Hebreeën 3 : 1-3
Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt de Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus, die getrouw is Degene die Hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in geheel zijn huis was. Want deze is zoveel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, als degene die het huis gebouwd heeft, meerder ere heeft dan het huis.
Hebreeën 3 : 1-3
Jezus is opgevaren ten hemel en is zittende ter rechterhand Gods. Hij is nu ter hulpe daar voor allen die Hem zoeken. Met eer en heerlijkheid is Hij bekleed, en van die heerlijkheid kunnen wij lezen in het boek der Openbaring van Johannes, waar Hij ons getoond wordt te midden van de zeven kandelaren, waarmee de kerk wordt aangewezen (Op. 1 : 13).
Waarom Hij door de Vader verheerlijkt is, dat zegt ons Paulus in de Filippenzen-brief: Omdat Hij zichzelf vernederd en vernietigd heeft, daarom heeft Hem God ook uitermate verhoogd (Fil. 2 : 7 vv.).
In onze tekstwoorden wordt de heerlijkheid die Jezus heeft vergeleken met die van Mozes, de middelaar des Ouden Verbonds. Het is merkwaardig hoe de bijbel ons altijd door personen en geschiedenissen onderwijst. Mozes, Elia, Jezus - wet, profeten, vervulling: dat is het grote raam van de bedeling des Evangelies. En van het kleinste kind af tot de diepste denker toe kunnen deze grote letters in het boek der Schrift lezen. Daartegenover is al het andere leuze. God, deugd, onsterfelijkheid. Vrijheid, gelijkheid, broederschap. De kerk zet ertegenover: Mozes, Elia, Jezus.
Zo ook hier: Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt de Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus. We worden op Christus gewezen, de Middelaar des Nieuwen Verbonds. Dit is de enige plaats in het Nieuwe Testament waar Jezus apostel genoemd wordt. Zo wordt Hijzelf tot een spiegel gesteld voor de apostelen, die Hij heeft uitgezonden. Jezus is van de Vader gezonden, bij uitnemendheid.
Mozes en Aäron, dat waren de profeet en de priester. In Jezus vallen ze samen. Als wij nu die beide namen horen, Mozes en Aäron, dan zijn dat oude namen. De naam Jezus veroudert niet. Hij is de vervulling van alle dingen. Hij is het voorwerp van onze belijdenis. Belijden past eigenlijk alleen bij Jezus. Dan verliest het erkennen van waarheid het uitwendige. Dan wordt het een zaak, die het hele leven raakt. Wanneer gij uw geloof belijdt, dan zit daar uw ware leven achter. Jezus heeft de goede belijdenis betuigd voor vele getuigen (1 Tim. 6 : 13). 't Is niet iets zeggen na voorzichtig overleg, maar het is spreken uit de volheid van het hart. Probeer het maar eens: Mozes belijden of Paulus, dat gaat niet. Maar Jezus Christus belijden, ja, dat verstaat ge. Dan geeft uw hart getuigenis van onze tekst en geeft God gelijk, dat Hij Hem meerder ere gegeven heeft. Jezus belijden, dan doet alles in u mee, en alles in u geeft uw mond gelijk. Dat geeft de volheid aan de belijdenis.
Vergeleken daarmee is alle andere overtuiging een vermoeden: vage gedachten over onsterfelijkheid of een leven na dit leven. Maar met de belijdenis van Jezus is 't anders. Vader Jakob reeds: Mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, o Heer.
Petrus: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods (Mt. 16 : 16). Dat is belijdenis. 't Is niet iets opgelegds, zoals de wet van Mozes. 't Is heel iets anders of ge de Tien geboden zegt of Jezus belijdt. Die Tien geboden zijn ook wel goed. Zonder de wet kan het leven niet zijn. Maar hoe anders: Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, enzovoort, of: Ik geloof in Jezus Christus, die geleden heeft onder Pontius Pilatus.
Mozes en Jezus, dat verschil is zo groot, zegt de schrijver, als tussen het huis en degene die het gebouwd heeft. Mozes was de dienstknecht. Alles houdt iets vreemds, iets uitwendigs, totdat Jezus komt, die alle dingen van God eigen maakt. Hij is de Zoon, Hij gaat ermee om in het bewustzijn: al het mijne is het Uwe (Joh. 17 : 10).
Deze Jezus is ten hemel gevaren. Hij zit aan de rechterhand Gods. Niet het ijzeren noodlot regeert van boven over uw leven en lot. Dan zoudt ge ook moeten bukken. 'Een mens moet zich schikken.' Maar belijdenis was dan onmogelijk. Nooit kunt ge dan recht bidden: Uw wil geschiede. Het zwijgen is het laatste.
Nu Jezus zit ter rechterhand Gods, kan alles... Jezus, dat is zaligheid. Dat is anders dan alle andere geluk. Het kruis is erin en de liefde. Geluk zonder kruis is weelde in psalm 73:
"Wie ver van U de weelde zoekt, vergaat eerlang en wordt vervloekt."
Geluk zonder liefde is als het spectrum in een glas, de mooie kleuren der vergankelijkheid. De ziel is er niet in. Zaligheid geeft Jezus, die aan Gods rechterhand is: het geluk met kruis en liefde. Daarom is Hij zoveel meerder ere door God waardig geacht. Hij is de maker van het huis.
Wij begrijpen nu de duistere beeldspraak. 't Is als wanneer ge bij een man komt en z'n vrouw is niet thuis. Dan is 't of hijzelf niet thuis is. 't Huis staat er wel, maar die thuis maakt is er niet. Die krijgt daardoor meerder ere dan het huis.
Mozes is er wel als Jezus er niet is. De wet is er wel. Dit mag niet en dat mag wel. 't Goede, 't kwade kent men misschien uit elkaar. Maar de lust om Gods geboden te doen, die komt pas als Jezus, die het huis maakt, er is. Mozes, dat is de wet der schaduwen (vgl. Hebr. 10 : 1). Zeker, er zijn wel aanwijzingen in ons leven, sporen van alle dingen, een schaduw van liefde, zaligheid, vrede. Maar als Jezus de maker is van 't huis, dan máákt Hij het huis. De schaduw wordt werkelijkheid. De beker vloeit over (Ps. 23 : 5). De wet wordt vervuld.