O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Psalm 30 :6aLarenPsalm 33 :9 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 217–220

Psalm 31 : 20

O, hoe groot is Uw goed dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen, dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mensenkinderen!

Psalm 31 : 20

Er staan in Psalm 31 enige kapitale teksten: woorden die uit het tekstverband naar voren springen en zelfstandig gaan optreden, in de bijbel, in de kerk. Zij laten zich niet geheel door de schriftgeleerden verklaren en behandelen, maar zij spreken als machthebbende. Zij komen uit de Psalm en men vindt ze terug op plaatsen en tijden, ver van waar zij oorspronkelijk stonden.

Ik noem er drie. De eerste luidt aldus, vers 6: In Uw handen beveel ik mijn geest. Wij horen dit woord uit Jezus' mond, aan het kruis (Lk. 23 : 46). Van daar af doorwandelt het met de zes andere de gehele aarde en alle eeuwen. Het heeft zich losgemaakt uit zijn verband. Het heeft zich aan de verklaring van schriftgeleerden onttrokken. Het heeft een eigen bondgenootschap aangegaan met andere psalmwoorden. Samen zijn zij tot een Evangelie geworden, dat onder de levenden en de doden uitgebazuind wordt tot de jongste dag.

De tweede staat in vers 16: Mijn tijden zijn in Uw hand. Deze tekst vergezelt de kerk door de eeuwen heen. Hij is veel misbruikt om het burgerlijk jaar mee in te leiden, in een halflege of bijna lege kerk op de nieuwjaarsmorgen. Maar zijn eigenlijk geluid krijgt hij, als Gods oordelen daarheen wentelen als de wateren en zijn gerechtigheid als een sterke beek (Am. 5 : 24). Dan vertolkt hij het gebed der uitverkorenen, als zij dag en nacht tot God roepen. 'Mijn tijden zijn in Uw hand', dat blijft de geweldige uitroep uit de tijd in de eeuwigheid. En de tekst blijft waar, hoe donker die tijden ook mogen worden.

De derde tekst is hedenmorgen het onderwerp van onze overdenking. O, hoe groot is het goed dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen, dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mensenkinderen! Het is een woord, geliefd bij het volk Gods in oude en nieuwe tijd. Een stuk brood op de pelgrimsreize naar de eeuwigheid. Een danktoon van de gemeente aller eeuwen, die al vooruitgrijpt op het gezang der zaligen in de hemel.

Ook deze tekst heeft zich aan de lering der schriftgeleerden onttrokken. Ook hij heeft een eigen macht gekregen, boven het verband van de Psalm uit. Geslacht op geslacht heeft de mystieke werking van deze uitroep van de psalmist ondergaan. Zoals de grootvader, zo is ook het kleinkind getroost door het horen over het grote goed, dat weggelegd is, het goede, dat God gewrocht heeft; dat Hij achter zich houdt.

Het is goed dat wij ons gewennen aan de gedachte dat wij van God niet alles ineens weten en niet alles ineens krijgen. God spaart voor zijn kinderen. Dat is het grote goed, dat Hij weggelegd heeft voor degenen, die Hem vrezen. Hij spaart ook een andere schat op. Daarvan lezen wij in Psalm 17. Daar wordt gesproken van de lieden die van de wereld zijn. Ook voor hen spaart God, maar het is geen groot goed, doch een groot kwaad, grote rampen. De kinderen worden ervan verzadigd, maar er is zoveel kwaad, dat ze het overschot voor hun kinderen overlaten (Ps. 17 : 14). Eén geslacht kan het niet aan. God vervult er hun buik mee. Maar er is te veel om het te verteren. Zij moeten voor hun kinderen overlaten.

Het sparen van God is een geweldig en vreselijk ding. De eeuwigheid is lang en de tijd is kort. Als de toorn van de Eeuwige plotseling in de tijd wordt uitgegoten. Wij vergaan door Uw toorn, en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt. Al onze dagen gaan heen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte (Ps. 90 : 7, 9). Ons leven is te kort om de toorn Gods te kunnen bevatten. Wij verstaan dat; ook dat het ene geslacht ervan overlaten moet voor een ander.

Maar dat staat niet in onze Psalm. Hier staat van het grote goed, dat God weggelegd heeft voor die Hem vrezen, en gewrocht voor degenen, die op Hem betrouwen. Het eerste is veel. Eén geslacht kan het niet aan. Er moet een volgend aan te pas komen, en nog één, en nog één: het derde en vierde geslacht. Maar het grote goed is meer. Er zijn duizenden geslachten nodig van degenen die God liefhebben, om het te bevatten (vgl. Ex. 20 : 5 v.).

O, hoe groot is het goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen, dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen. Vreemd, links staan wij telkens weer tegen Gods beloften over, onhandig in het aannemen. Dat er met dat opsparen Gods iets aan de hand is, weten en merken wij wel. Soms is het of God het kwaad niet merkt. De mensen verbazen zich erover, dat God zo lankmoedig is. Maar dan ineens vergaan zij door de toorn van God. Het is of al het kwaad ineens uit Gods fiolen wordt uitgegoten. Welke houding moet men daaronder aannemen? Onzekerheid! Maar toch wordt het aangenomen. Drie, vier geslachten zijn ermee bezig.

En het grote goed dan, dat in duizend geslachten, dat in eeuwigheid gaat? Staat gij alleen in de drie en vier; niet in de duizenden? God kennen is Hem kennen als de God, die het goede weggelegd heeft voor die Hem vrezen. Wij kennen God niet, als wij alleen letten op de toorn, waardoor wij vergaan in drie of vier geslachten. Dat werk Gods is voor ieder wel openbaar. Maar het echte sparen Gods, het sparen voor zijn kinderen, eist een andere aanpassing. De drie teksten uit Psalm 31 wijzen ons zelf de weg. Van achteren naar voren: O, hoe groot is het goed. Maar hoe dan? Mijn tijden zijn in Uw hand!, zo luidt de tweede. Welke tijden dan? In Uw handen beveel ik mijn geest. Zo wordt gij uit het diensthuis uitgeleid. Steeds nauwer wordt de weg. Wij moeten uit de wereld, de goederen, de tijden, naar het kruis.

Het Evangelie - o, hoe groot is het goed. Wij doen er een heel jaar over om het te bezien: Kerstmis, Pasen, Pinksteren; en dan weer van voren aan. Geslacht op geslacht, meer dan drie en vier, wordt in de kerk ingedragen om gedoopt te worden en het te bezien. En nog altijd is er meer en over. Voor u is er ook. Evangelie is er voor u. Ga hier in 't gelid staan. In de drie en vier geslachten staat gij wel. Gij hebt, zoals Psalm 17 zegt, uw buik er vol van. Ga ook in de duizend staan. Volg het klimmende pad des geloofs in de Psalm. Laat de wereld voor het Evangelie worden. De Twaalf artikelen, van de schepping naar de nederdaling ter helle. Maar dan het einde: vergeving der zonden, wederopstanding des vleses, en een eeuwig leven. Gij weet nog niet alles van God. Gij hebt nog niet alles gekregen. God spaart voor u: een verborgen goed, een verborgen manna, een schat in de hemelen.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Psalm 30 :6aLarenPsalm 33 :9 →