O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Hebreeën 3 : 13aLarenAndere preken →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 394–398

Hebreeën 13 : 12-14

Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door zijn eigen bloed het volk zoude heiligen, buiten de poort geleden. Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, zijn smaadheid dragende. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.

Hebreeën 13 : 12-14

Onze tekstwoorden moeten vaak dienen om de kortheid en onzekerheid van het leven uit te drukken. Ze worden dan gebruikt om een gevoel van weemoed uit te drukken, een met moeite afscheid nemen van het tijdelijke leven, of de onsterfelijkheid.

De Hebreeën-brief bedoelt het echter anders. Er is geen sprake van een half-onwillige overgang naar een andere bestaanswijze, een lijdelijke onsterfelijkheid van de ziel, maar van een offerande, die Gode wordt opgedragen, een zichzelf aan God geven. Er is sprake van onze christelijke godsdienst, die wij uit te oefenen hebben: de offerande des lofs die wij Gode hebben toe te brengen (Hebr. 13 : 15). Dat is iets heel anders dan: Ik kan hier niet altijd blijven, of: Wij moeten berusten, of: Een mens moet zich schikken. Als we dat laatste zeggen, is God een onweerstaanbare macht, een ijzeren lot, een noodlot. 'Wij moeten een keer dit lieve leven loslaten.'

Zoals de Hebreeën-brief het bedoelt, is God degene die de stad verlaat om een andere te zoeken. Hij draagt het lot en Hij is zelf niet het lot. Hij is uw partij. Hij moet verlaten en wordt verlaten. Hij wordt buiten de legerplaats geleid als de zondebok en draagt de smaadheid buiten de poort der stad. Hij dwingt ons niet om het prettige leven te verlaten, maar Hij draagt schande en dood om ons het eeuwige leven te schenken. Hij offert zich op om ons te redden. Dat is heel iets anders.

Laten wij nu zien wat het zeggen wil als we hier een blijvende stad willen hebben. Dat is niet een natuurlijke gehechtheid aan het leven. Het is veel erger. Het is Jezus de smaadheid laten dragen, zelf de zonde dagelijks meerder maken. Het is Hem dwingen buiten de poort te gaan en dan zelf te willen blijven, midden in de zonde. Daarom zegt de Schrift: Wij hebben hier geen blijvende stad.

Niet: tijd - eeuwigheid, maar: zonde - gerechtigheid. Wij hebben hier geen blijvende stad, betekent: Wij mogen hier niet blijven. Wij zoeken de toekomende, betekent: Wij zullen ons bij Jezus voegen. Wij zullen tot Hem uitgaan, zijn smaadheid dragende. Wij zullen deelnemen aan de christelijke offerande, de offeranden Gods. Wij zullen onszelf stellen tot offeranden des lofs. Hostie Gods. Dat is de toekomende stad die wij zoeken.

Wij zeggen soms dat wij van het toekomende leven weinig weten. Het onbekende. Zich schikken! De bleke eeuwigheid tegenover de kleurige tijd. Zo staat het in de bijbel niet. Het Lam Gods draagt de schande uit de aardse stad, op Golgotha. Aan Hem zien we de toekomende stad. Weten we er niets van? Laten we zien in 't Evangelie. Wat zien we van deze wereld in het Evangelie? Blinden, kreupelen, melaatsen, doven, doden. Ze lopen op Jezus aan en bij Hem is licht, kracht, reinheid, leven. Al deze mensen gaan buiten de legerplaats. Ze dragen zijn smaadheid, die eigenlijk de hunne is. Ze laten zich niet terughouden. Voor hen is Hij de helder stralende morgenster uit het Duitse kerklied:

"Hoe helder straalt de morgenster genade en waarheid rondom ver van Hem, die lang zou komen. Gij, Davids Zoon van Jakobs bloed, mijn Koning en mijn Bruigom zoet hebt 't hart mij ingenomen."

"Gij, Edelsteen en Koningskroon! Gij, Zoon van God en Mensenzoon, Gij, hooggeboren Koning!"

