Handelingen 2 : 1-13
Op Pinksteren zien wij de discipelen van Jezus plotseling in een geheel ander licht. Wat een onderscheid tussen Pasen en Pinksteren! Op Pasen is er onzekerheid, vrees en verstrooiing. De Herder is er wel, maar de schapen zijn verstrooid. Op Pinksteren zijn de schapen zelf herders geworden.
Dat is op zichzelf al een groot wonder, dat die leerlingen van Jezus, die ver achter hun Meester aan komen, nu ineens voormannen zijn; niet alleen Petrus, maar ook de anderen. Dat komt in het mensenleven voor, soms nog sterker dan bij de discipelen. Saulussen worden sòms Paulussen.
Pinksteren betekent dat ons leven van boven, naar de hemel toe, open is, dat de Heilige Geest uitgestort wordt op alle vlees. Het is de Geest des Heren, waarvan wij bidden: "Geest des Heren! kom van boven! Laaf met Uw genadegoed alle harten, die geloven, doe ze blaken van Uw gloed!"
Dat het de Geest van Christus is, zeggen de jongeren zelf bij de uitstorting (Hand. 2 : 33). Bij Paulus' bekering is het nog duidelijker. Hij hoort de stem van Jezus (Hand. 9 : 5). Zo gaat op het Pinksterfeest de hemel ook open, en Jezus spreekt tot de wereld. Daaraan moeten wij goed denken op dit feest.
Wij zijn blij dat Jezus niet meer tot een kleine kring van jongeren spreekt en niet tot een volk alleen, maar tot alle volkeren en in alle talen verstaanbaar is; ook in uw taal. Jezus spreekt zó tot ons, dat Hij onze woorden tot een voertuig van zijn Geest en Evangelie kiest. De woorden die gij dagelijks gebruikt, wil Hij vullen met een inhoud, er een betekenis aan geven, die voor uzelf een blijde boodschap betekent. Woorden die een bedreiging in zich hebben, wil Hij als beloften in uw oren doen klinken. Het woord 'zonde' wordt nu: vergeving. 'Dood' heet nu: opstanding. En in iedere taal vindt zulk een vertaling plaats, als Jezus tot ons spreekt. Dat is de uitstorting van de Heilige Geest.