2 Koningen 5 : 10
Toen zond Elisa tot hem een bode, zeggende: Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan, en uw vlees zal u wederkomen en gij zult rein zijn.
2 Koningen 5 : 10
Naäman, de krijgsoverste van de koning van Syrië, is een voornaam heer: 'een groot man voor 't aangezicht zijns heren en van hoog aanzien'. Hij was een strijdbaar held, doch melaats (2 Kon. 5 : 1). Wat is dat 'doch' welsprekend. Wat keert het telkens terug. Wanneer Naäman 's morgens wakker werd, als hij goed wakker was: melaats. Doch. Een scheur in z'n leven, een druk op z'n ziel.
Met dat 'doch' heeft een mens heel wat te stellen. Hij zou het uit z'n woordenboek weg willen werken, maar 't lukt niet. Hij heeft een flink gezin. Doch hij heeft zorgen. Hij heeft een goede positie. Doch er is malaise. Hij leeft, tien, twintig, veertig, zestig, zeventig, tachtig jaar. Doch hij moet sterven. - Maar het ergste 'doch' is van andere aard. Melaats is in de Psalmen een woord voor zondig. En dat is de donkerste wolk, die de ziel het licht onderschept.
Aan al deze dingen is niet veel te doen. In het land Syrië, dat Naäman bewoont, is geen baat te vinden. En zo ook niet in het land aan deze zijde van de grote rivier, dat wij bewonen. Naäman hoort echter de mare van de geneesmeester in Israël, als toevallig, uit de mond van een slavin in z'n huis. Maar die tijding wordt niet goed begrepen. Goud en zilver worden opgeladen, en de koning van Syrië deed er een brief bij aan de koning van Israël. Deze vatte het op als een oorlogsverklaring. Zo slecht past het Evangelie in deze wereld. De koningen kunnen het 'doch', de melaatsheid niet wegnemen. 't Is een ongeneeslijke ziekte. Naäman wordt van Pontius naar Pilatus gestuurd zonder succes. Ongeveer zoals thans het ene land het andere vraagt vrede te maken op aarde. En het andere vindt daarin een reden om zich te wapenen. Of zoals de mensen elkaar de zedenwet voorhouden, en vatten het op als een belediging.
Nu is er echter een profeet in Israël. Dat is heerlijk: een profeet. Hij weet iets van dingen, die hier onmogelijk zijn en bij God mogelijk. Van wat nu niet gebeuren kan, maar wat God belooft. Een profeet weet iets te stellen tegen het 'doch'. Anders is hij geen profeet. Onder Hizkia, Zedekia, in nood en ondergang, weten Jesaja en Jeremia dat te doen. Elia weet het ook; Elisa eveneens. Hij zendt een boodschap. Weer zo'n bericht, een woord. Meer niet? Naäman is al sceptisch. Hij is al zo lang melaats. Hij is eraan gewend. Hij heeft al zo lang gereisd, op het woord ener slavin. Hij zoekt het te verhelpen door het woord van een koning. Het baat niet. Het bederft alles. Nu dan maar weer zo'n gewoon woord. Hij reist naar Elisa, met z'n wagens voor de deur. Maar er is geen profeet te zien. Hij verschijnt niet. Alweer een boodschap, van een bode: Was u zevenmaal in de Jordaan. Nu wordt het Naäman te veel. Hij dacht plechtigheid te zullen meemaken, aanroeping, strijkages, aanraking. Maar weer een woord. En een bevel om zich in schoon water te baden.
't Wordt alles zo gering mogelijk gemaakt. Men moet het maar geloven. Het gebeuren wordt niet met tekens versierd. Dat wil hij niet. Hij wil terug naar z'n land. Op zo'n woord te reizen en te handelen, dat is hem te machtig. Hij verwacht er niets van.
Gemeente, zo is 't profetisch Woord, dat zeer vast is. Gij zit ook met uw moeilijk en zwaar 'doch' te tobben. Ge vergeet het wel eens, maar 't is er toch. Hoe komt ge eraf? Ge zoudt liefst, met de deftigheid die uw stand past, ten hemel reizen. Zoals ge 't gewoon zijt, in uw eigen kostuum, althans uw eigen lichaam, althans uw eigen gerechtigheid. Ge wilt wel betalen. Gij zoudt desnoods de hemelpoort met geweld willen forceren. Als 't met kracht of geld te doen was!
Maar dit alles is belachelijk als de reis van Naäman. Hij reist in een wolk van dwaasheid. Hij kan de wereld rondreizen met 's konings brief. Alleen de evangelisatie van de slavin heeft waarde. Zij heeft kennis aan de zaak. Zo'n onnozele mededeling, zo'n Evangelie zonder borgen, waar de lombard geen geld op geeft: daarop reizen en 't daarop wagen om van het grote 'doch' verlost te worden, en rustig te kunnen slapen en sterven.
Het Evangelie zegt het, dat er een Heiland is voor uw ziel. Hij is gekomen in de gestalte van een slaaf. Hij is gekruisigd met misdadigers. Al het heerlijke, al het koninklijke is eraf. Maar het wordt u van Godswege gezegd. Geen bewijs. Een bijbelwoord. Een mensenverzekering. Wilt ge 't wagen? Was u zevenmaal in de Jordaan. Er zijn wel grootsere middelen. Abana en Farpar zijn heerlijker dan de Jordaan (2 Kon. 5 : 12). Maar ze helpen niet. De verstrooiing, de onverschilligheid, de wetenschap, de eigen gerechtigheid - ze hebben een uiterlijke schijn. Dat alles is bij Jezus' kruis weg. Niets dan een vraag: Gedenk mijner, als Ge in uw Koninkrijk zult gekomen zijn (Lk. 23 : 42).
Deze vereniging van gerucht en smadelijkheid is de moeilijkheid van 't geloof en de heerlijkheid van 't Evangelie. De genezing is hier in de wereld toch niet te zien; moet als gerucht komen. En in deze wereld heeft ze geen glans. Liefde - wetenschap - lichaam.