O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Lukas 24 : 1-11LarenLukas 24 : 21 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 325–327

Lukas 24 : 13-35

Op de eerste zondag liepen twee mensen van Jeruzalem naar een plaatsje Emmaüs, een paar uren van Jeruzalem. Wie waren het? Ze geloofden niets van wat er in de vroege morgen gebeurd was, niets van de opstanding van Jezus. Ze wisten alles van Jezus' kruisiging en begrafenis. En ze spraken over die dingen, de hele weg langs, zoals men praat over dingen waar men belang in stelt. Waar 't hart vol van is...

Jezus was naar Jeruzalem gekomen, en zij hadden gedacht dat Hij Israël verlossen zou (vs. 21). Eerst had Jezus gepredikt, en vele mensen genezen en wonderen en tekenen gedaan. En dat was in Galilea, ver van Jeruzalem. Maar toen was Hij naderbij gekomen, langs Jericho naar Jeruzalem, naar de hoofdstad. En toen hadden ze gedacht dat het gebeuren zou. God zou Hem helpen, en Hij zou Israël helpen. En alles zou gebeuren wat de profeten gesproken hadden. En dan zou Israël het volk van God zijn. En alle heidenen zouden het zien en zouden erkennen, dat Israëls God de God van de hele wereld was.

En nu was Jezus gekruisigd. En God had Hem verlaten. En Hij lag al drie dagen in 't graf. De hoop was voorgoed uit. 't Waren een paar moedeloze en droevige mensen.

En dan komt er iemand naast hen lopen, een derde man, maar ze kenden hem niet. Hun ogen werden gehouden dat ze hem niet kenden (vs. 16). Jezus met ons op de weg. En wij met onze eigen gesprekken bezig. Als de gesprekken dan over Jezus zijn - spreekt ge wel eens over Hem? Als ge met z'n tweeën of meer op de weg zijt? Vreemde vraag. Over Jezus praten, over Jezus denken: in sommige levens is dat vreemd. Onder christenen ook. Gedoopt in Jezus' naam, onderwijs in het Evangelie. Leven, sterven, zonde, schuld, vergeving, opstanding, zijn dat vreemde onderwerpen?

Deze twee wandelaars hebben belang bij Jezus. De medewandelaar zei tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkaar verhandelt, en waarom ziet gij droevig? En één wiens naam was Kleopas zei: Zijt gij alleen een vreemdeling in Jeruzalem, en weet niet de dingen die dezer dagen daarin geschied zijn (vs. 17 v.)? Of hij 't niet weet, zeiden ze. Of Jezus het niet wist! Hij, die zelf gekruisigd was. Want zij wisten niet dat Hij het was. Hun droefheid maakte hen blind. Ze waren zo gewichtig. Leven maakt blind als het blijde geloof er niet is. Leven is droevig werk als het blijde geloof er niet is. Ze hadden alles meebeleefd, en wisten er niets van wat ze beleefd hadden. De zin, de betekenis was hun niet duidelijk. Er zijn sommige vogels, die men overdag nooit ziet. Als 't donker wordt, ziet men ze. Zo is een mens zonder geloof. Ze hebben hun ogen niet open. Ze hebben oren en horen niet, ze hebben ogen en zien niet (Mk. 8 : 18).

De onbekende vroeg nu welke dingen zij bedoelden. En zij weer: De dingen aangaande Jezus de Nazarener, welke een profeet was, krachtig in werken en woorden voor God en al het volk. En hoe onze overpriesters en oversten dezelve overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben (vs. 19 v.). Jezus wist dat alles. Hij had het zelf ondergaan. En God wist het. Hij had zelf besloten dat het geschieden moest. En nu laat Hij hen zelf vertellen. Waarom toch? Hij wil het hart beproeven. Een mensenhart moet zich uiten. Men moet zeggen wat men ervan denkt. Deze dingen zijn ook in het leven. Men moet erover spreken. Anders sterven ze af. En dan laat Jezus hen uitspreken. Zij spreken hun ongeloof uit. En ze vertellen van de vrouwen, die bij 't graf geweest zijn. Ze hebben hen ontsteld, hen in de war gebracht; maar niet gelovig gemaakt. Ze zeggen dat Hij leeft. En anderen zagen wel het lege graf, maar Hem zagen zij niet (vs. 22 vv.). Daar komt het nu juist op aan: Jezus te zien. 't Lege graf kan ons niet zalig maken.

Maar dan gaat Jezus hen bestraffen: O onverstandigen en tragen van hart (vs. 25). Ze hadden toch hun bijbel kunnen lezen. Zo onkundig van de geestelijke dingen behoefden ze niet te zijn. Ze hadden het boek zelf in huis, of ze konden er in de synagoge, de kerk van horen. Wisten ze dan niet dat de Christus lijden moest (vs. 26)? De bijbel, de Schriften en de mensen. Er zijn mensen van één boek compleet. Er zijn er ook van vele boeken, die 't éne boek niet kennen.

Zo legde Jezus de Schriften uit, dat ze geloofden. 't Is een aanwijzing naar het eeuwige leven. De bijbel leert de geestelijke dingen verstaan. Dat was een verandering bij die twee jongeren, Kleopas en de andere. Zo onder 't lopen door, onder 't luisteren door, veranderde alles in hun hart. Hun hart was brandende (vs. 32). Ze begrepen de zin, de betekenis van Jezus' lijden.

Dan komt Emmaüs. De weg is hun niet lang gevallen. Ze vragen Jezus met hen te blijven die nacht. Maar nog kenden ze Hem niet. En dan, bij de avondmaaltijd, als Jezus het brood nam en het zegende: dan zien ze dat Hij het is. Maar dan is Jezus weg (vs. 30 v.). Hij leert hen geloven.

Wij kunnen Jezus ook niet zien. Wij moeten door de Schriften in Hem leren geloven, geloven met het hart, belijden met de mond.

Weer gaan ze over Jezus spreken, maar nu anders: met blijdschap. Net andersom: van Emmaüs naar Jeruzalem. En dan ontmoeten ze de andere discipelen. En dan de blijde uitroep: De Heer is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien (vs. 34)! Dat is een dienst, zoals wij die houden. Maar wij kunnen hen niet nadoen. 't Moet uit geloof geboren worden.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Lukas 24 : 1-11LarenLukas 24 : 21 →