Lukas 24 : 1-10
Op de eerste dag der week, dat is op de eerste zondag, stond Jezus op uit het graf. Gedenkt de sabbatdag dat gij die heiligt, had God tot Israël gezegd. Want in zes dagen schiep God de hemel en de aarde, en Hij rustte op de zevende dag (Ex. 20 : 8, 11). Gedenkt de zondag dat gij die heiligt, spreekt God tot het nieuwe Israël, de kerk van Jezus Christus. Want op de eerste dag der week is Christus uit het graf opgestaan. Daarom moet de christelijke gemeente de heiligheid van die dag bedenken. Op Pasen vieren wij de heiligheid van iedere zondag. Aan het begin van iedere week vieren wij de gedachtenis van Christus' overwinning over de dood. Het Hoofd van de gemeente, onze Heer, is aan die dood niet meer onderworpen. En wij, zijn leden op de aarde, zijn het, als wij door het geloof met Hem verbonden zijn, ook niet meer.
Dat predikt ons iedere eerste dag der week, opdat wij het alle verdere zes dagen ook goed zouden weten: dat wij geen kinderen des doods zijn, maar een nieuw leven ontvangen hebben. Geen kinderen der duisternis, maar kinderen des lichts. Daarom moet iedere zondag ons leren de dood en de duisternis te vlieden, en het licht en het leven lief te hebben, de werken der duisternis te haten.
Zo wil het Evangelie dat ons hele leven, alle zes dagen der week, in het paaslicht zullen staan. De morgen der opstanding zal erover lichten. Ons Hoofd is in de hemelen en zit aan de rechterhand Gods (Mk. 16 : 19) en Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Mt. 28 : 18). Met Hem zijn wij opgestaan uit het graf, ons zondengraf. En de dood is voor ons nu niet meer een straf voor de zonde, maar een doorgang tot het eeuwige leven. Dat is een evangelie, een goede boodschap. Wanneer gij vraagt: Is dat nu werkelijk zo?, dan moet gij dat niet aan uw naaste vragen en ook niet aan uzelf, maar aan God. Aan uzelf niet, want uw geweten werkt de vreze des doods in uw leden en gij zijt aan de vergankelijkheid onderworpen (vgl. Hebr. 2 : 15). Maar God zegt het u door het Evangelie en daarom moogt gij het geloven. Maar daarom ook alleen.
Lees maar in ons tekstverhaal: Op de eerste dag der week, zeer vroeg in de morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen die zij bereid hadden, en sommigen met haar (vs. 1). Daar gaat, nog wel in de vroege morgen van de eerste zondag, de droeve stoet van de vrouwen. Wat doen zij? Zij dragen de specerijen die zij bereid hadden. Voor hen is de dood wel dood. Met die specerijen willen ze de dood bestendigen. Opstanding zit er niet in. Alleen een zeker verzet tegen de dood, meer niet.
Verzet tegen de dood zit er genoeg in ons. Ons hele wezen verzet zich. Het is het sterkste verzet dat er is. Maar het is een vergeefs verzet. Het is geen overwinnen van de dood. Pasen van onze kant, dat is specerijen dragen. Nutteloos verzet tegen de dood.
Wanneer gij wilt weten of de dood een doorgang tot het eeuwige leven kan zijn, dan moet gij het aan God vragen. En God zal u antwoorden met de woorden van het Paasevangelie: En zij vonden de steen afgewenteld van het graf; en ingegaan zijnde vonden zij het lichaam des Heren niet (vs. 2 v.). De doodsgedachten van de vrouwen komen niet uit. Daar begint Gods antwoord mee.
De dood noemen de mensen het meest wisse wat hen overkomt. En toch is hij niet helemaal wis. Zekerheid heeft alleen het geloof. Onze vrees, onze angsten, onze doodsgedachten, onze neerslachtige berekeningen midden in de zonde krijgen nooit volle zekerheid. Geloof en zekerheid horen bij elkaar. Ongeloof en twijfel zijn een paar. Onze ongelovige berekeningen komen nooit helemaal uit. Zij passen niet op de wereld, omdat zij niet op God passen. God is een Vader, die zijn kinderen verrassingen bereidt. Hij is God, Liefde, die sterker is dan de dood. In het leven blijft zulk een rest over, waarin wij ons vastklemmen in onze meest neerslachtige tijden. Als het uitkwam met de dood, dan was God er niet.
