wie deze dichter riep, is er nog. Hij is eeuwig en onveranderlijk. En de mens met een verschrikt lichaam en een verschrikte ziel, die is ons ook niet vreemd. Wij weten ervan mee te praten. Zo'n Psalm is niet oud. Evengoed kan men zeggen: nieuw, modern. Maar die twee, waar het over gaat, die zijn toch ook al oud. De eeuwige God zal wel niet veel veranderd zijn, sedert deze Psalm gedicht werd. En de mens met gebeente (= lichaam) en ziel, die is er ook al lang geweest. Het is een oude geschiedenis, die van God en mens. Samen zijn zij steeds in de historie geweest. En samen hebben zij heel wat beleefd.
De geschiedenis, dat is eigenlijk het verhaal van God en mens. Wanneer het de mens alleen is, als de grote Redder, de Heiland er niet bij is, dan mag het geen geschiedenis heten. Dan gebeurt er wel wat, maar het heeft geen zin. Het is leeg, ijdel. Het is donkerheid, dood. De mens alleen in het leven? Dat is een vreselijk avontuur. 'Schrik van alle kanten' noemt de profeet Jesaja het ergens. En de psalmist: Mijn beenderen zijn verschrikt en mijn ziel is zeer verschrikt. 'Losmaken' betekent dat woord in 't Hebreeuws eigenlijk. De knieën knikken. De handen beven. De ziel weet niet wat er aan is! Zij ziet geen verband. De gedachten zijn verward. Menselijke fraaie stelsels hebben hun samenhang verloren. Hoge leuzen hebben geen betekenis meer. Dat is de mens alleen in de geschiedenis. In het grote wereldonweder tast hij om zich heen. Hij is overgeleverd. De oude profeet Amos zegt: Het zal wezen als wanneer iemand vlucht voor een leeuw en hem ontmoet een beer. Hij vlucht in een huis en leunt met de hand aan de muur en hem bijt een slang (Am. 5 : 19). Dat is de mens alleen, zonder God in de geschiedenis. De enige vraag die er dan overblijft, is deze: Wie zal ons redden? Dat is de grote, de laatste vraag van het leven. Wie zal ons redden?
Er is maar één boek, dat daarop een duidelijk, krachtig antwoord geeft. En dat boek is de bijbel. Het boek van de Redder, de Heiland. Er is maar één menselijke gemeenschap, waar dit tot het hoofdthema van alle overdenking is gemaakt: de kerk, die predikt de verlossing door Jezus Christus. De bijbel, dat is het boek, waar God en mens samen in de geschiedenis verkeren. Bijbelse geschiedenis, dat weet ieder, bijbelse geschiedenis gaat over God en mens samen. Er zijn vele dingen waar de bijbel niet zoveel aandacht aan schenkt. Maar van 't begin tot 't eind gaat het daar over de betrekking van God en mens in de geschiedenis. Dat is het bijzondere van de bijbelse geschiedenis. Alles staat in 't licht van de verhouding van God en mens. God is de Redder, de Heiland. De mens de verschrikte, naar lichaam en ziel. Die roept: Gij, Here! hoe lang? Zo staat het in deze Psalm. Zo staat het de hele bijbel door. En zo verstaan wij het ook nu nog, juni 1943, in onze eigen taal en onze eigen omstandigheden. En daarom kan de bijbel ons helpen en troosten.
En zo staat het ook met de kerk. Er zijn vele dingen, waar wij in de kerk niet over spreken, die toch wel in 't leven voorkomen. Maar er is één vraag, waarvoor de kerk volle belangstelling heeft. En dat is de vraag: Wie zal ons redden? Eigenlijk gaat het daar iedere zondag over. Misschien hebben wij niet altijd belang gesteld in deze vraag. Wij dachten dan: Wij kunnen ons zelf wel redden. Maar er zijn ook uren en dagen en jaren, waarin een mens dat niet kan. Waarin hij merkt dat hij het niet kan. Want hij kan het nooit, maar hij meent het soms. Er zijn uren, waarin de belangstelling voor vele dingen, waarover wij in de kerk niet spreken, verdwijnt. Waarin de belangstelling voor spijs en drank, voor krant of boek u in de steek laat. Waarin alleen de vraag overblijft: Wie zal ons redden? Met die vraag houdt de kerk zich bezig. Jezus Christus is de Verlosser, de Zaligmaker!
God en mens zijn samen in de geschiedenis. Dat is een heel ding: met God in de geschiedenis te zijn. Wij zouden zo denken dat dat heel rustig en vredig en genoeglijk is. Dan konden de mannen onder het genot van een sigaar en de vrouwen onder een handwerk erover filosoferen, of er een God is of niet. Maar zo gaat het in werkelijkheid niet. Hoe God en mens samen in de geschiedenis zijn, kunnen wij leren uit de bijbelse geschiedenis. In 't Oude Testament: uit 't paradijs verjaagd, Abraham uit land en maagschap, Jakob naar Egypte, de Israëlieten in de woestijn. In de richterentijd vreemde koningen, de beide koninkrijken Israël en Juda vernietigd, de hoofdsteden verwoest, het volk in ballingschap. En nu 't Evangelie: Jezus aan het kruis, van God verlaten. Later de kerk, groeiende uit het zaad der martelaren.
In de bijbel praten de mensen er nooit over, of er een God is. Zij kennen God, Vader, Zoon en Heilige Geest. In de kerk kennen wij Hem ook: Kerstmis en Pasen en Pinksteren. Het is een heel ding met God in de geschiedenis te zijn. Maar dan vraagt men niet meer, of God er is. Als de beenderen verschrikt worden en de ziel verschrikt, dan luidt de vraag anders: Wie zal ons redden? Met Paulus: Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen (Rom. 7 : 24)? En het antwoord is: Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heer (Rom. 7 : 25). Jezus Christus, Heer der wereld.