O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Lukas 24 : 1-11LarenLukas 24 : 13-35 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 322–325

Lukas 24 : 1-11

Zoals bij het kruis God en mens elkaar ontmoeten: de mens met z'n zonde, God met z'n gerechtigheid, zo bij de opstanding nog eens: de mens met z'n dood, God met z'n opstanding en eeuwig leven. Van de ene zijde naar de andere is geen overgang. Er is geen brug uit de tijd naar de eeuwigheid, geen brug van de dood naar het leven. Evenmin als uit de zonde naar de gerechtigheid. De overgang van zonde naar gerechtigheid heet vergeving. Die van dood tot leven heet opstanding. Wij geloven beide. Ik geloof (Twaalf artikelen) de vergeving der zonden, opstanding des vleses. Samen zijn ze het eeuwige leven.

Laten we zien hoe op de opstandingsmorgen God en mens elkaar ontmoeten; de dood en het leven. Op de eerste dag der week, zeer vroeg in de morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen die zij bereid hadden (vs. 1). De zin van deze handeling is zo duidelijk mogelijk. Deze vrouwen gaan Jezus balsemen. Wat is balsemen? Het is conserveren, Jezus goed houden, zijn lichaam bewaren voor vergankelijkheid, dat het lijk blijft zoals het is. Het is de dood nog doder maken dan hij is, alle verandering uitsluiten. In de vergankelijkheid is nog hoop op leven. Het tarwegraan in de aarde (vgl. Joh. 12 : 24). Maar de bewaarde, voor verderf behoede korrel kan niet opstaan. Zeker, er ligt een hope der opstanding aan ten grondslag. Maar het is een hoop op lange termijn, een wissel op de eeuwigheid. Balsemen, dat is wedloop met de tijd. Zo liggen thans nog Egyptische mummies in de koningsgraven. Wij tellen met ontzag drieduizend, vierduizend, soms bijna vijfduizend jaren. Maar wat is dat bij de eeuwigheid?

Dat gaan de vrouwen doen: een wedloop met de tijd aangaan. Eigenlijk is bedoeld een wedloop met de eeuwigheid. De dode goed houden, totdat de eeuwigheid komt. Maar het is de tijd doen duren. En dat is een dood, die nog doder is dan de dood zelf. Daar zien wij ze gaan op de paasmorgen om het dode lichaam van Jezus goed te houden, dat is dood te houden, de dood te doen duren. Zelfs de dood te doen duren.

Op de paasmorgen, op de eerste dag der week, de eerste zondag der wereld, vroeg in de morgen, gaan deze vrouwen, als vertegenwoordigers der mensheid, Jezus balsemen. Als het Evangelie daarmee eens uit was geweest: een gebalsemde Jezus. Dan waren er geen Emmaüsgangers teruggekeerd naar Jeruzalem. Geen Thomas was de twijfel ontnomen, geen Paulus op weg naar Damascus tot apostel geroepen. Dan vierden we heden geen Pasen.

Maar Pasen is ontmoeting van God en mens. Het leven heeft de dood ontmoet, zoals op Golgotha de vergeving de zonde. Als God de dood ontmoet, blijft er niets van over. Er is van de specerijen geen sprake meer. De vrouwen dachten aan de poort van het graf te komen, en ze komen aan de poort des hemels. De grafsteen is afgewenteld (vs. 2). Hoort, gemeente, het Evangelie: De moordenaar in het paradijs, en de grafstenen afgewenteld. De zonde verzoend. De dood overwonnen.

De vrouwen dachten een dode te vinden, de dode een lang leven te geven, een lang doodsleven. Maar zie, zij vinden de dode niet: ingegaan zijnde vonden zij het lichaam des Heren Jezus niet (vs. 3). In plaats vinden ze twee mannen in blinkende klederen, die tot hen zeggen: Wat zoekt gij de levende bij de doden (vs. 4 v.)? Hier stoten twee werelden op elkaar: de wereld des doods en de wereld des levens. En de ene begrijpt de andere niet. Het woord van Jezus over de God van Abraham, Isaäk en Jakob: God is niet een God der doden, maar der levenden (Mt. 22 : 31 v.). De Vader van onze Here Jezus Christus is niet de Vader van een gebalsemde mummie. Wat zoekt gij de levende bij de doden? Dat is Pasen.

Pasen is meer dan herleving in de kringloop der natuur; dat is duur en dood. Pasen is meer dan onsterfelijkheidsgedachte; dat is ook duur en dood. Pasen is opstanding. Het is geen duur, maar ophouden. Het is het eind van deze wereld der zonde en des doods, en het begin van de wereld van gerechtigheid en leven. Het is God die de mens ontmoet. Waar Hij begint, daar houdt de dood op. En wat is ons leven anders dan een gestadig sterven?

Jezus' vernedering is uit, z'n vernietiging heeft plaatsgehad. Nu komt de verhoging. Maar dat is geen voortduren van de vernietiging en vernedering. Het is het ophouden daarvan. Wat zoekt gij de levende bij de doden?

Gemeente, als wij op onze manier het eeuwige leven zouden moeten beërven, wij zouden lang wachten. Hoe lang zoudt ge uw best moeten doen voor ge heilig waart? Wat is uw deugd anders dan het balsemen van uw zonden? En hoe lang zoudt ge moeten klimmen om uit de diepten des doods de hemelladder te beklimmen? Hoe lang zou dit tijdelijk leven moeten duren voor het eeuwig werd?

Ik weet niet of gij mij begrijpt? Dat onze zonde niet kan duren tot ze gerechtigheid wordt, weet gij; ons lichaam niet te balsemen, begrijpt gij. Maar toch laten we de gedachte van balsemen niet zo gemakkelijk los. Wij willen toch graag iets laten duren. Wij doen niet helemaal afstand van een brug tussen God en mens. Wij vergeestelijken graag de opstanding. De opstanding des vleses heeft iets ergerlijks, evenals de vergeving der zonden. Daarom staan ze beide in de Twaalf artikelen. Dat is God tegenover de mens.

Gaarne maken wij een brug, iets wat duurt, wat de dood overwint. Wij hebben daarvan geen duidelijke voorstelling. Wij spreken van de ziel, die 't lichaam verlaat. Men tekende het af als een vlinder. Men denkt zich iets als een geest en schim. Die duurt. Die overduurt de zonde, die overduurt de dood. Hier wijkt de ergernis. - Wij ergeren ons allen aan God. - De ziel neemt de zonde dan niet mee. Die ziel kan de dood doorkomen zonder God.

Hier raken we vlak aan de heidenen. Dan is het lichaam het kwade. Dan is de dood verlossing, en de vergeving niet nodig, en de opstanding niet nodig. Zonde en dood blijven achter. En het leven, dit leven duurt voort. Wij gaan tot God, en God hoeft niet bij ons te komen. Wij balsemen dit leven en conserveren het voor de eeuwigheid. Maar weet gij zeker, dat wat gij zo vergadert, dat eigen geestelijk bezit, dat het niet door mot en roest verteerd wordt (vgl. Mt. 6 : 19 v.)? Is er iets aan u, dat geen vlees is, vlees als gras (vgl. Jes. 40 : 6)? Is er een opstanding, anders dan als ontmoeting met God? Het Woord Gods blijft (vgl. Jes. 40 : 8).

Bij opstanding is het zedelijke 't eerste. Opgewekt tot onze rechtvaardigmaking (Rom. 4 : 25), opwekking nieuw geestelijk leven. Dan pas een zalige opstanding.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Lukas 24 : 1-11LarenLukas 24 : 13-35 →