1 Thessalonicenzen 1 : 9b en 10
Hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om de levende en waarachtige God te dienen, en zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, dewelke Hij uit de doden opgewekt heeft, namelijk Jezus, die ons verlost van de toekomende toorn.
1 Thessalonicenzen 1 : 9b en 10
Uit onze tekstwoorden kunnen wij het onderscheid tussen een heiden en een christen aflezen. Wanneer ik dat zeg, dan moet niemand dadelijk aan verre landen gaan denken, waar heidenen wonen, en de christenen hier. Want wij hebben vanmorgen geen aardrijkskundige les. De heiden en de christen wonen niet zo ver van elkaar. In deze brief tenminste niet.
De Thessalonicenzen zijn bekeerd van de afgoden om de levende en waarachtige God te dienen. Eerst waren zij dus heidenen, nu christenen. Het zijn dezelfde mensen. Zo kan men het verschil ook beter zien, dan wanneer ze zo ver van elkaar af wonen. Dan maakt men het door in eigen hart en eigen leven. Men weet wat het is, een heiden te wezen en ook wat het is, een christen te wezen. En daartussenin staat de bekering, het grote keerpunt, de scharnier, waarop het mensenleven draait. Bekeerd te worden is zich af te wenden van de afgoden, 'van de beelden' staat er letterlijk, 'van de nietigheden' staat elders (vgl. Hand. 14 : 15, Vert. Brouwer). Daarvan afgekeerd tot God. 'Een levend en waarachtig God' staat erbij. Let daar nu eens goed op, gemeente. Dan zult gij merken, dat die heiden en die christen niet zo ver van elkaar af wonen.
Het is waar, er is verschil tussen de eerste christelijke gemeenten en latere. Zij werden groot gedoopt, gij klein. Zij hoorden de Evangelieprediking voor 't eerst op volwassen leeftijd, gij zijt van jongs af onderwezen in de gezonde leer. Wij zullen het verschil niet uitwissen, maar de bekering blijft behoren tot het wezen van het christelijk leven. Gij weet wel wat het is, met het aangezicht naar de beelden, de afgoden, de nietigheden te staan. Beelden die gijzelf gevormd hebt, nietigheden die gijzelf bedacht hebt: dat zijn de afgoden. Zij behoeven niet van hout of steen te zijn, maar in ieder geval zijn het scheppingen van verbeelding, nietigheden van uw eigen maaksel, waarvoor gij u dan nederbuigt, waaraan gij offert. Dat zijn afgoden. Die ons kostelijk hart niet waard zijn. Waarmee wij iets voor onszelf willen bereiken.
En nu komt de bekering tot God. Van een afgod tot God, een levend en waarachtig God, een levend God en geen beeld, een waarachtig God en geen nietigheid, die wij niet zelf gemaakt of bedacht hebben, maar die ons bedacht en geschapen heeft. Dat is de grote ontdekking in een mensenleven. De grote omkering op de levensweg. Dan kunt gij uzelf ten offer brengen zonder uzelf weg te gooien.
Wanneer men vroeg, wat het onderscheid was voor en na de bekering tot een levend, waarachtig God, dan zegt de apostel, dat er na de bekering verwachting in het leven is gekomen. Wat wachten is, weten wij wel. En wanneer wij het niet wisten, dan weten wij 't nu wel. Bij de wachtende staan alle gedachten, alle gevoelens, iedere wilsbeweging naar voren gericht. Het leven heeft een doel, het hart een uitgang. Men is ingeschakeld, opgeroepen voor het grote werk van de Schepper. Wie een afgod heeft, komt nooit tot het rechte wachten. Hij staat met de rug naar God en daardoor met de rug naar de wereld toe. Hij gaat het goede dat God doet niet tegemoet, maar raakt erbuiten en gaat verloren. Als de Zoon komt, de Bruidegom, zegt de bijbel, dan is zijn lamp uitgegaan en hij heeft geen olie (vgl. Mt. 25 : 1-13).
Wie tot God bekeerd is, verwacht zijn Zoon uit de hemelen. Er is maar één ware God. Er is maar één geloof. Niet vele goden, maar vele afgoden. Niet vele geloven, maar één geloof. En de levende, waarachtige God leren wij alleen kennen uit de bijbel. Bij de waarachtige God behoort de ware geschiedenis, de bijbelse geschiedenis. En die geschiedenis gaat door. Wat wij beleven is een voortzetting van de bijbelse geschiedenis. Wij kunnen ons wel afkeren van wat voor ons is, beelden in ons leven oproepen, die afgoden, nietigheden zijn, maar de Zoon moet van de voorkant komen. De levende, waarachtige God komt door de werkelijke geschiedenis tot ons; geen beeld uit het verleden.
De heiden veroudert. De oudheid, dat is zijn god. De christen heeft een Nieuw Testament, een oudheid die nieuw wordt, een toekomst en een verwachting. Hij waakt, hij bidt. Hij weet wel van de nacht en van de dood, maar hij blijft vooruitzien.
Gemeente, de wederkomst van Christus is geen sluitpost in de berekeningen van het christelijk leven. De verwachting van Christus uit de hemelen is de bewegende kracht, de veer van het geloof. Als deze veer gesprongen is, is het geloof dood. Geloof is de overtuiging dat alles wat er vandaag, morgen gebeurt of gebeuren zal, de Zoon dichterbij zal brengen uit de hemelen; dat wij een levend en waarachtig God hebben, buiten wie de dingen niet omgaan. Hij is de Schepper van hemel en aarde.
In Handelingen 14 lezen wij dat Paulus tot de mannen van Lystra zegt, bijna gelijk als hier: Wij verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ijdele dingen (de afgoden) bekeren tot de levende God, die gemaakt heeft de hemel en de aarde, welke in de verledene tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen (Hand. 14 : 15 v.). De heiden in het verleden. God blijft de toekomst in handen houden. Dat is het onderscheid tussen een heiden en een christen: wie tot God bekeerd is, heeft de toekomst, want die is van God. God is niet een God der doden, maar der levenden (Mt. 22 : 32). Daarom behoeft de christen ook de dood niet te vrezen, want die is van God, en is ook toekomst. Hij mag zijn Zoon uit de hemelen verwachten. En die Zoon is door God uit de doden opgewekt. Hij was gekruisigd, gestorven en begraven, en toch had Hij de toekomst. De christen kan de Naam noemen van Hem, die de toekomst heeft: Jezus, die uit de doden is opgewekt. Het is geen toekomst zonder Naam. Wij kennen Hem, die ons heeft liefgehad. En Hij verlost ons van de toekomende toorn. De toekomende toorn, de toorn van God, die zijn Zoon doet wederkeren.