O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Lukas 4 : 1-13LarenLukas 6: 12-16 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 294–297

Lukas 4 : 1-13

Tweemaal eerder komt in de bijbel een vasten van veertig dagen voor, bij Mozes en Elia. Driemaal dus, op de hoogtepunten van de goddelijke openbaring. De eerste keer, toen Israël de wet ontving. De tweede keer: Jehova of Baäl. De derde keer, toen Jezus zijn werk begon.

Wat zou de betekenis zijn van dat vasten? Jezus zegt het zelf bij de eerste verzoeking: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat uit de mond Gods uitgaat (vs. 4; Mt. 4 : 4). God maakt een opening in het dagelijks leven, in het regelmatig eten van het dagelijks brood. De eerste maal breekt de wet door, de tweede maal de profetie, de derde maal het Evangelie. Dat zijn geen kleine dingen. En het is niet vreemd dat het dagelijks brood, de tweede helft van het Onze Vader, veertig dagen stilstaat voor de eerste helft, de heiliging van Gods Naam, de komst van zijn Koninkrijk.

In de grote levens der grootste bijbelheiligen is er plaats voor zulk een vasten. Onze protestantse kerken hebben helemaal met het vasten gebroken. God legt in onze dagen aan heel veel mensen een onvrijwillige vasten op. En nu komt het Evangelie tot ons, juist in deze dagen, met de verkondiging van Jezus' vasten, veertig dagen lang, in de woestijn.

Zo hongerde Hem ten laatste, lezen wij (vs. 2). En onze gedachten worden vermenigvuldigd. Jezus kent ook de honger, evengoed als de dood. Maar in het Evangelie staat het vasten, de honger, aan de ingang. Het is een voorbereiding voor het Evangelie. Jezus werd door de Geest in de woestijn geleid (vs. 1). De eisen van het lichaam worden veertig dagen achterop gesteld, om des Geestes wille, om het Evangelie. En straks, aan het einde, komen veertig dagen dat eten en drinken voor Hem niet meer nodig is. Dan is het eten en drinken met zijn discipelen voor Hem tot een Avondmaal geworden.

Gedurende die veertig dagen vasten is Jezus van de duivel verzocht geworden. Het is de tijd geweest van Jezus' innerlijke voorbereiding voor zijn optreden in het openbaar. Het Evangelie zijner prediking heeft toen zijn vorm gekregen. Zijn leven is de Vader toegewijd.

Wij naderen met heilige schroom tot die veertig dagen. Niet nieuwsgierig, maar begerig willen wij vragen naar het heilsgeheim, dat zij besluiten. Niet met eigenwaan of eigenwijsheid willen wij wat op de hoogten des Geestes Gods plaats heeft, meten met de maatstaf van ons leven in de laagte en de vlakte; Jezus' vasten niet beoordelen naar onze goede eetlust of gastronomie; zijn veertigdaagse inkeer in de Geest niet naar onze veertig dagen, misschien zonder enig waar gebed. Wij willen gelovig en ootmoedig de verkondiging van het Evangelie beluisteren. Deze veertig dagen in de woestijn zijn geen stukje van ons leven, maar van het leven van Hem, van wie Johannes de Doper zei: Ik ben niet waardig zijn schoenriem te ontbinden (Lk. 3 : 16).

De grote Russische schrijver Dostojewski werd in zijn jongere jaren om een politiek vergrijp ter dood veroordeeld. Met de uitvoering van dat vonnis werd begonnen. Geblinddoekt wachtte hij de noodlottige kogel af. Op dat ogenblik werd hij begenadigd. Wie zijn werken wil verstaan, moet rekening houden met wat in zijn ziel omging in die ogenblikken. De felle tegenstelling van leven en dood, schuld en boete, waartussen een afgrond gaapt, heeft hij leren kennen bij het bliksemlicht van dat ene ogenblik. En dat weerlicht is van zijn geest niet weer geweken.

Het hele Evangelie van Jezus Christus - van zonde en vergeving, ellende en barmhartigheid, armoede en Koninkrijk, treurigheid en vertroosting, honger en verzadiging, zachtmoedigheid en erfenis (Mt. 5 : 3-6), dood en opstanding - is verborgen in de veertig dagen van Jezus' verzoeking in de woestijn. Toen ging het om de gang, de loop van het Evangelie, het pleit tussen God en Satan. In de drie verzoekingen liggen de drie dwaalwegen naast het Evangelie afgewezen. Laten wij zien welke het zijn.

De drie verzoekingen zijn, als de gelijkenissen: verborgenheden. Wij kunnen trachten 'in te zien'. Het zijn geen uitgewerkte lessen, maar spiegels, waarin het geloof kijkt; raadsels, waarin het zich verdiept.

