O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Mattheüs 26 : 1-5LarenMattheüs 27 : 27-31 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 266–267

Mattheüs 26 : 14-16

Toen ging een van de twaalve, genaamd Judas Iskariot, tot de overpriesters, en zeide: Wat wilt gij mij geven en ik zal Hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen. En van toen af zocht hij gelegenheid dat hij Hem overleveren mocht.

Mattheüs 26 : 14-16

Men moet kiezen of delen in de wereld. Niet God èn de Mammon, maar God òf de Mammon (Mt. 6 : 24). Zo is 't leven ingesteld. Er zijn allerlei wegen om daaraan te ontkomen, maar ze lopen op niets uit. Het leven is een groot compromis. Allerlei voorzichtige verdragen tussen vlees en geest, goed en kwaad, licht en duisternis, leven en dood. Maar het houdt niet; 't wordt altijd weer òf-òf. Lijmen, krammen helpt niet.

Wij zien het aan Judas. Daartoe staat Judas in 't Evangelie. Judas zal niet de minste van de discipelen geweest zijn. Met Petrus is hij de man van de daad. Hij is de penningmeester. Wat hij voorgehad heeft kan men slechts trachten te raden. 't Evangelie is zo kort; 't is geen roman, geen zielkundige ontwikkeling. 't Gaat zo rare vlucht. 't Is een jagen van geloof en ongeloof, leven en sterven. Het is als wanneer iemand z'n leven in de droom ziet, of vlak voor z'n dood: klare scherpte.

Judas is Judas in 't Evangelie. Het baat niet dat hij een veelbelovende knaap is geweest, of hij een ontwikkeling doormaakte, of hij strijd gehad heeft; verzachtende omstandigheden. Judas is Judas. Het Evangelie neemt de relativiteit uit 't leven weg. Balthasar Gerards en Willem de Zwijger.

Judas en Jezus. Hier houdt de betrekkelijkheid op. Hier wordt men tot geloof geroepen. Hier is zelfmoord en plaatsbekledend lijden. Hier is verraad en goede Herder. Hier is dood en opstanding. Daarom baat het niet veel of we Judas zielkundig proberen te verstaan. Er is wel zoiets mogelijk, maar dat brengt niet verder. Dat leidt ons in de betrekkelijkheid. Wij moeten het volstrekte zien. Judas verkoopt God, hij verraadt z'n Heer, hij ruilt z'n eigen zaligheid voor dertig zilveren penningen. Niet meer en niet minder.

Het gebeurde na de zalving. Judas heeft Jezus vergezeld op z'n omwandeling, drie jaar lang. Hij hoopte op verhoging, 't werd vernedering. Hij verwachtte openbaring, 't werd verberging. Judas hoopt dan altijd nog. Maar dan komt de zalving, en dan moet hij beslissen: God of Mammon, Jezus of zichzelf. Hoe dat precies in z'n gemoed is toegegaan? Wie zal 't zeggen. 't Geloof heeft z'n psychologie; 't ongeloof ook. Maar men kan het niet in elkaar zetten en niet uit elkaar nemen. Het slaat in of het dooft uit. Al zijn er nog zoveel verstandelijke hindernissen, zoveel omstandigheden, 't wordt overwonnen door 't geloof. En al is 't nog zo klaar, al werkt alles mee, het ongeloof capituleert toch. De keuze wordt volstrekt: of... of. Boze of goede wil, Gods werk of des bozen.

Onze tijd heeft veel van dat absolute in zich. De sluiers van goed en kwaad worden eraf getrokken. Men komt er voor uit. De gewoonte valt weg. De geesten worden openbaar, de omstandigheden dringen, de dag belicht scherp. Dat ligt niet aan de mens alleen. Een mens blijft een zwak wezen, tot compromis geneigd. Het Evangelie openbaart zich. Jezus' val en opstanding. Dit is het kritische in ons leven.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Mattheüs 26 : 1-5LarenMattheüs 27 : 27-31 →