O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Hebreeën 3 : 1-3LarenHebreeën 3 : 13a →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 390–391

Hebreeën 3 : 1-3

Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt de Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus, die getrouw is Degene die Hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in geheel zijn huis was. Want deze is zoveel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, als degene die het huis gebouwd heeft, meerder ere heeft dan het huis.

Hebreeën 3 : 1-3

Heilige broeders, zo worden de leden van de christelijke gemeente aangesproken. Zo noemt ook Paulus hen, aan wie hij zijn brieven schrijft. Dat noemen wij ook zo, als wij belijden te geloven in de gemeenschap der heiligen. Dat zijn geen engelen in de hemel, maar mensen, zondaren op aarde; leden van de gemeente van Christus, door de Doop en het geloof, en toch heiligen.

Heilige broeders, dat zijn afgezonderden van de wereld. Want heiliging is afzondering: afzondering tot een goddelijk doel. Een heiligdom is een plaats, die voor God is gereserveerd.

Heilige broeders, dat zijn degenen die een hemelse roeping deelachtig zijn. Zo staat het in onze tekstwoorden. Een roeping hebben, dat kan alleen aan het leven betekenis geven. Abraham is geroepen, Mozes, Jesaja, Jeremia. Dat wordt hier van alle nieuwtestamentische heiligen, van alle gemeenteleden gezegd. De roeping geeft het leven betekenis, richting, doel.

Wanneer de gemeenteleden daarover ingelicht willen zijn, dan moeten zij, zegt deze apostel, letten op de Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Jezus Christus. Dan zullen zij hun roeping verstaan. Zij moeten de ogen op Hem gevestigd houden. Dan zal hun roeping hun vanzelf openbaar worden. Want roeping, dat is geen raadselachtig iets. Het is met duidelijke stem door Jezus geroepen te worden, bij name. Zoals Petrus en Andreas, Johannes en Jakobus bij de zee van Tiberias, zoals Paulus op de weg naar Damascus. Geroepen zijn is door Jezus geroepen zijn. Uit de wereld geroepen: geheiligd, afgezonderd tot de dienst van God, tot de gehoorzaamheid van het Koninkrijk, tot getuigenis onder de mensen, tot belijdenis van hun Heer. Wanneer zij Hem belijden, en dat doen zij, want zij willen belijdenis doen of hebben het gedaan, dan kennen zij hun roeping. Dan is hun leven niet leeg, niet zonder richting en doel.

Jezus wordt hier met twee namen genoemd: de Apostel en Hogepriester onzer belijdenis. De betekenis van Jezus wordt hier vergeleken met die van Mozes. Want wij staan in onze belijdenis niet tegenover een aantal artikelen, maar tegenover de Heer zelf. De bijbel onderwijst ons altijd door personen. Van het kleinste kind af tot de oudste heilige toe, zij kunnen allen dezelfde bijbelse les volgen, de bijbelse geschiedenis. Daarbij vergeleken is al het andere leuze. De heiligen der gemeente letten op de Heer zelf.

Hier wordt Jezus zelf een apostel genoemd. In dit apostolisch geschrift wordt Hijzelf tot een spiegel gesteld voor de apostelen, die Hij heeft uitgezonden. Hij is de Gezondene bij uitnemendheid; van de Vader in deze wereld gezonden. Zo worden de apostelen door Jezus gezonden (Joh. 20 : 21). Zo worden alle heiligen, allen die belijdenis doen, in de wereld gezonden. Willen zij hun roeping verstaan, dan moeten zij op Jezus letten, om het gezonden-worden te begrijpen. Dan kunnen zij zien wat daaraan vastzit.

Hijzelf is de inhoud van onze belijdenis. Belijden kunnen wij alleen onze Heer. Belijden voor de mensen, of verloochenen. Belijden is niet iets uitwendigs. Het is overgave van het hele leven aan de Heer. Alle andere belijden is hol en mag geen belijden heten. Belijden kan alleen Jezus tot voorwerp hebben. Mozes of Paulus kan men niet belijden; Jezus alleen. Dat verstaat uw hart. Wanneer gij Hem belijdt, dan stemt alles mee in: uw hand, uw voet, uw verleden, uw toekomst, uw hart, uw mond. Dan geeft uw leven klank en geluid en alles krijgt zin en richting en doel. Belijdenis is volheid, vastheid; al het andere een mening, een vermoeden.

Daarin ligt de Godheid van Christus opgesloten. Belijden is God belijden, de Schepper, de Verlosser, de Heiligmaker. Dat verklaart waarom alles meedoet en instemt, de volheid. Dat verklaart de holheid van iedere leuze, de ledigheid van de leugen. Aan de belijdenis beantwoordt alles, en alles belijdt mee.

Jezus Christus, die getrouw is Degene die Hem gesteld heeft. De Heer heeft zijn ambt vervuld, geheel en al, zoals Mozes in geheel zijn huis was. Maar welk een verschil: verschil van wie het huis gebouwd heeft en het huis. Mozes en Jezus. Wet en Evangelie. De volheid van het Evangelie. Verschil van dienaar en Zoon. Wij zijn het huis van Christus, waarin Christus woont. Belijden is de bewoner erkennen, de Heer.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Hebreeën 3 : 1-3LarenHebreeën 3 : 13a →