O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Lukas 2 : 1-7LarenLukas 2 : 25-35 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 289–291

Lukas 2 : 1-7

Gemeente, eenmaal is er een lange, lange nacht geweest, waaraan geen einde scheen te komen. De aarde was woest en ledig, en duisternis was op de afgrond (Gen. 1 : 2). Niemand van ons weet van zulk een duisternis, zó lang. Geen mens heeft die nacht der nachten beleefd. Alleen de Geest Gods weet ervan te spreken, want Hij zweefde op de wateren en wachtte op de komende morgen, de eerste dag. Gods Geest weet wel wat het zeggen wil, in een lange nacht op de morgen te wachten, in de diepste duisternis te wachten op het licht. God houdt niet van de duisternis. Hij is een licht en er is gans geen duisternis in Hem (1 Joh. 1 : 5). Hij zeide: Er zij licht (Gen. 1 : 3)! Maar Gods Geest kent de duisternis wel. Hij heeft lang gewacht op de eerste morgen, in de duisternis op de afgrond. Gemeente, wat zal dat een gebeurtenis geweest zijn, toen het licht werd voor de eerste keer, na een lange nacht, die bijna een eeuwigheid duurde.

Er was later nog een tweede nacht, niet zo lang als de eerste, maar toch eeuwenlang. Het was de nacht van het heidendom voor Christus' komst op aarde.

"Men had Hem eeuwen lang verwacht, totdat Gods tijdperk was volbracht."

Wat was dat ook een lange, donkere nacht. Heidendom is duisternis. Het is met de rug naar het licht zitten en de schaduwen, de schimmen van de dingen zien. Zelfs Israël, dat toch niet geheel in het duister zat, moest nog wandelen in de schaduwen. De genade en de waarheid zijn pas door Jezus Christus geworden. Wat hebben de oudtestamentische heiligen uitgezien naar het licht. Wat heeft Abraham verlangd naar de dag van Christus. Mozes zag uit in het beloofde land, maar hij kwam er niet in. De profeten getuigden van zijn komst, maar ieder van hen zag slechts een enkele lichtstraal van de Zon der gerechtigheid (Mal. 4 : 2). Hoe moeilijk moet hun dat wachten gevallen zijn; hoe lang de nacht. Hoe vaak zal hun geloof aangevochten zijn geworden en de heimelijke gedachte hen bekropen hebben, dat die dag nooit zou aanbreken. Rondom hen de heidenwereld; en hun eigen leven nog een wandelen in de schaduwen.

En toch is het licht doorgebroken. Het Christuskind lag in de kribbe en de herders en de Wijzen uit het oosten hebben het aangebeden. Dat feit vieren wij heden op dit Kerstfeest.

Dat zijn dus twee dingen: de Schepping en de Herschepping; Oud en Nieuw Testament. En beide malen is er een lange nacht, waaruit de dag geboren wordt. De hele openbaring Gods bestaat op die wijze. Tweeërlei geboorte: de eerste van alle dingen, alle creaturen; de tweede van de eerstgeborene aller creaturen, Jezus Christus (vgl. Kol. 1 : 15). En beide in deze vorm: een lange nacht, en dan het licht op Gods bevel.

Het is een eenvoudig verhaal, het Kerstevangelie. Twee mensen, Jozef en Maria, die gaan van Nazareth in Galilea, naar Bethlehem in Judea (vs. 4 v.). De nood is hun opgelegd door een gebod van keizer Augustus, dat de hele wereld beschreven zou worden (vs. 1). Jozef en Maria waren ook evacués, zoals dat nu heet. Zij waren door de gebeurtenissen dier dagen genoodzaakt hun woonplaats te verlaten. Het is een geschiedenis van nood en verdrukking.

En dan ineens is het een feit: Jezus, de Zaligmaker is geboren. Er is niet veel meer van te zeggen, dan dat het een feit is. Alles komt er hier op aan dat het zo is. Het is geschiedenis, het is gebeurd. De gedachte van Christus' geboorte, of liever de profetie, was vaak gehoord. Maar nu is het geschied. Tweemaal staat er: En het geschiedde (vs. 1, 6).

Een lange nacht van duisternis, waarin het niet gebeurt. Gebeurde het, dan was het licht, dan was het dag. Maar het gebeurt niet; daarom is het nacht. En het gebeurt weer niet; daarom is het een lange nacht. Maar dan gebeurt het wel. En dat maakt scheiding tussen nacht en dag, duisternis en licht. Hier valt niet te redeneren, slechts te aanbidden. En dat hebben de herders en de Wijzen uit het oosten ook gedaan.

Ons geloof bestaat ook in die vorm. Wij geloven in de opstanding des vleses.

"Schoon der graven lange nacht huivrend soms word' ingewacht."

Wij geloven in de vergeving der zonden. Maar de rechte troost is er slechts als het een feit is. Wij geloven in het eeuwige leven. Het licht van het Evangelie. De verrassing. Christus' nederheid. Zijn verborgenheid. Zijn verschijning. Zijn heerlijkheid.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Lukas 2 : 1-7LarenLukas 2 : 25-35 →