Job 14 : 1-3
De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust. Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet. Toch doet Gij Üw ogen over zulk één open, en Gij betrekt mij in het gericht met U.
Job 14 : 1-3
Met een paar woorden wordt hier het vluchtige en nietige van het mensenleven getekend. Het kan niet korter en afdoender. De geboorte, het korte leven, zat van onrust. Opkomen als een bloem, wegvluchten als een schaduw. Alle bijbelse beelden voor de vergankelijkheid zijn hier dooreengemengd.
Job weet ervan uit de eerste hand. Het is een klacht, een zucht van de ashoop. Hij merkt het aan z'n levensloop. Hij merkt het aan den lijve. Hij weet wat het is, geboren te zijn van een vrouw. Hij kent dat afgesneden worden. Hij heeft ervaring van dat heengaan als een schaduw. Hij staat er midden in. 't Is voor hem geen stichtelijke rede. 't Is een beschrijving van z'n eigen leven.
Ons geslacht verstaat zulke taal. Het weet van mens-zijn. Niet als: "Sterveling! gevoel uw waarde", maar als: "De broze mens, wat is hij op deez' aarde". Het hele ras gevoelt z'n kortstondigheid, z'n kwalen-natuur, z'n blootstaan aan weer en wind, z'n vergankelijkheid. De cultuur, die voorbijgaat. Het broze en onzekere.
Dat is voor Job hier nog niet 't ergste. Als hij nu maar voorbij kon gaan, wegvluchten. Als daarmee 't wezen gezegd was. Maar de mens deelt de voordelen daarvan niet. God doet ook nog z'n ogen over zulk één open. Hij let op hem. Hij moet hem hebben. Hij betrekt hem in 't gericht. Job wordt persoonlijk. Hij betrekt mij in 't gericht. Job vindt dat bijna onbillijk. Wie zal een reine geven uit een onreine (Job 14 : 4)? Kan hij er iets aan doen, dat hij is, zoals hij is?
Wonderlijke omstandigheid. Daar staat de mens in der verschijningen vlucht. Een golf van een stroompje, kantelend over z'n eigen kuif, dansend in z'n eigen graf. En nu moet hij toch staan voor Gods gericht. Wat is dat vreemd. Hoe kan dat van hem gevraagd worden? Jobs vrienden hebben het antwoord spoedig klaar. Ze kennen hun dogmatiek goed. Ze weten die wel op te zeggen. Maar Job spreekt midden uit de dialectiek van 't leven. Hij voelt het paradoxale. Hij merkt het als een onmogelijkheid.
Straks gaat ons hoofdstuk verder over de vergankelijkheid. Maar het oordeel staat er midden in. Dat is het raadsel, dat de kwelling en de heerlijkheid van ons leven uitmaakt. Want als dat er niet midden in stond? Als het geweten niet sprak? Als het oog Gods niet op ons gevestigd was?
Toch doet Gij Uw ogen over zulk één open. Job voelt zich nog verantwoordelijk, niet alleen slachtoffer van God, maar ook in z'n ongelijk in Gods dienst. Hij moet rekenschap doen. Er is verband tussen z'n lot en leven. Hoe, dat weet hij niet. Hij kan dat lot niet enkel als levensloop zien. Er is iets op hem gericht. De vergankelijkheid is door de toorn Gods. De dood is om de zonde. Er staat iets midden in 't leven van een rechterstoel. Het geweten. Hoe komt die daar te staan? In der verschijningen vlucht? Is het een beeld, als de regenboog in een waterval? Door de schuimende haast van 't leven zelf opgeroepen? Of is het een stem van God zelf? Worden we ermee geboren? Of is het zo 't gemiddelde van onze ervaringen? Gods oog is open over ons. Zoiets is het zeker wel.
Het geweten. Men wil voort in 't leven. Men wil 't natuurlijk vinden. Men wil ondergaan. Men wil sterven. Alles wel. Maar 't geweten rekent toe. "Al het heden wordt verleden." Ja, dat wordt het vanzelf, maar intussen wordt het toegerekend. Zelfs de dood is toerekening. Zo wordt het leven wel anders. Toerekenen is anders dan uitrekenen. Het komt niet uit. Het beangstigt. Het is geheimzinnig, en toch openbaar. God doet z'n oog over de mens open. Dat is het.