Satan raadde Jezus van stenen brood te maken, als Hem hongerde (vs. 3). Als Hij de Messias wilde worden, dan was dit een weg. Dadelijk, op 't zelfde moment, zou het er zijn. Dan kon Jezus het zaaien, het maaien, het oogsten, het malen, het bakken overslaan. Hij zou zijn als de vogelen des hemels, die niet zaaien en niet maaien. Heeft Jezus dat zelf later ook niet gezegd: Uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve (Mt. 6 : 26)? Maar dan zou Jezus zich buiten het mensenleven plaatsen, buiten het wachten op de wasdom, de zorgen van het dagelijks brood, de honger ook en de hongersnood. Hij wil de weg des geloofs gaan, een Heiland wezen: in Gods lange weg blijven en de weg der Schriften, der profetie gaan. Hij antwoordt: Er staat geschreven: de mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat uit de mond Gods uitgaat.

Het is een verzoeking van Satan, om onze eerste en voorste begeerten voorop te stellen in Gods koninkrijk. Uw wil geschiede, hebben wij gebeden in het Onze Vader, en dan komt pas de bede om het dagelijks brood. Het is ook een verzoeking van Satan om onze eerste, kleine, menselijke begrippen als voorwaarde te stellen voor Gods raad en werk.

Wat ons uit de verborgenheid van Jezus' verzoeking hier tegenkomt, is de bereidheid de weg van het mensenleven te gaan; met ons de zorg van het dagelijks brood te delen; de noden des levens te ondervinden; een leven te leiden, waarin plaats is voor wachten, geloven, hopen en daarmee voor de liefde.

Dan leidde de duivel Jezus op een hoge berg, en toonde Hem alle koninkrijken der aarde in een ogenblik tijds; en de duivel zei tot Hem: Ik zal U al deze macht en heerlijkheid dier koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze wie ik ook wil. Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles uwe zijn. En Jezus antwoordende, zei tot hem: Ga weg van Mij, Satan; want daar is geschreven: Gij zult de Here uw God aanbidden, en Hem alleen dienen (vs. 5-8).

Dit is een heel andere verzoeking. Alweer zien wij in een verborgenheid, in een spiegel. Wij raden naar een raadsel, zoals Paulus het noemt (vgl. 1 Kor. 13 : 12, Leidse Vert.). Wij horen het gedruis van een felle worsteling tussen Jezus en de boze. Wij voelen een sterke spanning tussen tweeërlei geest. Het is de grote tegenstelling des bijbels: wie er koning zal zijn in dat zorgenleven der mensen. ⚑Wie zal de wachtende, gelovende, hopende regeren: Jehova of Baäl, God of de Mammon? Wie zal koning zijn in dit angstige leven? Jezus wil alle macht van de Vader in de hemelen hebben. Hij wil de weg der Schriften gaan. De God der barmhartigheid, der schuldvergeving zal regeren en Hem zal Jezus dienen.

Er blijft nog één weg over, waarin Satan Jezus kan leiden. Als Hij God wil dienen, de weg der Schriften gaan, dan kan Hij toch zelf zijn teksten kiezen, zijn eigen weg afbakenen. Daarom leidde Satan Hem naar Jeruzalem en stelde Hem op de tinne des tempels en zei tot Hem: Indien Gij de Zoon Gods zijt, werp Uzelve van hier nederwaarts; want daar is geschreven, dat Hij zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen en dat zij U op de handen nemen zullen, opdat Gij uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot. En Jezus antwoordende, zei tot hem: Daar is gezegd: Gij zult de Here uw God niet verzoeken (vs. 9-12).

Daar staat Jezus te Jeruzalem, de stad, die de profeten doodt (Mt. 23 : 37). Hij zal de weg der Schriften gaan, de weg van het gehoor, het geloof; niet de weg der ogen, der koninkrijken. Hij zal de raad des Vaders volbrengen. De moeilijke weg der profetische teksten. Van het Lam dat stom is voor wie het scheren; van Hem die door zijn striemen onze genezing zal worden (Jes. 53 : 7, 5). Maar er zijn ook wel gemakkelijker teksten. Dat is de verzoeking: de engelen die Hem op de handen dragen (Ps. 91 : 11 v.). Wie zal de teksten uitzoeken: God of Hijzelf; dat is nu de boze.

Daar ziet Jezus van de tinne des tempels Golgotha liggen, de hoofdschedelplaats. Zal Hij neerstrijken als een engel op de tempelplaats om zich te laten huldigen? Of zal Hij de lange, smartelijke weg gaan van Bethanië over Gabbatha naar Golgotha?

Wij zien in een spiegel. Wij horen spreken in raadselen. Maar zoveel verstaan wij ervan, dat Jezus weer de weg der mensen, nu niet der engelen, zoals straks niet die der vogels, maar der mensen, zo nu niet der engelen, maar der mensen gegaan is, om ons te kunnen redden. Allen dan die zich op deze weg bevinden, hongerigen, verdrukten, kruisdragers, stervenden, allen mogen zien in deze verborgenheid van Jezus' drie verzoekingen. Allen mogen raden naar dit raadsel des geloofs. Dat is onze Koning.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Lukas 4 : 1-13LarenLukas 6: 12-16 →