Deuteronomium 18: 18
Een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal mijn woorden in zijn mond geven, en hij zal tot hen spreken alles, wat Ik hem gebieden zal.
Deuteronomium 18: 18
De naaste bedoeling van onze tekstwoorden is deze, dat Israël nooit zonder profeet zal zijn. God heeft dat aan Mozes beloofd. Er zullen wel andere tijden komen, maar hoe die tijden ook mogen zijn, God zal altijd zorgen dat Hij iemand opwekt, om zijn Woord over te brengen. Dat is een grote geruststelling voor zijn volk, dat zij altijd de stem Gods zullen horen. Wanneer het volk des Heren aan zichzelf ware overgelaten, wat zou er van hen overblijven? Maar nu: altijd een profeet. Een mond van God, want dat is een profeet.
God zou ook op een andere wijze kunnen spreken. Dat een profeet zijn mond is, is verhoring van een bede. Bij de berg Sinaï mochten ze persoonlijk met God spreken. Rook en vuur ging van de berg uit. Men kon met God spreken. Maar het volk vroeg zelf hiervan verschoond te blijven (Ex. 20 : 18 v.). Het is genade dat God niet met zijn ongenaakbare heiligheid tot ons komt. Ook 't Nieuwe Testament spreekt van een verterend vuur (Hebr. 12: 29). God spreekt genadig met zijn volk door een profeet.
God heeft zijn Woord gehouden. Eerst Mozes, een man, die zachtmoediger was dan enig mens (Num. 12: 3). Veertig jaren leidt hij het volk. Maar hij sterft. Dan verwekt God telkens andere profeten. Ze verschillen van elkaar: Elia, Elisa, Amos, Hosea, Jesaja, Jeremia, Ezechiël, Daniël. Maar in één ding komen ze overeen. Ze zijn geen vuur en rook, die uit Gods mond uitgaan, maar een verstaanbare stem Gods, met woorden die een zin, een betekenis hebben. Die men verstaan kan. Waarnaar men horen kan, met geloof en vertrouwen, met gehoorzaamheid en onderwerping, zonder angst en schrik. Zulke stemmen Gods komen telkens terug in Israëls geschiedenis. Dat is Gods genade.
Voor een zondig mens betekent God zien de dood. Wij kunnen God niet denken, niet zien, niet ontmoeten buiten het profetische Woord. Wij zijn erop aangewezen. Van het nederige woord uit mensenmond moeten wij het hebben. Wie daartoe te hoog is, wie Gods Woord als profetenwoord versmaadt, die verdwaalt in de verschrikkingen van het absolute en oneindige, in het vuur van het oordeel. Onze zonde maakt dat er geen denkweg en geen omgangsweg met God is, buiten de middelaar. Alreeds 'Schepper en Schepping' maakt dat de weg niet direct is. Deze genade Gods is groot. Altijd een profetenwoord. De verschrikking van de wereld, van de geschiedenis, van het leven. Dan een woord uit Gods mond.
Onze tekst is een adventstekst. De reeks profeten loopt uit op Jezus. Hij is onze hoogste profeet en leraar, die ons de verborgen raad en wil van God omtrent onze zaligheid volkomen heeft geopenbaard. De stem Gods in Jezus Christus. De mond Gods. Och, dat de hemelen scheurden, zegt de profeet (Jes. 64 : 1). Dat Jezus komt. Jezus' liefde, Jezus' gerechtigheid. Zijn gang door het leven, zijn dood, zijn opstanding, zijn Geest. Rechtvaardiging, heiliging, verheerlijking.