Mattheüs 13 : 3-9
Het is een hele bekende gelijkenis van Jezus. Een hele bekende beweging op 't land. In 't voorjaar en in 't najaar. Jezus heeft er ook vaak naar gekeken. Men merkt het. 't Is één van die werkzaamheden die ten grondslag liggen aan de hele maatschappelijke orde. 't Is een machtig werk. Grond, zon, regen, wind en een mens, die daarover schrijdt. In zijn eenvoud is het een geestelijk ding. Jezus ziet er veel in.
Een zaaier ging uit om te zaaien. En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij de weg; en de vogels kwamen en aten datzelve op (vs. 3 v.).
Dat is een korte historie, waar niet veel meer van te zeggen valt. Daar komt niet veel van terecht. 't Is afgelopen. Een zaadkorrel die een geschiedenis achter zich heeft van eeuwen, van de schepping af, die een geslachtsboom heeft, die tot het eerste uitspruiten van het groene kruid toe loopt. Z'n familie heeft de volkeren van de hele aardbodem gevoed. Hij is van goede familie, van oud geslacht. En nu wordt hijzelf gezaaid, het achterkleinkind van zovele geslachten. Hij zal de aarde aanraken en nakomelingschap hebben, dertig-, zestig-, honderdvoud. Maar toevallig valt hij op de weg. Hoe is 't mogelijk? Hoe jammer. Een vogel komt en pikt het weg, en uit is het met het zaad. Zo ging het met een deel.
Nu denk ik aan een Woord van Jezus, aan de prediking. Hoe verre reis heeft dat Woord gemaakt. Van hoe hoog is het op aarde neergedaald. De raad Gods heeft gedacht van eeuwigheid tot eeuwigheid. En door die raad des vredes wordt het Woord vlees en heeft onder ons gewoond (Joh. 1 : 14).
"Men had hem eeuwen lang verwacht, totdat Gods tijdperk was volbracht; toen zond Hij ons van zijnen troon het heil der wereld, zijnen Zoon."
Toen luidde de roep: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Mt. 3 : 2). En straks: Predikt het Evangelie aan alle creaturen (Mk. 16 : 15). En dan wordt dat Evangelie alle eeuwen door gepredikt, totdat de aarde vol is van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken (Jes. 11 : 9). Eén van die zaadkorrels valt ook in uw hart, van de goede woorden van Jezus Christus. Wat een voorbereiding, wat een hoogte en diepte en breedte in de liefde Gods. Wat een eeuwigheid is er nodig geweest voor dat ene woord, die ene korrel; wat een eeuwen om het naar u toe te brengen. Zult gij het op een hard hart, een stenen plek in uw leven laten vallen en zult gij toelaten dat het dan weggepikt wordt?
Een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had. Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden en omdat het geen wortel had, is het verdord (vs. 5 v.).
Hier wordt onze aandacht getrokken, niet zo door het noodlottig verlies als wel door de wijze, waarop het verloren gaat. De harde grond van deze wereld neemt het hemelse zaad even op. Er is een dunne humuslaag op diens bol, de harde bikkel die mensenleven heet. Dat hij hard is, is geen wonder. Het leven en het lot maken hem zo. En de zonde heeft er de laatste hand aan gelegd. Het wonder in deze zondige wereld is niet, dat de hemelse zaadkorrels er niet dadelijk wortel schieten, maar dat er een humuslaag is. Dat er in de harten enige opname is. Iets in een hart dat geen steen is. Een zachte kant, waar een goed woord, een heilige gedachte een poosje liggen kan, zonder weggepikt te worden.
Dat dat zo is, merkt men als de invloed van het Evangelie ergens taant, als een mens op zijn zondig wezen bevestigd wordt, vooral als de harten samen zich harden tegen het Evangelie, tegen hoger gedachte in. Hoe is het mogelijk dat er dan ergens nog een zachte rand kan bestaan, waar 't woord van Jezus in dringt, en eventjes ontspruit en opgaat. Zelfs het begrip schijnt soms totaal te ontbreken. De taal laat de betekenis niet in. Genade - zonde - geloof - hoop, wat zijn dat voor vreemde woorden? Men kijkt vreemd, is verlegen, weet geen aanpassing te vinden.
De korrel ligt op de weg. Maar zie, daar zakt hij iets weg. Er is enig besef, <... > levenszin, enige schaamte, enig schuldgevoel, enige heilbegerigheid. Dat is een wonder op zichzelf. Maar hoe vaak is het een rand. Het leven, de zon, de hitte des levens weet de steen te raken, die eronder schuilt. En het zaad in de smalle rand is dood, voordat er van enige mogelijkheid sprake kan zijn.
Een ander deel viel in de doornen en de doornen wiesen op en verstikten hetzelve (vs. 7).
Hier is grond. Het zaad kan zakken. Het kan wortel schieten. Hier is een hart dat het kan opnemen. Hier is geestelijk besef. Jezus' woord en der apostelen uitlegging wordt verstaan. De onheiligheid des harten schijnt gebroken. Er is geestelijk leven mogelijk. Maar dan is er meer wat in 't hart valt. Er komt zoveel in 't mensenleven. Wat slaat er al niet door in de gedachten! Wat een gisting in een hart. Hier keert het hele probleem terug. Niet naar zijn uitwendigheid, maar naar zijn innerlijkheid. Hier is het erger. 't Is niet zo koud, zo onmogelijk. Hier zijn mogelijkheden, maar juist daarom: wat een mogelijkheden van ongeestelijk ongeloof, haat, nijd, tweedracht. Wie zal hier vrucht verwachten?
Hier wordt het een wonder, niet dat het hart een zachte rand toont, een geestelijke humuslaag voor het hemelse zaad, maar dat het, als het het zaad heeft opgenomen, wasdom mogelijk doet zijn. Dit ene goede zaad, vindt het goede bodem? Wat schuilt er in die bodem voor onkruid? Duizend mogelijkheden van verstikking tegen één van groei. Welig tiert...
En een ander deel viel in de goede aarde en gaf vrucht, het één honderd-, het ander zestig-, en het ander dertigvoud (vs. 8).
Daar is het goddelijke wonder: niet alleen het goede zaad, maar ook de goede aard. Dit harde mensenleven, dit wezen, dat met de holenbeer heeft saamgewoond, dat soms ineens het moordenaarshemd aantrekt en als een kudde wilde dieren zich een bestaansweg baant met zijn vuisten door de struiken van het leven, dit wezen zou vatbaar zijn voor een woord uit de hemel? Het zou een gezicht hebben op dingen, die niet van deze wereld zijn? Het zou een hart kunnen hebben waar goede woorden, goede werken <uit> voortkomen? Het zou geloof, hoop en liefde als hemelse gaven kunnen opnemen, en ze vermenigvuldigen dertig-, zestig- en honderdvoud, als de graankorrel op de akker? Wij zien het wonder geschied.
"U looft d' apostelschaar in heerlijkheid, o Heer!
Profeten, martelaars vermelden daar Uw eer. ⚑Door heel Uw kerk wordt steeds, daar boven, hier beneden, in strijd en zegepraal, Uw grote naam beleden."
Jezus is de Zaaier.