O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Psalm 115 : 1-9aLarenPsalm 139 : 23 en 24 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 229–230

Psalm 138 : 2a

Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid.

Psalm 138 : 2a

Wij staan weer aan 't eind van 't kerkelijk jaar. Het is Kerstmis geweest. Pasen, Pinksteren en dan de zondag Trinitatis na Pinksteren en dan de zondagen na Trinitatis tot de zevenentwintigste toe. En dan komt de adventstijd.

Wij vragen: Wat heeft het jaar ons gebracht? Het rad van het kerkelijk jaar, dat draait niet in de ledige tijd, in de tijd van zon, maan en sterren, die in de grote ruimte draaien. Maar het rad des tijds van 't kerkelijk jaar weet van meer dan van datums, van uren, dagen, maanden en jaren; het weet van Kerstmis, Pasen en Pinksteren, van de gangen des heils, van geboorte, opstanding, uitstorting. De kerk leeft niet in het duister van de nacht, maar het is licht geworden in de nacht, en de grendels van het graf zijn verbroken en de hemelen van de dag hebben zich geopend en de Heilige Geest is uitgestort.

Wat geeft het dat het rad des tijds wentelt in het heil dat God schenkt en weer eenmaal de sterren van Jakob en de Zon der gerechtigheid over ons zijn opgegaan (vgl. Mal. 4 : 2)? Als het goed is heeft de wenteling niet tevergeefs plaatsgehad. 't Is als een rad aan een bron. Bethlehems bornput. Levend water. En als wij terugzien moet er iets staan, dat niet valt met de tijd. Een vast bestek. Iets van een eeuwige tabernakel. Iets van een omtrek van een huis, een tempel, waarin wij kunnen wonen. Een gebouw Gods, dat wij kunnen groeten in de geest. Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid.

Het is op zichzelf iets wonderlijks, dat er iets zou kunnen blijven staan. Wij leven tussen twee oneindigheden, het sterrenstelsel van het kleine en het sterrenstelsel van het grote. Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt (Ps. 8: 5)? 't Moet God zijn. Hoe kan hier iets standhouden, iets beklijven? Waar komt hun grond vandaan? Is 't niet oneindige ruimte, oneindige tijd? Het jaar onzes Heren. Het eeuwige is het niet-ledige. Waar is de tijd die er iets van vasthoudt? De molen die meer maalt dan wind. Het jaar dat niet verkocht is aan de ijdelheid?

Het kerkelijk jaar is geboorte, opstanding, uitstorting. Dat is iets anders. Het geloof is vasthouden van wat God belooft. 't Staat alles in 't licht van Gods aangezicht. De hele stoet des levens gezegend. Geschapen door God de Vader. 't Leven gedragen door Jezus Christus. Gezalfd door de Heilige Geest. Vasthouden van geestelijke zegen. Volharden in 't geloof. Welk een rijkdom in Gods openbaring. Wij gedenken aan de val: schuldbelijdenis. Aan de rijkdom in Jezus Christus: geloof. De Heilige Geest: de toepassing aan 't hart.

Wat beklijft er in de tijd? Wij moeten geloven aan het eeuwige leven. Dat moet vorm krijgen in dit leven. Daarvoor moeten andere dingen achterstaan. Er moet reliëf gedreven worden door Gods Geest, vernieuwd naar Christus' beeld (vgl. Kol. 3 : 10). Daarom de herhaling in het leven. Wij kunnen ons leven niet herhalen, maar vele dingen worden in ons leven herhaald. De orde der natuur. Maar ook het kerkelijk jaar, steeds weer. Om het beeld te verduidelijken. Herhaling kan ook de omgekeerde werking hebben. Afslijten, sleur. Dat is op een dood voorwerp; dan slijt het af. Bij 't leven wordt het duidelijker. Het geloof. De hoop. Het gebed.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Psalm 115 : 1-9aLarenPsalm 139 : 23 en 24 →