O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Psalm 89 : 15 · Psalm 26: 3 · Jesaja 11 : 5b · Deuteronomium 32 : 4bLarenPsalm 138 : 2a →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 227–229

Psalm 115 : 1-9a

De dichter van deze Psalm vraagt God om eer. De eer is weg uit het land, zoals toen de Filistijnen de ark hadden weggevoerd. Toen noemde de schoondochter van Eli haar zoon Ikabod, 'de eer is weg' (1 Sam. 4 : 21). God is het land uit. Soortgelijke gedachten heeft deze dichter. Hij bidt erom dat God eer moge geven, niet ons, voegt hij erbij, maar Uw Naam geef eer (vs. 1). Deze gedachte keert in de Psalmen en bij de profeten telkens terug. God zal niet kunnen dulden dat zijn volk ondergaat. Want het is zijn volk en het komt zijn goedertierenheid en zijn waarheid, dat is zijn liefde en zijn trouw te na als Israël ondergaat. Hij heeft hen verkoren uit alle natiën; Hij heeft hun zijn beloften gegeven. Abraham is Gods vriend geweest, Mozes zijn profeet, David zijn gezalfde. Welk een eer was dat voor zijn volk. Is dat alles nu weg? Heeft God zijn volk verlaten? Daarom vraagt de psalmist om eer. Maar bij voegt erbij: geef die eer niet aan ons, niet aan ons. Maar geef ze Uw Naam. God had zijn volk toch lief? Hij is toch trouw en kan zijn woord toch niet breken? Laat God zijn eigen Naam, zijn woord eer geven. Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God (vs. 2)?

Het geloof, het leven met God, is vol van moeilijke vragen. Vragen, die niet enkel moeilijk zijn voor het verstand, maar veel meer nog voor het hart. Het doet het hart pijn, als God zijn liefde en zijn trouw schijnt te vergeten, zodat de heidenen zeggen: Waar is nu God? Het is toch in werkelijkheid zo heel anders! Onze God is toch in de hemel? Hij doet al wat Hem behaagt. En de afgoden zijn zilver en goud, werk van mensenhanden (vs. 3 v.). Beelden, die niet kunnen horen, zien, gaan of spreken (vgl. vs. 5 vv.). Moet God dan niet voor zijn eer zorgen; moet het niet openbaar worden, zodat iedereen het ziet en erkent dat de Here God is?

Dit zijn bange vragen, die het hart raken. Het hart zou erbij kunnen breken, als er geen oplossing komt. De wereld zou kunnen ondergaan, als God voor zijn eer niet zorgt. Waarom is de verhouding tot God niet gemakkelijker voor een mens? Waarom gaat het daarbij om gebroken harten en een reddeloze wereld? Waarom moeten het hart en de wereld tegen God stuk gestoten worden? Is de Heer dan onze herder niet, die het aan niets laat ontbreken? Wil Hij onze gids niet zijn en ons leiden aan zeer stille wateren? De tafel voor ons aanrichten? Dat staat toch ook in de Psalmen? Ja, het staat er in Psalm 23.

Maar het gaat bij het verkeer met God toch dieper en hoger dan in een aards gezin. Waarom is het Evangelie zo vol lijden? Waarom is Christus gekruisigd, gestorven en begraven? Jezus sprak toch ook over vogels en bloemen? Waarom is het Evangelie geen mooie zomerdag geweest? Waarom, waarom hebt Gij Mij verlaten (Mt. 27 : 46)? Het geloof komt met zulke vragen in aanraking.

Aan de ene zijde stomme beelden, afgoden, van mensenhanden gemaakt mensenwerk. En aan de andere kant God in de hemel, die doen kan wat Hem behaagt. En dan toch die schijn, dat God onmachtig is en niet almachtig. Afwezig en niet tegenwoordig. In oneer en niet geëerd. Ontrouw en niet een waarmaken van zijn Woord. In de Psalmen is deze ervaring vaak het onderwerp. De klachten zijn talrijk. Psalm 23 is een uitzondering. Jezus' kruiswoorden zijn alle uit de Psalmen genomen.

Het is de schuld ook hiervan, dat God in de hemel is. De hemel is hoger dan de aarde. En zoveel hoger zijn Gods gedachten dan de onze. Dat is moeilijk voor ons: het kan niet anders. Als Gods gedachten lager waren, konden wij er beter bij. Een mens heeft het gemakkelijker met een afgod, dan met God. Die maakt hijzelf. En de afgod heeft geen gedachten. Maar nu hebben wij het met een levende God te doen; niet een wezen van hout of steen, niet lager dan wij, maar hoger. Hij hoort, maar het is toch hoger. Hij ziet, maar toch hoger. Hij gaat, maar hoger. Hij spreekt, maar hoger. Hij is toch in de hemel. En de hemel is boven de aarde.

Met zulk een God hebben wij te doen. Met God en geen mens. Ja, het is een heel ding met God te doen te hebben. Niet met hout of steen, stok of blok, mens of dier, maar met God. Wij kunnen wel zeggen godsdienstig te zijn. Maar dat is niet: met God te doen hebben. God is de Vader van onze Heer Jezus Christus. God kennen wij door het Evangelie. Al onze kennis van God komt tot ons door Jezus Christus. En Jezus Christus is de gekruiste. Lijden was zijn leven. Angst in zijn ziel in Gethsemané. Verlatenheid was zijn lot op Golgotha. Donkerheid in zijn doodsure. Door dat Evangelie komt de kennis van God tot ons. Wij kennen geen andere God. Alleen de levende God. Er is er maar één, de Vader van Jezus. Met Hem moeten wij leren verkeren. Hij is de God van heiligheid en gerechtigheid. Maar ook van opstanding en eeuwig leven; van vergeving en verzoening; van de kracht en het Koninkrijk. Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede (Lk. 22: 42). Gij toch zijt in de hemel.

En nu moet ons zwakke hart met deze God verkeren. Het is geen wonder, dat er dan moeilijke ogenblikken komen. Gij kunt met hout of steen gemakkelijker omgaan. Maar Gods verborgen omgang bergt geheimenissen voor zijn vrinden.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Psalm 89 : 15 · Psalm 26: 3 · Jesaja 11 : 5b · Deuteronomium 32 : 4bLarenPsalm 138 : 2a →