"Mijn Jezus komt in heerlijkheid, Hij, onze Heer der eeuwigheid, de eeuwig Ongekende.

Hij zal ons, na de pelgrimsreis, ontvangen in het Paradijs. Hij, d' Aanvang en het Ende."

Dat zijn de glanzen en klanken van het Evangelie. Die lokken de mensen uit de stad die niet blijft. Offeranden des lofs. Twee steden. De overgang van de ene in de andere. De liefdedaad.

En zijt daders des Woords en niet alleen hoorders, uzelf met valse overleggingen bedriegende. Want zo iemand een hoorder is des Woords en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel. Want hij heeft zichzelf bemerkt, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten hoedanig hij was. Jakobus 1 : 22-24

Horen en doen is twee. Voor het eerste kan men rustig neerzitten en een ander laten praten. Voor het tweede moet men zelf in beweging komen, actief zijn. 't Schijnen heel verschillende dingen te zijn, waarvoor iemand een bijzondere gave moet hebben. De één is meer een aandachtige natuur, een ander een werkzame. De bijbel heeft ons dat in een zusterpaar voor ogen gesteld: Maria en Martha (Lk. 10 : 38-42). En de kerk heeft die beiden als symbolen genomen van het schouwende en het werkende leven: twee soorten van menselijk bestaan. Vaak scheen het dat men er één moest kiezen. Wie het eerste koos, trok zich uit de wereld terug. De andere keuze bracht iemand midden in het leven met zijn verzoekingen en beslommeringen. Geestelijke en wereldlijke stand. Voor ieder leek een apostel te zijn; voor de schouwende ziel: Johannes, voor de praktische geest: Jakobus.

Zo staat het echter in de bijbel niet. Niet alleen Paulus, maar ook Jakobus weet wel, dat horen en doen bijeen behoren. De aandacht en de praktijk kunnen niet buiten elkaar. Dat ligt geheel in de natuur van het geloof. Geloof maakt van het leven een eenheid. Er is niets wat horen en doen goed bij elkaar kan brengen dan alleen het geloof. Voor de gelovige is het een dwaasheid, zo'n leven, dat uit twee helften bestaat, die niet bij elkaar passen.

Het is een van die wonderlijke dingen, die alleen in het mensenleven voorkomen. In de natuur kent men het niet. De natuur is zoals ze is, alles tegelijk, kern en schaal, alles met een maat. Bij het dier ook niet. Het is consequent. Het leeft z'n natuur uit. De witte Aap. Ook het kind is nog bijna een geestelijke eenheid. Maar bij de volwassene zien wij die vreemde deling optreden, waarbij de stukken van het leven elkaar tegenspreken. Daar ziet men 's morgens en 's avonds, 's zondags en in de week, bij de belijdenis en bij de verloochening, in huis en op straat, in de kerk en op de kermis, bij dag en bij nacht, bij licht en bij donker: twee stukken van hetzelfde leven. Wat een wonderlijk wezen, die mens. Hoe is het mogelijk, dat er zo weinig eenheid in zijn leven zit? Hoe komt er zo'n barst in zijn hart? De andere schepselen moeten er zich wel over verwonderen en het hoofd schudden als zij 't zien.

Geest en vlees, zegt Paulus, die strijd voeren tegen elkaar (vgl. Gal. 5 : 17). En Jakobus gebruikt dat tekenend beeld in onze tekstwoorden. Een man die in een spiegel kijkt, en hij ziet zijn beeld, en hij keert zich om, en het beeld is weg. Het is iets wat een wilde, die de spiegel niet kent, niet begrijpt. Hij kijkt telkens weer en - lacht. Hij kijkt achter de spiegel. Het verstandigste dier, dat het meest op de mens lijkt, doet het ook. Het is wonderlijk-koddig. Het kan niet waar zijn. Zo is het beeld in de spiegel, zo is het weg. Zo vreemd vindt de apostel de afwisselingen in het mensenleven. Nergens komt men zulke grote tegenstellingen tegen.

