Handelingen 16 : 6-10
Boven onze tekstwoorden zou men kunnen schrijven: Naar Europa; vollediger: Het Evangelie naar Europa; of: Het Evangelie naar ons toe. Persoonlijk: Hoe de Heilige Geest het Evangelie naar ons, naar de Larense gemeente, naar u en mij zond. Wie daarvan meer wil weten, die leze in dit gedeelte van de Handelingen.
Dat is niet toevallig gebeurd. Geen noodlot en geen toeval bracht Paulus ertoe om deze kant op te komen. Dat wij hier in de kerk zitten, dat wij geen heidenen of Mohammedanen zijn, is door de zeer bijzondere leiding van de Heilige Geest geschied. Paulus wou naar Azië. De Heilige Geest zei: Naar Europa. Paulus wou naar het oosten. De Heilige Geest zei: Naar 't westen.
Hoe dat toeging staat er niet bij. Alleen van de laatste etappe, de sprong van Azië naar Europa weten wij dat. Toen gaf God hem een droomgezicht: die Macedonische man (vs. 9). Maar hoe Paulus wist dat hij niet naar Azië mocht en naar Bithynië (vs. 6 v.), dat staat er niet bij. Wij kunnen aan Paulus' eigen ervaring denken. Hij moest de besluiten van de synode van Jeruzalem afkondigen in de gemeenten van Galatië: de ordinantiën of dogma's van de apostelen en ouderlingen te Jeruzalem (Hand. 16 : 4). Paulus heeft het gedaan, maar het beviel hem maar half. Dat riekte nog naar de Joodse wet. Wat hij zelf had willen zeggen, heeft hij later in de brief aan de Galaten geschreven: Noch Jood, noch Griek (Gal. 3 : 28). En: Wie een kind van God is, is geen knecht (Gal. 4 : 7). Hij is vrij van de wet en leeft onder 't Evangelie.
Paulus had last van Petrus. Dat klinkt vreemd, maar gij kunt het lezen in Galaten 2. Hij had het hem ook ronduit gezegd. Zij hadden ook besloten elk zijns weegs te gaan. Petrus zou de apostel der Joden zijn, Paulus de apostel der heidenen. Daarom zoekt Paulus een vrijer, een eigen arbeidsveld. Hij moet uit Galatië, waar zoveel Joden waren, weg en hij moet ook maar niet dadelijk naar Azië, waar er ook nog velen waren. Hij moet westwaarts naar de Grieken, naar de heidenen, naar Europa.
Paulus had ook moeite met Barnabas gehad. Toen hij Petrus moest berispen, zwenkte Barnabas ook een beetje met Petrus mee. Zij hadden de eerste reis samen gedaan, naar de kant van Barnabas' vaderland Cyprus. Nu gaat elk zijn eigen weg: Barnabas weer naar Cyprus en Paulus een andere kant op. Welke kant, dat wist hij niet, maar een andere kant, met Silas.
Vreemd, dat apostelen last van elkaar hadden. Zij waren toch allen door Jezus gezonden. En toch leert de bijbel het ons. De apostelen waren geen ambtenaren, maar hadden een ambt ontvangen; zij waren elk afzonderlijk aan Jezus verantwoording schuldig. Zij hadden een vrij arbeidsveld nodig. Daarom gaat Paulus van Petrus af, en van Barnabas af, een andere kant op, waar de Heilige Geest hem leiden zal.
Dit is de zielkundige kant van Paulus' reis naar Europa, maar het is niet de voornaamste. 't Staat er ook niet bij. Wel staat erbij dat de Heilige Geest hem naar Europa drong. Wat in onze zielen omgaat is wel interessant, maar belangrijker is wat boven onze zielen omgaat, in de Geest, in Gods Geest, de Geest van Christus, de Heilige Geest, zelf ook God. En wat in de Geest Gods, in de Heilige Geest omgaat, kunnen wij minder gemakkelijk zeggen dan wat in Paulus' ziel omgaat.
Tussen de apostelen bestaan nog moeilijkheden, halve en hele ruzies. Dat vinden wij misschien interessant: wij kunnen er althans bij. Maar van dat alles is niets in de Geest Gods. Daar is vrede en gemeenschap en blijdschap en genade en kracht. Wanneer wij vragen: Wat ging er in de Geest Gods om, toen Hij Paulus naar ons toe drong?, dan luidt het antwoord: Het Evangelie, de gedachte van vrede en verzoening.
Niet Paulus is de hoofdpersoon in dit verhaal, maar de Heilige Geest. En dat staat er wel bij, dat de Heilige Geest op deze reis de leiding had. Hoe, dat blijft voor 't grootste gedeelte een verborgenheid, maar dat het zo was, dat staat er verscheidene keren duidelijk opgetekend. Paulus kwam door die leiding te Troas, de laatste stad in Azië, vanwaar hij overstak. En aan de andere kant van het water stonden wij, de Macedonische man, de Europeanen. En wij riepen: Kom over en help ons (vs. 9)!
