O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Jesaja 55 : 6LarenJesaja 55 : 10 en 11 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 240–242

Jesaja 55 : 7

De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Here, zo zal Hij zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.

Jesaja 55 : 7

Dezer dagen werd in ons land en elders een landelijke bijeenkomst gehouden over de taak om door verzoening de vrede voor te bereiden. Om door inkeer, berouw en goedmaken te komen tot levensvernieuwing. Om op de eerste adventszondag zich te verootmoedigen voor God. Wij zijn het dus niet alleen die deze dingen bedenken. Maar overal gaan de gedachten in deze richting.

Onze tekstwoorden zijn genomen uit een machtig hoofdstuk van de profeet Jesaja. O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, zo begint het, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen (Jes. 55 : 1 v.). Bij God zijn dus alle dingen gereed. De goddeloze heeft zijn weg te verlaten, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Here, zo zal Hij zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.

Bekeert u, zegt Johannes de Doper, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Mt. 3 : 2). Hetzelfde zegt Jezus met meer macht (Mt. 4 : 17). Wij noemen dat het Evangelie, dat ons gepredikt wordt. Deze twee horen bij elkaar: bekering en Evangelie. Bekeert u en gelooft het Evangelie, zegt Jezus (Mk. 1 : 15). Bekering is een woord dat wij in de bijbel vaak tegenkomen. En in de christelijke kerk is het de praktijk des levens. Ieder mens moet bekeerd worden. Hij kan niet blijven, zoals hij geboren is. Zijn gedachten, woorden en werken moeten veranderd worden. De goddeloze moet zijn weg verlaten, en de ongerechtige man zijn gedachten, en hij bekere zich tot de Here, zo zal Hij zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.

Het is een hard woord: de goddeloze. In onze tijd zijn er mensen die zich opzettelijk zo noemen. Zij spreken van een goddelozen-beweging. Zij willen de gedachte aan God in de harten uitroeien. De regering van het grootste land in Europa is door deze beginselen bezield. Wij leven in een tijd waarin miljoenen mensen, een volk van meer dan honderd miljoen, in die richting worden geleid. Men zegt dat men goddeloos moet wezen. In zulk een tijd leven wij. Wij beginnen onze adventsweken, dat wil zeggen de vier zondagen voor Kerstmis, onder deze omstandigheden. Deze macht dringt voorwaarts, en heeft in de week die achter ons ligt weer een stap naar ons toe gedaan. Een klein volk bevindt zich op dit ogenblik in grote nood, omdat het door deze macht werd aangevallen.

En nu staat het hier in onze tekstwoorden: De goddeloze verlate zijn weg. Hebben wij ons dat aan te trekken? Zijn de goddelozen niet in Rusland? Zijn wij geen christenen? Moeten wij het ook horen? Hebben wij Rusland dan binnen in ons? Wie zijn wij dan?

Ja, dat is een vraag, die wij ons wel mogen stellen. Wie zijn wij? Kunnen wij zo blijven als wij zijn? Steeds geweldiger dringt die vraag op ons aan. Wat is een mens? En de mensen met elkaar? En wie zijn wij zelf? Wat betekent het woord 'menselijk'? En wat is onmenselijk? Wat wil God? En wat doen wij? Wat is het onderscheid en de afstand? Wat scheelt er toch aan? Wat hapert er aan de wereld? Met toenemende ontzetting stellen wij ons deze vragen. Zoals nu hebben wij de wereld nog nooit eerder gekend. De toon is anders. Alles is anders. Met het christelijke verdwijnt ook het menselijke.

Wij zijn gewend het einde der dagen van ons af te zetten. De laatste dingen. Het laatste oordeel. Jezus heeft over vluchten gesproken: Bidt dat uw vlucht niet geschiede des winters; want die dagen zullen zulke verdrukking zijn, welker gelijke niet geweest is van het begin der schepselen (Mk. 13 : 18 v.). Maar is dat nu? Wie zijn wij mensen? En wat is deze wereld? Verbijsterende vragen? Zijn wij goddelozen?

Het Woord Gods dringt op de mensen aan. Welk een wereld. Miljoenen mensen beroemen zich op de naam van goddelozen. Zij ontkennen het niet. En de anderen? Zullen zij het ontkennen? En zeggen: Wij behoeven onze weg niet te verlaten, want wij zijn niet goddeloos? Wij behoeven ons niet te bekeren, want onze gedachten zijn goed? Praktische goddeloosheid. Aardsgezindheid.

Hoeveel is u het Evangelie waard? De heilige sacramenten, de vergeving der zonden, de hoop der opstanding, de zekerheid des eeuwigen levens? De inkijk in de wereld is ontzettend. De inkijk in het hart is zulk een wereld in 't klein. Zijn wij ontzet, verbaasd, verbitterd over de wereld van buiten? Gerust, tevreden over de wereld van binnen? Uit het hart zijn de uitgangen des levens (Spr. 4 : 23). Wanneer iemand zijn eigen weg wil blijven gaan, die niet verlaten, dan is hij goddeloos. Wie zegt: Paulus moest zich bekeren, ik niet, is goddeloos. Ons hele aardse bestaan moet tot Christus gewend. Wij moeten uit de zonde weggenomen worden. Wij moeten onze weg verlaten, in de hemelen wandelen (vgl. Fil. 3: 20).

Jezus komt. Wanneer wij vragen naar Gods aangezicht, zo zullen wij zeggen: God heeft eenmaal door 's werelds donkere wolken gekeken. In Christus. Wij vergeten dat niet. Wij zoeken dat aangezicht. Wij willen ons daarheen keren. Advent. Eens zal Hij komen op de wolken des hemels. Dan zal zijn aangezicht niet door de donkerheid zichtbaar zijn. Maar de wolken zullen van het oosten tot het westen verlicht zijn van zijn verschijnen. Advent, dat is wachten en bidden. Dat is verlaten van eigen weg en gedachten. Dat is bekering van de zondaren. Dat is zich keren tot Christus.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Jesaja 55 : 6LarenJesaja 55 : 10 en 11 →