O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Hebreeën 3 : 1-3LarenHebreeën 13 : 12-14 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 391–393

Hebreeën 3 : 13a

Maar vermaant elkander te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt.

Hebreeën 3 : 13a

Gemeente, we zijn hier op deze aarde en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen (1 Joh. 3 : 2). En wij leven in het heden, het heden der genade, waarin een mens nog tijd heeft om zich te bekeren. Waar zijn we hier, wij die de opstanding geloven, maar die zelf gevallen zijn? Wat is dat voor een plaats, waar we geworpen zijn? Waarom is deze wereld niet beter dan ze is, deze goed geschapen wereld? Is al deze ellende nodig? En moeten wij die ellende leren kennen?

Laten we even nadenken. Er is wel enige storing. En niet tussen mensen, maar tussen God en mens. Tussen God en mens. Moet dat geen gevolgen hebben voor de mens? En zoudt ge een God hebben, als het geen gevolgen had?

En nu heeft God als bezoldiging van de zonde de dood gesteld (Rom. 6 : 23). Er is met God niet te delen. Wij kunnen niet zeggen: Elk wat toegeven, of: Wij zijn met z'n tweeën. God is alles en wij niets. Zoudt ge 't anders willen of kunnen delen? Gij ook een stukje wereldbestuur? Een stukje alomtegenwoordigheid? Een stukje heiligheid? Als er storing is, is er complete storing. Dat is de dood. Er kan geen plant leven zonder zon, geen mens zonder God. De dood is minimum en maximum tegelijk.

Over de ellende kunnen we ons niet verwonderen, nu de storing er is. Waar we ons wel over kunnen verwonderen, zolang het heden genaamd wordt, dat is dat het heden een duur heeft. De bezoldiging der zonde is de dood. De dood komt ook in Genesis: eerst de gewelddadige dood, dan de natuurlijke dood, dan de massale dood. 't Is niet weinig, maar het duurt toch. Kaïn en Abel. Er is tijd voor waarschuwing. Methusalem wordt 969 jaren. Noach predikt 120 jaren. Er is een heden der genade. Dat is meer opmerkelijk dan de ellende, want de storing moet compleet zijn. Hoeveel Ezau zit er in de wereld: Laat mij slorpen (Gen. 25 : 30). Hoe weinig Jakob: eerstgeboorterecht. Hoeveel Saul: schuld ontkennen. Hoe weinig David: Ik heb gezondigd (2 Sam. 12 : 13). Hoe weinig: Ik, ik heb gezondigd (2 Sam. 24 : 17). Een wonder dat de storing niet meer compleet is, dat er een heden der genade, een durend leven is.

Wij mogen daar in onze tijd wel eens aan denken, en ons bezinnen op het karakter van dat heden: dat we 't niet kunnen eisen, maar dat het genade is. De dreiging was: Ten dage dat gij daarvan eet, zult gij de dood sterven (Gen. 2 : 17); en de uitkomst: In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten (Gen. 3 : 19). Het eten gaat door. In dat heden der genade is Psalm 23 gedicht:

De Here is mijn Herder; mij zal niets ontbreken.

Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijn ziel.

Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn wederpartijders;

Gij maakt mijn hoofd vet met olie; ⚑mijn beker is overvloeiende (Ps. 23 : 1-3, 5).

Dat is het heden, waarin wij leven, toch soms ook. En dat brood eten in 't zweet des aanschijns, is toch ook een zegen. Werkeloosheid is een vloek. Een herinnering daaraan behoort ook tot de vermaning, zolang het heden genaamd wordt.

Wij moeten ons verbazen over de zachtheid, waarmee het oordeel des doods voltrokken wordt. Maar: wanneer het niet meer was, zouden we de vermaning ook kunnen nalaten. Het zien op onze voorrechten heeft vaak iets zelfzuchtigs. En als het een doodsoordeel is, was snelrecht over deze wereld dan niet beter?

Maar het heden heeft een ander karakter. Het is het heden der genade. God laat zijn werk niet los. Hij blijft God. Hij blijft de Schepper, maar op een andere wijze.

Waar zijn wij hier? Waar zijn we gevallen, waar zijn we geworpen? Wij vragen dat niet alleen. De vraag wordt ook uit de hemel gedaan. De eerste vraag na de val was: Adam, waar zijt gij (Gen. 3 : 9)? Daarin ligt het hele Evangelie. De Vader buigt zich over de aarde, en ziet en vraagt naar zijn gevallen kind. Gelooft ge dat? De hele bijbel vertelt niets anders. Die vraag zwelt aldoor aan: Waar zijt gij? Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft om zondaren zalig te maken (Joh. 3 : 16; 1 Tim. 1 : 15). En de bijbel is vol van die belangstelling.

Stralen uit de eeuwigheid kleuren de omtrekken dezer wereld. Stemmen uit de hemel worden hoorbaar in de tijd. Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (Joh. 1 : 14). Dan verstaan we iets meer van het heden, en dan kan onze vermaning meer inhoud krijgen. 't Geeft niet veel: 'De mens moet zich schikken', of: 'God doet geen onrecht'. Maar wij mogen zeggen: God is barmhartig. Zo gij zijn stem dan heden hoort, verhardt uw harten niet (Hebr. 3 : 7 v.). Wij kunnen elkaar vermanen tot geloof, tot bekering.

Maar hoe zult gij nu op het leven ingaan? Het is niet meer het eerste leven. De bezoldiging der zonde is de dood. Het eerste was een geschenk; het tweede een nog groter geschenk. Het leven is van God. En het is het tweede leven. Het is niet meer 't eerste, geen voortzetting van de oude Adam. Wat mag ik nu doen? Ascese. Uitleven. Vermaning tot lijdzaamheid, bevinding, hoop (Rom. 5 : 4). Eeuwigheid, de eeuwigheid legt beslag op dit leven. Het heden der genade is de plaats der verzoening. Dat is het en blijft het. Daarom duurt het heden. Laat u met God verzoenen (2 Kor. 5 : 20).

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Hebreeën 3 : 1-3LarenHebreeën 13 : 12-14 →