Wij hebben dat wel eerder geroepen: Help ons! En God is gekomen, het Evangelie is gekomen, de Heilige Geest is gekomen. Hij is ook niet gekomen omdat wij riepen. Hij kwam al voor wij riepen. Paulus was al lang op weg naar Europa, voor de Macedonische man hem riep. Hij mocht niet naar Azië, hij mocht niet naar Bithynië. En daarvoor had de Heilige Geest hem al van Petrus losgemaakt en van Barnabas. Anders had hij niet kunnen komen.
Toen dit alles gereed was, toen pas heeft de Geest ons leren roepen. En toen is Hij gekomen met zijn Evangelie. En wij roepen nog: Help ons! En wil de Heilige Geest nu niet meer komen? Is ons roepen dan los van zijn komen? Lees ons tekstverhaal maar; het is andersom. Omdat Hij komt, leert Hij ons roepen. Wij vinden het misschien niet prettig in nood te zijn. Dat is iets anders. Maar het is een teken van zijn komst.
Maar als het Evangelie tot ons komt, dan is dat geen aardrijkskunde van Europa en Azië, of Azië en Bithynië, zoals wij van de zending horen in Poso en de Minahassa. Wij hebben daarvan veel gehoord in ons tekstverhaal, maar er staat meer in. Het Evangelie wil tot het mensenhart. Dat komt ook al heel gauw, als wij doorlezen in Handelingen 16. Van de eerste, die het Evangelie aanneemt in Europa, onze geestelijke grootmoeder Lydia staat: En de Here opende haar hart (Hand. 16 : 14).
Als het die weg op moet, dan moeten de dingen van ons tekstverhaal zich nog eens herhalen. Daar staat: niet naar Azië, niet naar Bithynië; dat wil de Heilige Geest niet: niet die weg op en niet die kant uit. En dat moet nu uit de aardrijkskunde in de hartekennis vertaald worden. Als het Evangelie tot ons zal komen, dan moeten alle uitwegen afgesneden worden. Het moet worden: niet alleen anderen, maar ook mij (Catechismus). Het moet tot ons, tot u en mij komen. Dat is Gods werk, het werk des Geestes. Anders kwam het nooit tot ons. Het Evangelie vindt zijn weg wel. Het is Gods Woord. Het is als een held om het pad te lopen. Komt het niet tot ons, dan wel tot anderen.
Maar hoe komt het tot ons? Als de Heilige Geest er niet voor zorgt, dan gaat het ons voorbij! Wat hebben wij eraan, als Jezus van Nazareth voorbijgaat? Als Hij niet in ons huis moet zijn. Als de Heilige Geest niet in ons hart komt wonen. Als God ons niet leert roepen: Kom over en help ons! Als de Here ons hart niet opent!
Maar als het Evangelie dan toch tot ons komt! Regelrecht op u aan! Niet die kant op en die kant op, maar tot u! Welk een wonder Gods! Waarom ging God nu die anderen voorbij? Waarom moest het recht op uw hart aan? Wie deze vragen niet kent, heeft het Woord Gods nog nooit recht gehoord. Het uitverkoren zijn is niet een apart ding naast het gehoor van het Woord. Het is het hart van het Woord, het hart van de kerk. Het is de liefde Gods tot zijn kind, de genade en de gemeenschap des Heiligen Geestes. God moest u toespreken. Anderen, misschien beteren, met oudere rechten op God, de oudste broer uit de gelijkenis, moesten terzijde staan. Gij, de jongere, de heiden, gij natuurlijke mens, met uw aardse gezindheid, uw pretmakerij, uw gemakkelijke manier om door het leven te gaan, uw eten van twee wallen, God wat en de wereld wat, dat is heidendom. Uw leven verdeeld tussen de kerk en het danshuis; met uw gladde manieren, waarmee gij precies tussen de moeilijkheden van het leven doorglijdt: God wat en de Mammon wat. Gij, die geestelijk probeert te zijn zonder kruis, christen zonder offer, kerkgangen zonder christelijke handreiking, lidmaat zonder trouw aan het 'ja' uwer belijdenis en zonder aan 't Heilig Avondmaal te gaan, lid van de kerk zonder naar de kerk te gaan: heiden!
God gaat de anderen voorbij, om u aan te spreken. Het Evangelie komt regelrecht op u aan. Wie doet dat? De Heilige Geest. Hebt gij niet geroepen: Kom over en help ons? Of was dat een vergissing, was het een droom? Een nachtgezicht? Was 't maar verbeelding? Gaat het u goed? Is er geen wolkje aan de lucht? Bevalt uw leventje u nogal? Wilt gij sterven zonder het geloof en de hoop en de liefde ooit gekend te hebben, de genade van onze Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap des Heiligen Geestes?
De Heilige Geest komt om in uw hart te wonen, de Heiland wil u helpen, God wil uw hart openen. Wat een zaligheid, dat Hij alle anderen voorbijgaat en bij u wil zijn. Wat zijn er vele anderen, beteren, die niet in aanmerking kwamen. Zij krijgen wel een beurt. Paulus is later ook naar Azië gegaan. Hij heeft twee jaren in Efese gepredikt. In 't koninkrijk Gods staat niemand de ander in de weg. Maar nu niet. De Heilige Geest wil nu uw hart openen. Hij wil daar vastigheid maken. Om u heen vallen de vastigheden weg. Binnen in u moeten zij gelegd worden.
Dat is zaligheid: te weten dat de Heilige Geest heden in ons hart wil zijn.