Men zou kunnen zeggen: Zo zijn ze, van Adam af. De mensen zijn zo; laat ze zoals ze zijn. Ge krijgt er toch niet veel verandering in. Jezus zegt dat niet. Gij kunt niet God dienen en de Mammon (Mt. 6 : 24). En de apostel: Christus èn Belial (2 Kor. 6 : 15). De Heilige Geest zegt niet: Ze zijn zo, ze zijn eenmaal zo geschapen. De Heilige Geest zegt: Als ze zo geschapen zijn, zal Ik ze herscheppen!

De wanhopigste dingen in het leven zijn berustende spreekwijzen. De dingen nemen zoals ze zijn, dat is het onbarmhartigste werk wat er is. De Heilige Geest neemt ze zo niet, maar Hij neemt de gebroken stukken des levens en maakt er een eenheid van. Dan passen horen en doen ook bij elkaar. En dan, in Jezus Christus, is de mens pas geschapen. Het is prachtig als dat in elkaar overgaat, als het geloof leven wordt, zonder dat het ophoudt geloof te zijn, en het leven geloof, zonder dat het ophoudt leven te zijn. Als het horen doen wordt, zonder dat het horen ophoudt, en het doen tot horen, zonder dat het stilzitten wordt. Dat is de ware aard van geestelijk leven. Dat is een wonder.

Soms: horen wordt zomaar doen. Dan weet men het wel. Het aandachtige letten op Gods Woord houdt dan op. Men weet en doet. We kennen wel die hardlopers, die het geheim van het luisteren in hun leven missen. En wij weten ook, hoe het bij het horen kan blijven. De Geest van Christus alleen kan beide met elkaar verenigen. Alle andere verbinding van horen en doen is kunstmatig. De oplossing is nooit te vinden waar ze in elkaar overgaan; slechts door Gods Geest, als iemand een nieuw schepsel wordt.

Maar het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen (1 Joh. 3 : 2). Het echte leven en doen is nog niet mogelijk. Het Woord van de vergeving der zonden kan ik niet doen. Het Woord van de opstanding des vleses evenmin. Het Woord van het eeuwiglijk leven ook niet. En toch moet de christen een dader des Woords zijn. Hij kan dus zijn best nog niet doen. Het doen, dat bij zijn horen, het horen van Gods Woord past, is niet volledig tot zijn beschikking. Hij kan niet maar alles uit de wereld verbinden met zijn geloof. Zijn levensmogelijkheid is beperkt. Hij moet terughoudend zijn. Omdat hij wacht.

De vergeving der zonden en de zonde vloeken met elkaar; de opstanding en het vallen in de zonde ook, en het eeuwige leven en het leven in de zonde. Ze kunnen niet verbonden worden. Welke daden zal hij dan doen, als hij 't Woord hoort? ⚑Volledig kan hij niet zijn. Zijn doen is half waken en bidden, omdat de wereld van de nieuwe mens nog komen moet. Het is gemakkelijk te vragen: Wat bijzonders doet gij, gelovige? Hij hoort Gods Woord en kan het niet kwijt.

Wij denken nog eens aan de spiegel. Christenmensen, gelovigen, die gedoopt zijn, belijdenis doen, hoorders van het Woord, wat zult gij in deze wereld doen? Zult ge de nieuwe en de oude wereld aan elkaar kunnen verbinden? Op twee gedachten hinken? Zijt gij zo knap? Hebt ge daar geen moeite mee? Hoort ge wel naar 't Woord? Of doet ge alleen maar zelf wat, en dan zonde, oude mens? Maar als uw horen geen oude sleur of fatsoen is, wat dan? Zijt ge klaar met de verbinding van oud en nieuw? Kunt ge alles gebruiken voor het nieuwe leven? Onderscheidt gij de geesten of niet? En de dingen? Goed en kwaad, weg der bozen en weg Gods?

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Hebreeën 3 : 13aLarenAndere preken →