1 Samuël 17 : 14a
En David was de kleinste.
1 Samuël 17 : 14a
Dat David de kleinste was, wil hier niet anders zeggen dan dat hij de jongste was. Toch ligt daarin een achteropstelling. Isaï had zeven zonen. En als Samuël komt om een koning te zoeken, worden wel Eliab, Abinadab en Samma geroepen, maar David niet. De kleinste is nog over, zie, hij weidt de schapen (1 Sam. 16: 6-11). En hier in ons hoofdstuk worden Eliab, Abinadab en Samma genoemd. Ze waren Saul gevolgd in de krijg. En dan weer: David was de kleinste. De drie oudsten (grootsten) waren Saul gevolgd. Isaï had niet gedacht dat het oog op hem zou vallen.
't Is andersom als met Saul. Daar krijgt men de indruk dat hij geheel vooraan staat in huis. Z'n positie, z'n uiterlijk doen hem als 't ware bestemd zijn voor koning. Hij is de aangewezen man. God kon hem niet passeren. Zo is het met David niet. Er staat ook wel bij dat hij een schoon man was (1 Sam. 16: 12), maar hij moet ontdekt worden. Er komt iets van verkiezing bij te pas. Hij staat op één lijn met Mozes en Paulus. Mozes - tong (Ex. 4: 10); Paulus - vervolger. Behalve de natuurlijke gaven is achter hun leven de bestemming, de verkiezing. Het is niet toevallig dat er twee keer staat: David was de kleinste. Gods keuze wordt daardoor verheerlijkt. Die kleinste wordt koning. Die kleinste verslaat Goliath.
Die bestemming is van grotere betekenis dan de natuurlijke gaven. Bij Saul wordt onze aandacht gericht op de gaven. Hij is een schoon man, van de schouderen af opwaarts hoger dan al het volk (1 Sam. 9 : 2); resoluut: Jabes in Gilead (1 Sam. 11); eerlijk: wil Jonathan doden (1 Sam. 14: 38-45). En toch zit hierin geen historie. 't Is natuur. Iets van die raadselachtige verkiezing Gods is er niet achter. 't Wordt niet meer dan 't is. Saul gaat onder. Z'n schone aanleg wordt geen zaad in de akker der wereld.
David was de kleinste. Er is iets in hem waardoor hij niet in aanmerking komt. ⚑Hij is niet de oudste zoon van een Engelse lord. Hij behoort niet tot die mensen, die op hun twintigste jaar vanzelf staan, waar anderen met moeite op hun vijftigste raken, en zo dertig jaar winnen. Hij moet naar voren komen door een onzichtbaar raderwerk. Er zijn zes voor hem. Dan pas komt hij aan de beurt. David is de kleinste. Toch komt hij ze voorbij. Hoe, dat weet hijzelf niet. David heeft geen haast. Hij is de schoonzoon van Saul, en denkt er niet aan hem naar de kroon te steken. Saul vreest het. Het schijnt, dat er aanleiding toe is. De koning is waanzinnig, David jong en geliefd bij 't volk. Rembrandt heeft ze ons geschilderd: David als op een hoek van de schilderij; Saul beslaat het hele midden. David valt er haast af. Maar David komt en dat voelt Saul. God is met hem. Een man naar Gods hart (1 Sam. 13 : 14). Saul is niet tegen David, maar tegen God, die David doet komen. Maar David zelf is niet haastig. Z'n hart slaat, als hij de slip van de mantel snijdt (1 Sam. 24 : 6).
Zo is het gebleven. David is Israëls geliefde koning geworden. De bijbel is verder vol van hem: Davids huis, Davids rijk, Davids Zoon. Dat zijn klanken ook uit 't Nieuwe Testament. Daaraan kent men Ezau en Jakob, Saul en David, en allen die niet of wel de verkiezing Gods achter zich hebben.
Er is ruimte genoeg in de bijbel en in Gods koninkrijk en in de eeuwigheid. 't Hindert niet of ge klein zijt, gering, arm, als er maar iets achter uw leven zit, een lijn in de eeuwigheid voor u. 't Geeft u niet als ge groot zijt, rijk, wijs, als er niets achter en voor uw leven is, een geheim, dat zich ontraadselt, een toekomst, die zich ontrolt: perspectief. Dat valt ineen, dat keert in z'n tegendeel. Natuur alleen doet het niet. Genade. Paulus de minste der apostelen, overvloediger gearbeid (1 Kor. 15: 9 v.). Hoe komt dat? Raadsel Gods. Een uitverkoren vat (Hand. 9: 15). De wereld staat voor z'n arbeid open. Hij weet wat roeping is. Wat zullen wij van een mens zeggen? Z'n vermogen? Wat denkt hij van zichzelf? 't Zijn gaven Gods. Maar er is een betere gave. De genade. Als ge achter uw leven het grote denken Gods gewaar wordt. Gij laat God maar denken en gij doet wat Hij denkt. Jezus deed dat ook als Hij bad: Laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan (Mt. 26: 39).
In 't geloofsleven. David de kleinste, dat is niet erg. Maar Paulus de minste, dat is erger. En toch! Zo staan wij onder 't Nieuwe Testament. 't Is niet natuur en genade, maar zonde en genade. Ge zijt niet achterop, maar stelt uzelf achterop. Uw geweten klaagt u aan. Gods genaderaad in Christus. In dat licht uw leven. Maar dan ook verder. De kleinste, de minste. Wil het passen op uw leven? Hebt ge een gemoed dat zoiets voelt en toch goede moed heeft? Kent ge Gods genaderaad? Iets achter u, iets voor u. Eeuwigheid achter, eeuwigheid voor. Lijn-gedachte. Toekomst. Heerlijkheid.