Gij moet kiezen tussen God en de dood. Ongeloof, twijfel, onzekerheid, dood: dat is de ene reeks. Geloof, zekerheid, blijdschap, God: dat is de andere.
En zij vonden de steen afgewenteld van het graf; en ingegaan zijnde vonden zij het lichaam des Heren niet. Dat lichaam des Heren, een lijk, hadden zij gedacht te zullen vinden. Het komt niet uit. God is geen God der doden, maar der levenden (Mt. 22 : 32). De engelen zijn ook verbaasd over de logica des doods. Zij vragen straks: Wat zoekt gij de levende bij de doden (vs. 5)? Voor hen is het geloof vanzelfsprekend. Het komt overeen met de hemelse wetenschap. De aardse wetenschap is zo vaak verwant met ongeloof. Ons ongeloof komt nooit uit. Onze wetenschap ook niet. Er blijft altijd een onverklaarbare rest. Het element van verrassing kunnen wij niet uitschakelen. God houdt zijn vrije hand in de dingen. Ja, zegt uw hart, dat moet wel. Als er een God is en een wereld; en als God naar zijn vrije wil toen het Hem goeddacht de wereld schiep, dan moet Hij de vrije hand wel houden.
Maar houdt Hij de vrije hand niet in de dood? Hier komt onze wetenschap in grote moeilijkheden. Het ongeloof baart twijfel en de twijfel kiest voor de dood en niet voor God. Hier kan alleen het Evangelie helpen. God heeft ook de vrije hand in de dood, zo predikt ons het Paasevangelie. Dat is de vrolijke wetenschap, die de engelen aan de vrouwen verkondigen. De hemelse kennis staat verwonderd over de onkunde der aardse gedachten. Deze blinkende gestalten, die gekomen zijn uit het hemelse licht, zijn getuigen Gods, dat Gods liefde sterker is dan de dood.
De steen wordt van het graf afgewenteld. Ook de steen van het hart. Gij kunt weer ademhalen. Er is weer ruimte voor het geloof. Iedere week komt het terug. Op de eerste dag blaast God weer de adem des levens in uw neusgaten. Dan hebt gij weer moed om te leven en ruimte om te werken.
Herinnering. Dat God de vrije hand houdt tegenover de dood, weten wij eigenlijk wel. Nooit heeft ons hart, waarin God de eeuwigheid gelegd heeft (vgl. Pred. 3 : 11), de hemelse kennis helemaal vergeten. De vrouwen, zo lezen wij, werden ook indachtig de woorden van Jezus, dat Hij gekruisigd moest worden en ten derden dage weder opstaan (vs. 7 v.). Maar het is geen natuurlijke herinnering, zoals Plato leerde. De zonde is tussenbeide gekomen en heeft ons van de ware kennis beroofd. Het is geen verstandskennis waaraan het ontbreekt, maar kennis van het hart. Wanneer het hart gezond wordt, keert de herinnering terug. Als de zonde vergeven is, leert gij zien dat de liefde Gods sterker is dan de dood. Tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien (Joh. 3 : 3). Het oog moet eerst eenvoudig zijn, het hart rein.
Het geloof in de opstanding is geen redelijk inzicht, maar een hartelijk vertrouwen, zoals het geloof aan de vergeving der zonden. Daarbij moeten wij ook de twijfelingen des harten overwinnen. Zo is het ook bij het Paasevangelie. Zo Jezus op Golgotha: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Mt. 27 : 46)? En nu komt het antwoord des Vaders. De zonde is de grote hindernis. En de zonde is in het Evangelie de wolk, die het kruis van de opstanding scheidt. Het is Gods antwoord op het kruis, dat de verzoening brengt.