Lukas 22 : 66-71
Jezus voor de Joodse raad. Dat is het eerwaardig college, dat vijftien of meer eeuwen van Mozes af vertegenwoordigde. Zij waren gezeten, zo heet het elders, in de stoel van Mozes (Mt. 23 : 2). De overlevering van eeuwen gaf steun aan hun uitspraken. Van geslacht op geslacht beriep de ene rabbi zich op de ander, zijn voorganger. Wanneer de raad gesproken had, was het alsof alle priesters en profeten, Aäron, Jesaja, Jeremia, Ezra, hun mening hadden te kennen gegeven. Het was alsof in de christelijke kerk Paulus, Augustinus en Luther hun mening hadden gezegd. Alsof er een uitspraak was gevallen van de synode van Dordrecht. Voor deze kerkvergadering, deze synode wordt Jezus gebracht om geoordeeld te worden.
En nu is er een oude brandende vraag, een vraag waar het bestaan van het hele Joodse volk om draait, de vraag: Wat dunkt u van de Christus (Mt. 22 : 42)? Hoe zal de Messias zijn? Waar zal Hij geboren worden? Wanneer zal het zijn? Soms werd die vraag dringend. Dan luidde hij: Is hij de Christus (vgl. Joh. 4 : 29)? Of zelfs: Zijt Gij de Christus of verwachten wij een andere (Mt. 11 : 3)? Dat was de vraag, die Johannes de Doper aan Jezus zelf gesteld had. Maar eigenlijk gaat het in Israël altijd om die vraag. Het is het brandend verlangen, dat de profeten uitroepen en waarvan de Psalmen zingen, het verlangen naar het koninkrijk Gods, de gezalfde Koning over Sion.
Het is een grote zaak, als een geheel volk, eeuwenlang, verlangend uitziet naar de ware Koning, die God heeft beloofd; als het twintig eeuwen wacht op de komst van Hem, die veertig eeuwen van tevoren beloofd is; en nog eens weer twintig eeuwen na zijn komst tevergeefs uitziet naar de belofte. Daarmee komt zulk een volk midden in de wereldhistorie te staan. Het hele drama van de geschiedenis wordt erdoor in beweging gebracht.
Onze tekstwoorden richten onze aandacht op het beslissende ogenblik, waarop de deur der geschiedenis als op een scharnier draait. De Joodse raad, de synode der oude kerk, krijgt te oordelen over de grote vraag: Is hij de Christus? En stelt die aan Jezus zelf: Zijt Gij de Christus (vs. 67)? Zal hij Hem belijden, zoals Petrus gedaan had? Dan zal de Vader het hem moeten openbaren. Zij kennen de beloften. De schriftgeleerden hebben de Wijzen uit het oosten de weg gewezen. Zij hebben de Schriften, die van Jezus getuigen. Zullen zij Hem herkennen en erkennen, nu Hij werkelijk gekomen is?
Geweldige vraag. Is het hier en nu? De beloften zijn gegeven. Men kent ze sedert eeuwen; maar worden ze vervuld? Daar is een belofte toch voor? En is nu het ogenblik gekomen? Houdt God nu zijn woord?
Misschien kunnen wij het u nog wat nader brengen. Wij hebben de beloften van het Evangelie; die van de vergeving der zonden bijvoorbeeld. De hele Schrift is er vol van. Davids zonde wordt vergeven. Psalm 32 zingt:
"Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven; die van de straf voor eeuwig is ontheven; wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt, voor 't heilig oog des Heren is bedekt."
Jezus vergaf de zonden. Wij zingen: "Jezus neemt de zondaars aan! Roept dit troostwoord toe aan allen, die van 's levens rechte baan op de dwaalweg zijn vervallen."
Het staat in de bijbel in Oude en Nieuwe Testament. En in het kerkboek, in psalmen en gezangen. Het is eigen en bekend. Maar is het nu ook voor u? Niet alleen voor anderen, maar ook u? Zijn uw zonden werkelijk vergeven? Met deze vraag krijgt de zaak haar waarheid en betekenis. Gij merkt waar de schoen wringt.
Het Evangelie belooft de opstanding des vleses. Wij vieren elk jaar Pasen. En wij zingen:
"Jezus is mijn toeverlaat!
Hij, mijn Heiland, is in 't leven; zou ik dan niet aan Gods raad mij blijmoedig overgeven?"
Gij hebt mee uw bijbel en uw kerkboek. En gij kent de belofte en het lied. Maar durft gij nu ook te sterven? Durft gij u blijmoedig over te geven? Dan krijgt de vraag haar volle betekenis en scherpte. Dan komt uw hele zijn en niet-zijn, uw hele bestaan op het spel te staan. Uw hoofd, uw hart, uw geweten gaan alle drie meespreken. En gij komt midden in de grote beslissing te staan, waarvan uw wel en wee afhangt.
Zo staat het nu ook met de vraag of Jezus de Christus is. Daarover moet nu de Joodse raad oordelen. Nu wij de moeilijkheid gevoeld hebben, verstaan wij misschien beter hoe geweldig deze ure is. Een heel volk moet in de volheid des tijds, in de grote ure, waarin het lot zich zal wenden, en God zich zal keren, een beslissing nemen, waarvan bestaan en toekomst afhangen. Deze kerkvergadering moet het leerpunt beslissen, waarvan de zaligheid der zielen afhangt. Maar dan weet gij ook dat deze leer midden in het leven staat, en dat alles mee gaat spreken bij haar beslissing.
Zijt Gij de Christus, zeg het ons. Jezus antwoordt: Indien Ik het u zeg, gij zult het niet geloven; en indien Ik u ook vraag, gij zult Mij niet antwoorden, of loslaten (vs. 67 v.). Jezus zegt het hun, dat het geen zaak van ja en neen, van vraag en antwoord is. Dat spel hebben ze vaak genoeg met Jezus gespeeld. De tijd van debatteren is nu voorbij. Nu zal de Vader zelf het woord nemen.
Zo is het ook met de vraag die ons gesteld wordt: Wat dunkt u van de Christus? Dit wordt in uw levensgeschiedenis beslist. De existentiële vraag. Dan staat alles op het spel. Gij zijt geneigd uit te stellen; dan brengt God de beslissing. De ure komt en is nu. Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechterhand der kracht Gods. Dan voor de laatste maal: Zijt Gij dan de Zone Gods? En Hij zeide: Gij zegt dat Ik het ben. Wat hebben wij nog getuigenis van node? Wij hebben het uit zijn mond gehoord (vs. 69 vv.).